Laatst bijgewerkt op 20 augustus 2026 door M.G. Sulman
Wat is de mens eigenlijk? Niet een slim toeval van de natuur, niet louter vlees en bewustzijn, en niet een verzameling impulsen die zichzelf achteraf betekenis geeft. De Bijbel leert iets veel hogers: de mens is geschapen naar het beeld van God. Dat is een waarheid met grote reikwijdte. Zij zegt iets over je waarde, je roeping, je lichaam, je ziel, je geweten en je bestemming. Ook maakt zij begrijpelijk waarom de mens tot grote hoogte kan komen en nochtans tot diepe val kan raken. In dit artikel lees je wat imago Dei betekent, hoe dit beeld door de zonde is beschadigd, waarom Christus het volmaakte Beeld van God is, en wat dit alles zegt over identiteit, menselijke waardigheid en leven voor Gods aangezicht.
De imago Dei is de Bijbelse leer dat de mens geschapen is naar het beeld en de gelijkenis van God. Genesis 1:26-27 verbindt dit rechtstreeks met de schepping van man en vrouw. Het betekent niet dat de mens een klein exemplaar van God is, maar dat hij als mens op een unieke wijze door God is geschapen om Hem te vertegenwoordigen, in relatie tot Hem te leven en verantwoordelijkheid te dragen binnen de schepping.
Door de zondeval is het beeld van God niet verdwenen. Ook na Genesis 3 wordt de mens nog steeds als Gods beeld aangeduid, bijvoorbeeld in Genesis 9:6 en Jakobus 3:9. Wel is het menselijk bestaan door de zonde diep aangetast. In het Nieuwe Testament wordt vervolgens zichtbaar dat Christus het volmaakte beeld van God is en dat gelovigen door Gods Geest naar Zijn beeld worden vernieuwd.
- Iedere mens bezit waardigheid omdat hij of zij naar Gods beeld is geschapen; die waardigheid hangt niet af van intelligentie, gezondheid, leeftijd, zelfstandigheid of maatschappelijk nut.
- Het beeld van God omvat meer dan één menselijke eigenschap. De Schrift verbindt het onder meer met onze verhouding tot God, onze roeping binnen de schepping en onze verantwoordelijkheid tegenover andere mensen.
- De zonde heeft het beeld van God beschadigd, maar niet uitgewist. In Christus wordt de mens vernieuwd naar het beeld van zijn Schepper.
Wat betekent imago Dei eigenlijk?
De uitdrukking imago Dei klinkt plechtig, bijna alsof je eerst een stoffige studeerkamer moet betreden voordat je haar mag gebruiken. Toch is de kern verrassend eenvoudig. Imago Dei is Latijn voor beeld van God. Wanneer de Bijbel zegt dat de mens naar Gods beeld is geschapen, dan zegt hij daarmee niet iets bijkomstigs, maar iets fundamenteels. Dit raakt aan wat de mens is, waarom hij ertoe doet en waartoe hij op aarde is geplaatst. Hier begint dus niet een lesje uit de dogmatiek, maar de grondtoon van een Bijbelse mensvisie.
De grondtekst: Genesis 1
De eerste grote tekst is Genesis 1:26-27. Daar staat, in de Herziene Statenvertaling:
“En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over alle kruipende dieren die over de aarde kruipen. En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.”
Dat is geladen taal. De mens wordt niet slechts gemaakt, zoals een steen of een struik er eenvoudigweg is. De mens wordt geschapen in een bijzondere verhouding tot God. Dat betekent niet dat de mens goddelijk is. Evenmin dat de mens een stukje God in zich draagt. Het betekent wel dat de mens op een unieke wijze iets weerspiegelt van Gods bedoeling, heerschappij en morele orde.
Beeld betekent geen fysieke gelijkenis
Hier gaat het dikwijls mis. Sommigen denken bij beeld van God meteen aan uiterlijke gelijkenis, alsof God armen, benen en een gezicht heeft zoals wij. Dat is niet de strekking van de tekst. God is Geest, zegt Johannes 4:24. Hij is dus niet een lichamelijk wezen zoals de mens dat is.
Wanneer de Bijbel over Gods hand, ogen of arm spreekt, dan is dat antropomorf taalgebruik. Dat is een theologische term voor mensvormige taal over God. Zulke woorden helpen ons om Gods handelen te begrijpen, maar zij betekenen niet dat God letterlijk een menselijk lichaam heeft. Het beeld van God zit dus niet in het feit dat jij een neus, stem of ruggengraat hebt. De zaak ligt dieper.
📌 Voorbeeld
Als iemand zegt: “De hand van God was met hem”, dan bedoelt hij niet dat er een zichtbare reuzenhand uit de hemel kwam. Hij bedoelt dat Gods macht en leiding merkbaar waren. Zo moet je ook voorzichtig lezen wanneer het over beeld en gelijkenis gaat.
De mens als vertegenwoordiger van God
Een belangrijk element van het beeld van God is representatie. Representatie betekent vertegenwoordiging. De mens staat als schepsel op aarde niet op eigen titel, maar onder God en namens God. Hij ontvangt een plaats en opdracht. Hij moet de aarde bebouwen en bewaren, leven onder Gods wet en in zijn handelen iets laten zien van Gods orde en goedheid.
Dat zie je al in Genesis 1. Meteen na de woorden over beeld en gelijkenis volgt de roeping om te heersen. Dat heersen is geen vrijbrief voor uitbuiting of willekeur. Het is rentmeesterschap. Ook dat is een term die uitgelegd moet worden. Rentmeesterschap betekent dat je beheert wat van een Ander is. De aarde is dus niet van de mens als absoluut eigenaar; zij is hem toevertrouwd door God.
Meer dan verstand alleen
Soms wordt het beeld van God bijna helemaal beperkt tot het verstand. Dan hoor je: de mens is beeld van God omdat hij kan denken en redeneren alsook taal kan gebruiken. Daar zit iets in, maar het is te smal. De mens heeft inderdaad rationaliteit, dat is het vermogen om te denken, te onderscheiden en verbanden te leggen. Maar de Bijbel versmalt de mens niet tot zijn intellect.
De mens is ook een moreel wezen. Hij leeft niet slechts met behoeften, maar ook met verantwoordelijkheid. Hij kent de werkelijkheid niet alleen; hij wordt er ook op aangesproken. Dat morele besef noem je moraliteit. Dat is het besef van goed en kwaad, recht en onrecht, schuld en plicht. Zelfs mensen die Gods Woord verwerpen, kunnen niet geheel ontsnappen aan dat besef. Hun geweten spreekt mee, al is het niet zuiver en niet onaangetast.
Daarnaast is de mens een relationeel wezen. Relationeel betekent: geschapen voor verhouding. De mens leeft voor Gods aangezicht, in verhouding tot de naaste en niet als een los zwevend individu. Hij is dus niet bedoeld als een autonoom project dat zichzelf uitvindt. Hij ontvangt zichzelf uit Gods hand.
Mannelijk en vrouwelijk, beide naar Gods beeld
Genesis 1 zegt uitdrukkelijk: “mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.” Dat is geen bijzinnetje, doch zeer wezenlijk. Man en vrouw dragen beiden het beeld van God. Niet de man meer dan de vrouw, en ook de vrouw niet meer dan de man. Hun waardigheid is gelijk; hun geschapenheid is gemeenschappelijk; hun roeping is Godgegeven.
Dat heeft verstrekkende gevolgen. Het betekent dat menselijke waarde niet afhangt van kracht, nut, schoonheid, intelligentie of maatschappelijk succes. Een baby in de couveuse, een oude man met dementie, een vrouw met een ernstige beperking, een ongeboren kind, een puber die worstelt met zijn identiteit: zij dragen niet minder beeld van God omdat zij kwetsbaar zijn. Juist daar toont zich de scherpte van de Bijbelse lijn.
📌 Voorbeeld
In een puur utilitaire visie, dus een denkwijze waarin nut centraal staat, krijgt iemand al gauw waarde naar prestatie. Wie weinig kan, telt dan allengs minder mee. De Bijbel snijdt daar dwars doorheen. De mens heeft waarde omdat hij schepsel van God is, niet omdat hij zich maatschappelijk bewijst.
Beeld en gelijkenis: twee woorden, één werkelijkheid
Soms wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen beeld en gelijkenis, alsof het twee heel verschillende dingen zijn. In de geschiedenis van de theologie is daar veel over geschreven. Toch moet je hier nuchter blijven. In Genesis 1 lijken die woorden vooral samen de volle rijkdom van de zaak te benadrukken. De mens is werkelijk op God betrokken geschapen.
Dat wil niet zeggen dat elk onderscheid per definitie quatsch is, maar wel dat je er geen ingewikkeld systeem van moet maken alsof de tekst dat zelf eist. De hoofdlijn is helder genoeg: de mens is uniek onder de schepselen en staat in een bijzondere verhouding tot zijn Schepper.
Kennis, gerechtigheid en heiligheid
Wanneer de Schrift later teruggrijpt op het mensbeeld, zie je dat het beeld van God ook verbonden wordt met kennis, gerechtigheid en heiligheid. Dat zijn klassieke termen, maar ze moeten helder blijven.
Kennis betekent hier niet alleen informatie. Het gaat om ware kennis van God, van jezelf en van de werkelijkheid in het licht van Gods waarheid. Gerechtigheid betekent dat de mens recht stond tegenover God; niet krom, niet schuldig, niet in opstand. Heiligheid betekent dat de mens rein en toegewijd was, apart gezet voor Gods dienst.
Met andere woorden: de eerste mens was niet neutraal. Hij was niet moreel leeg om later zelf zijn koers te kiezen. Hij was goed geschapen, gericht op God, en passend bij Gods wil.
De mens is meer dan biologie
Dit punt is thans zeer actueel, ook al is het oud. De Bijbel ziet de mens niet als een machine van vlees, hormonen en neurale prikkels. Dat lichamelijke is echt, belangrijk zelfs. Maar de mens gaat daar niet in op. Hij heeft een ziel. Daarmee bedoelt de Schrift niet een spookachtig iets in het binnenste van de mens, maar de mens in zijn levende, innerlijke en voor God verantwoordelijke bestaan. De mens is derhalve geen louter stoffelijk wezen, maar een bezield lichaam.
Lichaam en ziel mag je daarom niet uit elkaar trekken alsof het twee los verkrijgbare onderdelen zijn. De mens is een eenheid. Juist daarom doet het lichaam ertoe, en juist daarom kan de mens niet worden verklaard vanuit chemie alleen. Wie de mens reduceert tot biologie, houdt misschien processen over, maar verliest persoon, schuld, liefde, aanbidding en roeping.
Waarom dit leerstuk zo belangrijk is
Imago Dei behoort niet tot de marge, maar tot het hart van de zaak. Hier wordt beslist hoe je de mens verstaat. Waar dit leerstuk verbleekt, deraillert ook het mensbeeld. Dan slaat men door naar twee kanten: of de mens wordt verheven tot autonome maat aller dingen, of hij wordt neergehaald tot niet veel meer dan een slim levend wezen dat zijn instincten van mooie taal voorziet.
De Bijbel kiest evenwel een radicaal andere weg. De mens is hoog geschapen, maar niet zelfstandig. Eervol, maar niet soeverein. Kostbaar, maar niet onschuldig. Hij leeft afgeleid, ontvangen en afhankelijk. Dat is de kwintessens van het begin. En juist daarom krijgt ook de rest van de Bijbelse boodschap gewicht: de val, de schuld, het oordeel, de verlossing en de vernieuwing in Christus.
Tussenstand
Als je tot hier meeleest, kun je hoofdstuk 1 zo samenvatten: imago Dei betekent dat de mens door God geschapen is in een unieke verhouding tot Hem, met waardigheid, verantwoordelijkheid en roeping. Het beeld van God zit niet in één enkel trucje van het mens-zijn, maar raakt de hele mens in zijn kennen, willen, handelen en leven voor Gods aangezicht.
In het volgende hoofdstuk moet de vraag scherper worden. Zit dat beeld van God dan vooral in het verstand, in de heerschappij, in de ziel, of in iets anders? Daar begint het pas echt interessant te worden.
Het beeld van God zit niet in één los stukje van de mens
Zodra je wat dieper in imago Dei graaft, komt bijna vanzelf de volgende vraag op: waar zit dat beeld van God dan precies? In je verstand? In je ziel? In je geweten? In het feit dat je kunt liefhebben, spreken, regeren of bidden? Het eerlijke antwoord is: je moet hier niet te haastig één vakje aankruisen. De Schrift spreekt rijker, breder en ook zorgvuldiger dan men somtijds doet vermoeden. Het beeld van God is niet een los onderdeel in de mens, alsof je het met een pincet uit zijn bestaan zou kunnen lichten. Het raakt de mens in zijn geheel.
Waarom versmalling altijd iets kapotmaakt
Mensen houden van overzicht. Dat is begrijpelijk. Je zet een leerstuk graag in een schema, liefst met een strakke definitie erbij. Toch gaat het juist hier vaak mis. Zodra je zegt: het beeld van God is alleen het verstand, of alleen de vrije wil, of alleen de taak om te heersen, dan knip je iets af van de breedte van het Bijbelse mensbeeld.
Dat is niet slechts een technisch probleem. Het heeft gevolgen. Maak je het beeld van God alleen rationeel, dan dreigt de mens vooral een denkend wezen te worden. Dan komt de vraag al vlug op of een baby, iemand met ernstige dementie of een zwaar verstandelijke beperking dan minder voluit mens zou zijn. Dat is geen onschuldige denkfout. Dat raakt de waardigheid van concrete mensen van vlees en bloed.
📌 Voorbeeld
Als menselijke waarde vooral zou afhangen van denkvermogen, dan zou een hoogbegaafde student meer waarde hebben dan een diep verstandelijk beperkt kind. Je voelt intuïtief al dat hier iets scheef zit. De Bijbel bevestigt dat ook. De mens heeft zijn waardigheid niet op basis van IQ, maar op basis van zijn schepping door God.
De structurele benadering: wat de mens is
Een klassieke benadering is de structurele visie. Dat klinkt technisch, maar het idee is eenvoudig. Deze benadering vraagt: welke eigenschappen of vermogens maken de mens tot beeld van God? Men denkt dan aan verstand, wil, zelfbewustzijn, taal, moreel besef en geestelijk vermogen.
Daar zit veel waars in. De mens is geen dier met wat extra software. Hij denkt, oordeelt, benoemt, herinnert, weegt, aanbidt en verwerpt. Hij leeft in begrippen, kent plicht en schuld, en kan zichzelf beschouwen. Dat zijn geen kleine zaken. Zij horen werkelijk bij zijn bijzondere plaats in de schepping.
Toch mag je ook hier niet simplificeren. De mens heeft deze vermogens niet als autonome grootheid, alsof hij uit zichzelf een soort miniatuur-god is. Hij ontvangt ze. Ze zijn afgeleid, geschapen, afhankelijk. Juist daarin blijft de verhouding tussen Schepper en schepsel intact.
De functionele benadering: wat de mens doet
Een andere benadering legt nadruk op functie. Dan ligt het accent op de taak van de mens. In Genesis 1 zie je immers direct na de woorden over beeld en gelijkenis de roeping om te heersen over de aarde. De mens is geroepen om te beheren, te ordenen, te bebouwen en te bewaren.
Dat functionele element is belangrijk. Het beeld van God is niet alleen iets statisch, iets wat je bezit als een stille eigenschap. Het heeft ook een dynamische kant. Het komt naar buiten in roeping, handelen en verantwoordelijkheid. De mens leeft niet slechts; hij is aangesteld. Hij is geen decorstuk in Gods wereld, maar rentmeester.
Rentmeesterschap betekent, nogmaals, dat je beheert wat van een Ander is. Dat is een scherp medicijn tegen menselijke hoogmoed. De mens mag de aarde gebruiken, maar niet plunderen. Hij mag dieren verzorgen, maar niet mishandelen. Hij mag cultuur ontwikkelen, maar niet alsof de schepping zijn privébezit is.
De relationele benadering: hoe de mens leeft voor Gods aangezicht
Er is ook een relationele benadering. Daarbij ligt het accent op verhouding. De mens is beeld van God omdat hij geschapen is in verbondsmatige betrekking tot zijn Schepper, en van daaruit ook tot de ander. Dat relationele aspect is zeer wezenlijk. De mens is niet gemaakt voor geïsoleerd bestaan. Hij leeft coram Deo, dat is een Latijnse uitdrukking voor voor Gods aangezicht.
Die uitdrukking moet je goed proeven. Zij betekent niet slechts dat God van een afstandje toekijkt. Zij betekent dat de mens leeft in Gods tegenwoordigheid, onder Zijn gezag, van Hem afhankelijk en voor Hem verantwoordelijk. Daaruit volgt ook de plaats van de naaste. Je kunt niet zeggen dat je voor God leeft en tegelijk de ander reduceren tot lastpost, instrument of object van begeerte.
Deze drie horen bijeen
Structureel, functioneel en relationeel zijn dus geen drie concurrerende theorieën die elkaar moeten wegdrukken. Ze belichten verschillende kanten van dezelfde werkelijkheid. De mens is iets, hij doet iets en hij staat in verhouding. Wie één lijn absoluut maakt, verengt de zaak. Wie de lijnen samen ziet, komt dichter bij de Bijbelse rijkdom.
Dat voorkomt ook karikaturen. De mens is niet alleen een denker. Hij is ook niet alleen een doener. En evenmin slechts een voelend relationeel wezen. Hij is een geschapen persoon, met verstand, wil, lichaam, ziel, roeping en verantwoordelijkheid, levend onder God.
Het beeld van God raakt lichaam én ziel
Soms denkt men dat het beeld van God vooral in de ziel zit en dat het lichaam slechts een tijdelijk omhulsel is. Dat klinkt vroom, maar het is niet Bijbels genoeg. De mens is in de Schrift geen ziel die toevallig een lichaam bestuurt, alsof het lichaam een soort jas is die je even aantrekt. De mens is als geheel door God geschapen. Zijn lichamelijkheid hoort bij zijn mens-zijn.
Dat is van groot belang. Het lichaam is niet minderwaardig. Het is evenmin onbelangrijk voor heilig leven. Juist daarom is het in de Bijbel nooit vrijblijvend wat je met je lichaam doet. Seksualiteit, zorg voor het zwakke lichaam, ziekte, ouderdom, honger, arbeid, rust, lichamelijke opstanding, het hoort er allemaal wezenlijk bij.
📌 Voorbeeld
Als iemand zegt: mijn lichaam doet iets, maar dat zegt niets over wie ik ben, dan klinkt dat modern en autonoom. Maar Bijbels gezien is het te plat. Jij bént niet los van je lichaam. Je leeft als mens in en met dat lichaam voor Gods aangezicht.
Kennis, gerechtigheid en heiligheid opnieuw bezien
In de christelijke leer is vaak gezegd dat de mens oorspronkelijk geschapen is in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Dat is geen losse theologische formule uit een vergeeld handboek; het vat werkelijk iets wezenlijks samen.
Kennis
Met kennis wordt niet bedoeld dat Adam een encyclopedie in zijn hoofd had. Het gaat om ware kennis van God en van de werkelijkheid in het juiste licht. De mens stond oorspronkelijk niet in verwarring tegenover zijn Schepper. Er was geen mist, geen rebellische vertekening, maar ook geen innerlijke vervreemding. Hij kende God waarachtig.
Gerechtigheid
Gerechtigheid betekent dat de mens recht stond tegenover God. Geen schuld, geen scheefgroei, geen opstand. Zijn wil was niet verdeeld. Hij was niet half gericht op God en half op zichzelf. De mens was goed geschapen, passend bij Gods wil en gebod.
Heiligheid
Heiligheid betekent dat de mens rein en toegewijd was. Hij was niet neutraal. Dat woord neutraal klinkt onschuldig, maar is in diepste zin misleidend. De mens is altijd gericht. Ofwel op God, ofwel van Hem af. In de staat van rechtheid leefde de mens toegewijd aan God, zonder innerlijke breuk.
Het geweten is belangrijk, maar niet voldoende als definitie
Sommigen leggen veel nadruk op het geweten. Dat is begrijpelijk, want het geweten is een belangrijk aspect van mens-zijn. Het geweten is het innerlijke besef dat getuigt van goed en kwaad, aanklaagt of vrijspreekt, en de mens confronteert met norm en schuld.
Nochtans is het geweten niet het hele beeld van God. Ook hier geldt: het is een aspect, geen totaaldefinitie. Het geweten is onderdeel van de morele structuur van de mens, maar de mens is méér dan zijn gewetensfunctie. Bovendien functioneert het geweten na de val niet zuiver meer. Het kan verdoofd raken, verkeerd gevormd worden of selectief spreken.
📌 Voorbeeld
Iemand kan oprecht geen kwaad geweten hebben over iets wat objectief zondig is. Dan is zijn geweten niet afwezig, maar vervormd. Dat laat zien dat het geweten wel belangrijk is, maar niet zelfstandig betrouwbaar als laatste norm.
Ook vrije wil moet zorgvuldig worden uitgelegd
De term vrije wil roept vaak verwarring op. Veel mensen verstaan daaronder dat de mens volledig zelfstandig kan kiezen, los van God, los van natuur, los van innerlijke gesteldheid. Maar dat is niet de Bijbelse gedachte. Vrijheid in de Schrift is geen absolute autonomie.
Voor de val was de mens werkelijk vrij in die zin dat hij zonder innerlijke zondedwang God kon gehoorzamen. Na de val is die vrijheid beschadigd. De wil bestaat nog, maar zij is niet neutraal. Zij is geneigd tot het kwade. Dat betekent niet dat de mens een robot is. Het betekent wel dat hij vanuit zichzelf niet meer zuiver tot God wil terugkeren.
Dat is een klassiek punt uit de leer van de verdorvenheid. Verdorvenheid betekent niet dat de mens zo slecht is als hij maar kan zijn, maar dat de zonde elk terrein van zijn bestaan heeft aangeraakt: verstand, wil, gevoel, verbeelding, verlangens, lichaam en daden. Niets is onaangetast gebleven.
De mens is persoon, geen losse verzameling functies
Een van de grote problemen van moderne mensbeelden is dat zij de mens niet meer ontvangen als schepsel, maar ontleden als systeem. Dan blijft er een optelsom over van neuronen, hormonen, omgevingsinvloeden en psychologische patronen. Zulke dingen bestaan werkelijk en hebben betekenis, dat staat buiten kijf. Maar zij verklaren nog niet wat een mens is. Want de mens is geen toevallig biologisch proces dat allengs zelfbewust werd, maar een door God geschapen, bezield en verantwoordelijk mens. Wie dat loslaat, houdt wel mechanismen over, maar geen mensbeeld.
De Bijbel spreekt echter over de mens als persoon. Dat woord betekent dat de mens geen mechanisch geheel van losse functies is, maar een verantwoordelijke eenheid. Hij denkt, wil, voelt, gelooft, gehoorzaamt, zondigt, schaamt zich, bemint, vreest, bidt en hoopt. Dat zijn niet slechts chemische gebeurtenissen; het zijn daden van een persoon voor Gods aangezicht.
Dat onderscheid is van groot gewicht. Reduceer je de mens tot processen, dan verdwijnt vroeg of laat ook echte schuld. En waar schuld verdwijnt, wordt vergeving een leeg woord. Dan blijft er therapie over, maar geen verlossing. Dan verschuift het christendom van kruis en genade naar welbevinden en coping; van bekering naar begeleiding; van verzoening met God naar een geestelijk sausje over psychologisch herstel. Dat is geen kleine accentverschuiving, maar een wezenlijke ontsporing. Kortweg therapeutisch christendom genoemd.
Waarom dit hoofdstuk nodig is
Je moet dit goed vastzetten, omdat anders het vervolg scheef komt te staan. Als het beeld van God alleen maar een functie is, dan zou de mens zonder die functie minder mens zijn. Als het alleen maar verstand is, dan worden zwakken allengs gemarginaliseerd. Als het alleen maar relatie is, dan verlies je de concrete geschapen werkelijkheid van de mens zelf.
De Bijbelse lijn is stukken robuuster. Het beeld van God raakt de hele mens. Niet elk aspect is even beslissend op dezelfde manier, maar samen tonen zij wel de breedte van Gods scheppingsorde. De mens is geschapen als lichamelijk-geestelijk, moreel verantwoordelijk, relationeel gericht en tot heerschappij geroepen wezen. Dat alles staat onder God en ontvangt zijn zin van Hem.
Tussenstand
Tot dusver kun je het zo samenvatten: het beeld van God zit niet in één enkel onderdeel van de mens, alsof je het kunt aanwijzen als een apart orgaan of een losse eigenschap. Het raakt de mens in zijn hele geschapen bestaan. In zijn verstand, zijn wil, zijn moraal, zijn lichaam, zijn ziel, zijn roeping en zijn verhouding tot God en de naaste.
Dat roept onvermijdelijk de volgende vraag op. Als het beeld van God de mens zo diep tekent, wat is er dan bij de zondeval mee gebeurd? Is dat beeld verdwenen, vernietigd, of is het nog aanwezig maar verminkt? Daarover gaat het volgende hoofdstuk.
Wat is er door de zondeval met het beeld van God gebeurd?
Hier komt de spanning van het mens-zijn pas goed naar voren. Want als de mens werkelijk naar Gods beeld is geschapen, hoe verklaar je dan de werkelijkheid van leugen, wreedheid, lust, hoogmoed, haat, moord, verraad en geestelijke blindheid? Je hoeft de krant nauwelijks open te slaan om te zien dat er iets grondig mis is. Maar je hoeft ook niet eerst de wereld rond te reizen. Kijk eerlijk naar jezelf, en je merkt reeds dat het kwaad niet alleen buiten je woont, maar ook in je schuilt. De Bijbel verklaart dat niet als een kleine karakterfout of een tijdelijke ontsporing, maar als de vrucht van de zondeval.
De zondeval was geen kleinigheid
Met zondeval bedoelen we de historische val van de mens in Adam. Dat is de eerste mens, die als verbondshoofd handelde namens het menselijk geslacht. Een verbondshoofd is iemand die niet alleen voor zichzelf staat, maar ook representatief optreedt voor anderen. Wanneer Adam valt, blijft dat dus niet een privé-ongelukje in een oude hof. Zijn ongehoorzaamheid heeft verstrekkende gevolgen voor heel het mensdom.
Genesis 3 beschrijft hoe de mens zich losmaakt van Gods gebod. Dat is wezenlijk. Zonde is niet in de eerste plaats een gebrek aan etiquette, niet een wat ruwe kant van de persoonlijkheid, en evenmin louter onvolwassenheid. Zonde is opstand tegen God. Zij is wetteloosheid, zegt 1 Johannes 3:4. De mens wil niet langer ontvangen, maar zelf beschikken. Niet langer luisteren, maar zelf bepalen wat goed en kwaad is.
📌 Voorbeeld
Je kunt het vergelijken met een kind dat niet slechts één huisregel overtreedt, maar in feite zegt: ik erken jouw gezag niet meer. Dan gaat het niet meer alleen om die ene regel. De verhouding zelf is gebroken. Precies daar ligt de ernst van de zonde.

Het beeld van God is niet verdwenen
Nu komt een belangrijk punt. Door de zondeval is het beeld van God niet volledig uitgewist, alsof de mens daarna ophield mens te zijn. Dat blijkt op meerdere plaatsen in de Schrift. In Genesis 9:6 wordt, na de val, nog altijd gezegd dat de mens naar Gods beeld gemaakt is. Jakobus 3:9 spreekt eveneens over mensen die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn. Er blijft dus iets staan.
Dat is van groot gewicht. Het betekent dat de mens, ook gevallen, nog altijd een schepsel met waardigheid is. Een moordenaar blijft mens. Een afgedwaald kind blijft mens. Een oude vrouw met vergevorderde dementie blijft mens. Iemand in diepe zonde, iemand in gevangenschap, iemand die de waarheid verdrukt, iemand die lichamelijk of verstandelijk zwaar beperkt is: hij verliest zijn mens-zijn niet.
Daarom is minachting voor de mens zo ernstig. Wie de mens veracht, tast iets aan van Gods scheppingsorde. Niet omdat de mens heilig in zichzelf is, maar omdat hij Gods beeld draagt, zij het geschonden.

Maar het beeld is wel diep geschonden
Dat het beeld niet verdwenen is, betekent allerminst dat het onaangetast is gebleven. Hier moet je oppassen voor goedkope optimistische taal. De val heeft de mens niet slechts oppervlakkig beschadigd. De aantasting is diep, breed en radicaal. De mens denkt nog, maar verkeerd. Hij wil nog, maar scheef. Hij voelt nog, maar onzuiver. Hij oordeelt nog, maar partijdig. Hij aanbidt nog, maar dikwijls de verkeerde dingen.
Dat noemen we verdorvenheid. Verdorvenheid is een theologische term die zegt dat de zonde het hele menselijke bestaan heeft aangeraakt. Niet alleen een hoekje van het hart, niet alleen de seksualiteit, niet alleen de emoties, niet alleen de rede. Het hele mens-zijn staat onder de ontwrichtende macht van de zonde.
Dat wordt totale verdorvenheid genoemd. Dat betekent niet dat ieder mens zich zo slecht gedraagt als maar mogelijk is. Niet iedere zondaar is een tiran of sadist. Het betekent wel dat geen enkel deel van de mens van nature zuiver en onbevlekt voor God staat. Zelfs het beste van de gevallen mens is niet rein in zichzelf.
Verstand, wil en geweten zijn niet weg, maar wel vervormd
Dit moet je zorgvuldig formuleren. De mens heeft na de val nog steeds verstand. Hij kan bouwen, rekenen, dichten, programmeren, musiceren, liefhebben, plannen en uitvinden. Hij is geen dier geworden. Nochtans is zijn verstand verduisterd in geestelijke zin. Dat wil zeggen: hij kan de waarheid van God niet recht kennen en liefhebben zolang hij in opstand leeft.
De wil is evenmin verdwenen. De mens kiest, beslist, verlangt en handelt. Toch is zijn wil niet neutraal. Hij buigt van nature niet naar God toe, maar van Hem af. Dat is de reden waarom bekering niet begint bij een klein moreel duwtje, maar bij genade. De mens heeft niet slechts advies nodig, maar wederbaring, ook bekend als wedergeboorte.
Wederbaring betekent opnieuw geboren worden. Niet lichamelijk, maar geestelijk. Het is Gods werk waardoor een mens innerlijk levend gemaakt wordt, zodat hij God gaat zien, liefhebben en gehoorzamen.
Ook het geweten functioneert nog. Paulus laat in Romeinen 2 zien dat mensen een besef van goed en kwaad hebben. Toch spreekt het geweten niet zuiver. Het kan afgestompt raken, verkeerd gevormd worden of selectief functioneren.
📌 Voorbeeld
Iemand kan zich diep schuldig voelen over een kleine sociale misstap, maar geen enkele pijn ervaren over hoogmoed, onreinheid of leugen. Dan zie je dat het geweten nog werkt, maar niet meer scherp staat afgesteld.
De mens blijft verantwoordelijk
Soms hoor je: als de mens zo diep gevallen is, dan kan hij er toch niets aan doen? Maar dat volgt er niet uit. De Bijbel leert tegelijk verdorvenheid en verantwoordelijkheid. Dat is voor het autonome denken lastig te verteren, maar het is wel de lijn van de Schrift.
De mens zondigt niet tegen zijn wil in. Hij doet wat hij wil. Juist daarin blijkt zijn schuld. Zijn wil is niet een neutraal terrein dat toevallig verkeerd beïnvloed wordt. Zij is zelf scheefgericht. Daarom blijft de mens aanspreekbaar op zijn daden, woorden, verlangens en gedachten.
Hier raakt het leerstuk aan een klassiek onderscheid tussen onmacht en onwil. De gevallen mens is onmachtig om zichzelf tot God terug te brengen, maar die onmacht is niet een onschuldige handicap. Zij is moreel geladen. Hij wil van nature ook niet buigen. Dat maakt zijn toestand juist zo ernstig.
De glans is er nog, maar zij is besmeurd
Misschien helpt het volgende beeld. Denk aan een spiegel die gemaakt is om licht te weerkaatsen. Die spiegel wordt niet ineens een baksteen wanneer hij vuil, gebarsten en beslagen raakt. Hij blijft een spiegel. Maar hij functioneert niet meer zuiver. Het beeld is vervormd; het licht wordt gebroken; de helderheid is weg.
Zo blijft de mens beeld van God, maar niet meer in oorspronkelijke rechtheid. Er is nog verstand, taal, cultuur, liefde, geweten, kunst, ordebesef en verlangen naar recht. Daarom zie je ook bij ongelovigen soms indrukwekkende dingen: zelfopoffering, trouw, schoonheid, wijsheid, discipline, zorg voor zwakken, etc. Dat moet je niet ontkennen.
Desalniettemin moet je het ook niet romantiseren. Al die dingen bestaan in een gevallen werkelijkheid en zijn niet hetzelfde als ware gerechtigheid voor God. Burgerlijke deugdzaamheid is niet hetzelfde als geestelijke reinheid. Een man kan een uitstekende chirurg zijn en toch een trotse vijand van God. Iemand kan oprecht zorgzaam zijn voor dieren en tegelijk de waarheid haten. De mens is complex, juist omdat hij nog iets van de oorspronkelijke glans draagt en tegelijk diep geschonden is.
Daarom is ieder mens tegelijk waardig en gevallen
Dit punt is beslissend. De Bijbel bewaart twee dingen tegelijk. Enerzijds de waardigheid van de mens; anderzijds zijn radicale gebrokenheid. Laat je één van beide los, dan derailleert je mensbeeld.
Wie alleen over waardigheid spreekt, eindigt dikwijls in een te rooskleurig beeld van de mens. Dan wordt zonde een soort misverstand, trauma of achterstand, maar geen schuld voor Gods aangezicht. Wie alleen over verdorvenheid spreekt en de blijvende waardigheid vergeet, vervalt gemakkelijk in kilheid, minachting of een soort praktische hardheid tegenover de zwakke mens.
De Schrift doet beide. Zij vernedert de mens en geeft hem tegelijk gewicht. Zij zegt: je bent stof, gevallen, schuldig en sterfelijk. Maar ook: je bent niet niets. Je bent geen wegwerpmateriaal. Je bent door God geschapen en daarom werkelijk aanspreekbaar, werkelijk kostbaar en werkelijk verantwoordelijk.
De gevolgen van de val raken ook het lichaam
Vaak beperkt men de gevolgen van de zondeval tot het innerlijk: schuld, vervreemding, verdorvenheid. Dat is waar, maar het is niet de volle zaak. De val heeft ook het lichaam getroffen. Pijn, ziekte, slijtage, vermoeidheid, barensnood, moeizame arbeid en de lichamelijke dood behoren sindsdien tot de werkelijkheid van het menselijke bestaan.
Daarmee wordt niet beweerd dat iedere kwaal rechtstreeks herleid kan worden tot een specifieke persoonlijke zonde. De Schrift wijst zulke simplificaties af. Wel leert zij dat ziekte en dood zelf geen elementen van de oorspronkelijke volmaaktheid waren. Zij zijn kenmerken van een gevallen wereld, sporen van ontregeling onder Gods oordeel.
Daarom is de hoop van het evangelie ook niet onlichamelijk. God verlost de mens niet door hem van zijn lichamelijkheid af te pellen, maar door hem als mens te herstellen. De lichamelijke opstanding is derhalve geen randzaak, maar behoort tot de kwintessens van de christelijke hoop. Verlossing is geen vlucht uit de schepping, maar de herschepping van wat door de zonde is geschonden.
De val verklaart waarom beschaving nooit genoeg is
Je ziet hier ook waarom onderwijs, cultuur, therapie, wetten, reclassering en beschaving op zichzelf de mens niet kunnen redden. Zij kunnen remmen, vormen, sturen, verfijnen en dikwijls veel kwaad beteugelen. Dat is niet gering. Maar zij genezen het hart niet.
Een mens kan beleefd worden zonder heilig te zijn. Hij kan cultureel verfijnd zijn en toch innerlijk verdorven. Hij kan een nette burger zijn en tegelijk God haten. Dat klinkt hard, maar het snijdt wel diep door de façade heen. De wortel van het probleem is niet slechts gebrek aan informatie, maar vervreemding van God.
📌 Voorbeeld
Je kunt een appel poetsen tot hij glanst, maar als hij vanbinnen rot is, blijft het bederf zitten. Zo kan de mens maatschappelijk op orde lijken en toch geestelijk dood zijn.
Waarom dit hoofdstuk onmisbaar is
Zonder de zondeval begrijp je de mens niet. Dan wordt hij of te groot gedacht, of te klein. De moderne cultuur slingert dikwijls tussen die twee. Aan de ene kant wordt de mens verheerlijkt als autonoom schepper van betekenis. Aan de andere kant wordt hij gereduceerd tot een biologisch proces. De Bijbel kiest een andere weg: de mens is gevallen majesteit. Hoog geschapen, diep gezonken.
Dat verklaart waarom je in de mens tegelijk schoonheid en perversie aantreft, trouw en verraad, zorg en wreedheid, verheven kunst en gore begeerte, oprechte ontroering en kille berekening. De mens is geen eenvoudig wezen. Hij is een ruïne van iets dat groot was.
Tussenstand
Je kunt dit hoofdstuk aldus samenvatten: door de zondeval is het beeld van God niet verdwenen, maar wel diep geschonden. De mens blijft een waardig schepsel, maar leeft niet meer in oorspronkelijke gerechtigheid, kennis en heiligheid. Zijn verstand, wil, geweten en lichaam zijn nog werkelijk menselijk, maar door de zonde vervormd en ontwricht. Daarom heeft hij niet slechts verbetering nodig, maar verlossing.
En juist daar dient het volgende hoofdstuk te komen. Want als de mens het beeld van God niet meer zuiver draagt, waar zie je dan nog wel de volmaakte mens zoals God hem bedoelde? Het antwoord van de Schrift is glashelder: in Christus.
Christus als het volmaakte Beeld van God
Tot hier toe is de lijn scherp zichtbaar. De mens is geschapen naar Gods beeld; dat beeld is in de val niet vernietigd, maar wel diep aangetast. De mens behoudt daarom zijn waardigheid, maar niet zijn oorspronkelijke rechtheid, reinheid en Godgerichtheid. En dan komt de beslissende vraag naar voren: waar zie je de mens nog zoals God hem bedoeld heeft? Waar treedt het beeld van God je tegemoet zonder breuk, zonder smet, zonder verdonkering? De Schrift wijst niet naar Adam, niet naar de nobelste filosoof, niet naar de fatsoenlijkste burger, maar naar Christus.
Christus is niet slechts ook een beeld van God
Hier dien je nauwkeurig te spreken. Van de mens wordt gezegd dat hij naar Gods beeld geschapen is. Van Christus spreekt de Schrift nog verhevener. Kolossenzen 1:15 noemt Hem “het Beeld van de onzichtbare God”. Hebreeën 1:3 zegt dat Hij “de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn zelfstandigheid” is. Dat is niet hetzelfde als zeggen dat Hij een schepsel is dat op God lijkt. Christus is niet slechts een bijzonder mens die God goed weerspiegelt. Hij is de eeuwige Zoon van God, één van wezen met de Vader.
Dat vraagt om een korte termuitleg. Wanneer we zeggen dat de Zoon één van wezen met de Vader is, bedoelen we dat Hij niet minder God is dan de Vader. Hij is niet een verheven tussenwezen, geen eerste schepsel, geen hemels afgezant die nét iets hoger staat dan engelen en mensen. Hij is waarachtig God. Juist daarom kan Hij God volkomen openbaren.
Waarom dit zo beslissend is
Als Christus alleen maar een moreel voorbeeld was, dan zou Hij ons misschien inspireren, maar niet redden. Dan liet Hij hooguit zien hoe een beter mens eruitziet. Maar de Schrift zegt meer. Christus openbaart niet alleen hoe een gaaf menselijk leven eruitziet; Hij openbaart God Zelf en herstelt verloren mensen werkelijk.
Dat is de reden waarom het beeld van God in Christus niet slechts leerzaam, maar zaligmakend is. Zaligmakend betekent: reddend, verlossend, tot behoud. In Hem zie je niet alleen de waarheid over God en de mens; in Hem komt ook Gods reddend handelen naar je toe.
In Christus zie je de ware mens
Dit klinkt misschien eenvoudig, maar het is diep. Wij zijn zo gewend geraakt aan het gevallen mens-zijn, dat wij het bijna normaal vinden. Trots, onzuiverheid, drift, verwarring, angst, hooghartigheid, zelfverheffing, manipulatie, egocentrisme, geestelijke blindheid, wij rekenen het haast tot de standaarduitrusting van de mens. Maar Christus laat zien dat dit niet de norm is. Hij is de ware mens.
Ware menselijkheid is dus niet dat je “gewoon jezelf bent”, alsof je innerlijke impulsen per definitie authentiek en goed zijn. Ware menselijkheid is mens-zijn zoals God het bedoelde: in volkomen gehoorzaamheid, reinheid, liefde, waarheid en toewijding aan de Vader. Dat zie je in Christus.
📌 Voorbeeld
Veel mensen denken: een echt mens leeft spontaan, volgt zijn hart en bepaalt zijn eigen pad. Maar als het hart zelf verduisterd is, leidt spontaniteit je niet vanzelf naar waarheid. Christus laat juist zien dat ware vrijheid niet ligt in zelfbepaling, maar in volkomen gerichtheid op Gods wil.
De tweede Adam
Een van de grote lijnen in het Nieuwe Testament is die van Adam en Christus. Adam is het eerste verbondshoofd van de mensheid; Christus is de tweede Adam. Die term tweede Adam betekent dat Christus optreedt als nieuw hoofd van een nieuw mensengeslacht. Waar Adam viel, gehoorzaamt Christus. Waar Adam de dood binnenbracht, brengt Christus leven. Waar Adam de mensheid de richting van schuld, verderf en oordeel in trok, opent Christus de weg van gerechtigheid, verzoening en nieuw leven.
Romeinen 5 en 1 Korinthe 15 zijn hier sleutelteksten. Paulus laat zien dat je de mens niet goed begrijpt zonder dit hoofdschap. Niemand leeft uiteindelijk op neutraal terrein. Je bent in Adam, of in Christus. Dat klinkt voor moderne oren wellicht ongerieflijk, maar het is de structuur van het evangelie.
Christus openbaart God volmaakt
De term openbaring moet hier goed vallen. Openbaring betekent dat God Zich kenbaar maakt. In Christus gebeurt dat ten volle en beslissend. Johannes 1:18 zegt: “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard.” Dat laatste woord, verklaard, kun je verstaan als: zichtbaar gemaakt, bekendgemaakt, ontvouwd.
Dit betekent niet dat Christus slechts informatie over God geeft. Hij is niet een docent die een les over God verzorgt. In Hem komt God Zelf tot ons. Daarom zegt Jezus ook: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” in Johannes 14:9. Niet omdat Vader en Zoon dezelfde Persoon zijn, maar omdat de Zoon de Vader volmaakt openbaart.
Daarmee raken we aan een ander klassiek begrip: de Drie-eenheid. Dat is de belijdenis dat God één in wezen is en drie in Personen: Vader, Zoon en Heilige Geest. Niet drie goden, maar één God. Niet één Persoon met drie maskers, maar drie onderscheiden Personen in het ene goddelijke Wezen. Zonder deze belijdenis wordt de volle betekenis van Christus als het volmaakte Beeld van God uitgehold.
In Christus zie je kennis, gerechtigheid en heiligheid zonder breuk
In Adam gingen kennis, gerechtigheid en heiligheid verloren als oorspronkelijke rechtheid. In Christus zie je ze in volmaakte volheid. Hij kent de Vader zonder schaduw, gehoorzaamt zonder aarzeling, bemint zonder bijbedoeling en leeft zonder zonde.
Zijn kennis is geen koude informatie. Hij kent de Vader in volkomen gemeenschap. Zijn gerechtigheid is niet slechts wettisch correct gedrag, maar een zuivere en volledige overeenstemming met Gods wil. Zijn heiligheid is geen afstandelijke steriliteit, maar volkomen toewijding aan God.
Dat maakt Christus niet minder mens, maar juist voluit mens. Dat is een belangrijk correctief. Moderne cultuur veronderstelt vaak dat een beetje duisternis, innerlijke chaos of morele dubbelzinnigheid bij echte menselijkheid hoort. De Schrift zegt het omgekeerde. Zonde maakt de mens niet dieper menselijk, maar misvormt hem.
Zijn menswording is geen schijn
Dit punt mag niet te snel passeren. Wanneer we zeggen dat Christus het volmaakte Beeld van God is, dan bedoelen we niet slechts dat Hij als eeuwige Zoon God openbaart. We bedoelen ook dat Hij dit doet als mens geworden Middelaar. De menswording, ook wel incarnatie genoemd, is het vleesgeworden zijn van de Zoon van God. Johannes 1:14 zegt: “Het Woord is vlees geworden.”
Incarnatie betekent dus dat de eeuwige Zoon onze menselijke natuur heeft aangenomen. Niet slechts een lichaam, maar ware menselijkheid, uitgezonderd de zonde. Hij had een echt lichaam, echte honger, echte vermoeidheid, echte tranen, echte gehoorzaamheid, echte smart. Hij speelde geen mens. Hij werd mens.
Dat is van groot belang voor het leerstuk van imago Dei. Want in Christus zie je niet alleen God geopenbaard, maar ook de mens hersteld en vertegenwoordigd. Hij is niet slechts boven ons; Hij komt werkelijk in onze plaats staan.
De Middelaar
Hier hoort ook de term Middelaar. Een Middelaar is iemand die tussen twee partijen staat om te verbinden wat gescheiden is. Christus is Middelaar tussen God en mensen. Niet omdat God halfwillig was en iemand nodig had om Hem milder te stemmen, maar omdat Gods recht en Gods genade beide volkomen serieus zijn. De zonde moet werkelijk geoordeeld worden. De mens moet werkelijk verzoend worden. Christus doet beide samenkomen.
In Zijn leven zie je de ware mens; in Zijn sterven draagt Hij het oordeel; in Zijn opstanding breekt het nieuwe leven door. Dit is geen los moralistisch plaatje, maar het hart van het evangelie.
Christus herstelt niet alleen, Hij vernieuwt
Soms klinkt het alsof verlossing eenvoudig een terugkeer naar Adam vóór de val is. Dat is te mager. In Christus is er niet slechts restauratie, maar ook verhoging. De gelovige wordt niet alleen gerepareerd, maar in gemeenschap met Christus gebracht. Dat is een rijker en dieper heil.
Daarom spreekt het Nieuwe Testament over vernieuwing naar het beeld van God. Kolossenzen 3:10 spreekt over “de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, overeenkomstig het beeld van Hem Die hem geschapen heeft”. Efeze 4:24 spreekt over “de nieuwe mens, die overeenkomstig het beeld van God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid”.
Dat betekent dat herstel van het beeld van God niet begint bij menselijke zelfverbetering, maar bij vereniging met Christus. Vereniging met Christus is een kernterm. Daarmee bedoelen we dat de gelovige door het geloof en door de Heilige Geest werkelijk met Christus verbonden wordt, zodat wat van Hem is, ook voor hem beslissend wordt. Zijn gerechtigheid telt voor de gelovige; Zijn leven werkt in hem; Zijn Geest vernieuwt hem.
Heiligmaking als herstel van het beeld
Dit brengt ons bij heiligmaking. Heiligmaking is het werk van God waardoor een gelovige allengs vernieuwd wordt in denken, willen, verlangen en handelen, zodat hij meer en meer aan Christus gelijkvormig wordt. Gelijkvormigheid betekent hier: overeenkomst in gestalte of karakter. Niet dat je letterlijk Christus wordt, maar dat Zijn beeld steeds meer zichtbaar wordt in je leven.
Heiligmaking is dus niet een project van religieuze zelfoptimalisatie. Zij is vrucht van genade. Toch is zij niet passief. De gelovige wordt geroepen te strijden tegen de zonde, zijn denken te vernieuwen, de oude mens af te leggen en in nieuwheid van leven te wandelen. Dat alles gebeurt echter niet als autonome prestatie, maar vanuit de levenskracht van Christus.
📌 Voorbeeld
Je kunt denken aan een ernstig vervuilde ruit. Het zonlicht moet niet door de ruit zélf worden opgewekt; dat komt van buiten. Maar de ruit wordt wel gereinigd, zodat het licht weer helderder doorkomt. Zo is ook heiligmaking geen eigen lichtproductie, maar een werk van God waardoor het leven van Christus in een mens meer zichtbaar wordt.
Christus corrigeert ook onze ideeën over identiteit
Het leerstuk van imago Dei is vandaag onvermijdelijk verbonden met de vraag naar identiteit. Wie ben ik? Waar ontleen ik mijn waarde aan? Is mijn diepste kern iets dat ik zelf definieer, ontdek of samenstel? De Schrift zet hier Christus centraal. Je identiteit is niet veilig in je prestaties, je gevoelens, je seksuele verlangens, je succes, je trauma, je status of je zelfbeeld. Die dingen kunnen je tekenen, maar zij kunnen je niet dragen.
In Christus wordt de mens teruggebracht tot zijn ware bestemming. Niet zelfschepping, maar herschepping. Niet autonome zelfdefinitie, maar ontvangen identiteit in verhouding tot God. Dat is voor de moderne Zeitgeist een harde noot. Toch is het bevrijdend. Want wie zichzelf moet uitvinden, draagt een loodzware last. Wie zichzelf uit Gods hand ontvangt en in Christus vernieuwd wordt, komt op vaste grond.
Waarom Christus onmisbaar is voor een zuiver mensbeeld
Zonder Christus houd je uiteindelijk een beschadigde spiegel over en probeer je op basis daarvan te reconstrueren wat een mens is. Je kijkt dan naar gevallen mensen om te bepalen wat menselijkheid inhoudt. Maar dan neem je afwijking voor norm. Dat zie je overal om je heen. Het afwijkende wordt gepresenteerd als authentiek; het gebrokene als vanzelfsprekend; de verwarring als innerlijke waarheid.
Christus doorbreekt dat alles. Hij is niet slechts een religieuze figuur naast vele andere, maar de openbaring van God en het patroon van ware menselijkheid. Daarom kun je de mens pas goed begrijpen vanuit Hem. Niet vanuit de zondaar als maatstaf, maar vanuit de Zoon.
Tussenstand
Je kunt dit hoofdstuk zo samenvatten: Christus is het volmaakte Beeld van God, niet slechts als voorbeeldig mens, maar als de eeuwige Zoon die God volmaakt openbaart en als tweede Adam de ware mens vertegenwoordigt. In Hem zie je kennis, gerechtigheid en heiligheid zonder breuk. Door vereniging met Hem wordt de gelovige vernieuwd naar Gods beeld en allengs gelijkvormig gemaakt aan Christus.
Dan blijft nog één grote vraag over: wat verandert dit nu concreet in het gewone leven? Wat betekent imago Dei voor hoe je kijkt naar je lichaam, de zwakke mens, ongeboren leven, seksualiteit, arbeid, ouderdom, ziekte en je omgang met de ander? Daar moet het laatste hoofdstuk over gaan.
Je lichaam is geen bijzaak
Imago Dei corrigeert ook een moderne misvatting die overal rondzingt: dat je lichaam weliswaar van jou is, maar niet wezenlijk iets over jou zegt. Alsof het lichaam een soort verpakking is om mee te experimenteren, terwijl het echte ik daar los van staat. Die gedachte lijkt bevrijdend, maar zij is uiteindelijk ontwrichtend.
De Bijbel ziet de mens niet als een los bewustzijn dat tijdelijk in een lichaam huist. Jij bént een belichaamd mens. Dat betekent niet dat je lichaam alles bepaalt, maar wel dat het wezenlijk bij je hoort. Daarom is het lichaam niet neutraal materiaal. Het is scheppingsgegeven. Het doet ertoe hoe je ermee omgaat.
Dit raakt allerlei terreinen: seksualiteit, zelfbeschadiging, verslaving, zorg voor gezondheid, rust, arbeid, eetgedrag, lichamelijke schaamte en ook ouderdom. Je lichaam is niet je god, maar ook niet je wegwerpomhulsel. Het is deel van je geschapen bestaan voor Gods aangezicht.
Seksualiteit kan daarom niet los worden gedacht van schepping
Ook hier wordt imago Dei direct concreet. Seksualiteit is in de Schrift geen losse drift die je naar eigen inzicht vormgeeft, maar een dimensie van het geschapen mens-zijn. Dat betekent dat zij niet zweeft boven lichaam, verbond en gehoorzaamheid. Zij hoort thuis in Gods orde.
Dat klinkt in een cultuur van expressie en zelfontplooiing haast anachronistisch, maar het is wel geheel de Bijbelse lijn. De mens is niet geroepen om zichzelf seksueel uit te vinden, maar om zijn leven te ontvangen en te ordenen onder Gods goede wil. Dat geldt evenzeer voor begeerte als voor gedrag. Niet alles wat krachtig gevoeld wordt, is daarom goed. Niet alles wat diep uit je binnenste opkomt, is een betrouwbare gids. Je gevoel is niet de maat der dingen.
📌 Voorbeeld
Hongergevoel is echt, maar dat betekent nog niet dat elke eetlust goed richting geeft. Zo ook met seksuele verlangens. Dat iets krachtig voelt, zegt nog niet dat het moreel juist is.
Ziekte en zwakte maken een mens niet minder mens
Een van de hardste leugens van deze tijd is dat wie afneemt in kracht, autonomie of aantrekkelijkheid ook afneemt in menselijkheid. Daar verzet het leerstuk van imago Dei zich krachtig tegen. Iemand met een chronische ziekte draagt Gods beeld nog steeds. Iemand met psychische ontregeling verliest zijn mens-zijn niet. Iemand die afhankelijk wordt van zorg, tilliften, medicatie of begeleiding, wordt niet minder werkelijk persoon.
Dat is geen goedkope troostzin. Het heeft concrete gevolgen. Het bepaalt hoe je spreekt tegen zieken, hoe je schrijft over ouderdom, hoe je beleid maakt, hoe je medische zorg inricht en hoe je omgaat met mensen die maatschappelijk weinig aanzien hebben.
Ook stervenden moeten niet worden gezien als lege hulzen die hun betekenis reeds verloren hebben. Juist aan het bed van de zwakke mens blijkt of wij werkelijk geloven dat menselijke waardigheid ontvangen is en niet verdiend hoeft te worden.
Ouderdom is geen defect, al is zij wel getekend door de val
De Schrift romantiseert ouderdom niet. Zij kent aftakeling, verlies, moeheid, pijn en sterfelijkheid. De val heeft ook het lichaam geraakt. Toch maakt dat ouderdom nog niet tot iets schandelijks of zinloos. Een oude mens is niet een mislukte jonge mens. Hij is een mens in een andere fase van zijn bestaan, nog steeds drager van Gods beeld.
Daarom is het tekenend voor een samenleving wanneer zij haar ouderen vooral als kostenpost, zorgprobleem of logistieke last begint te zien. Dan is er meer aan de hand dan efficiëntiedenken. Dan is het mensbeeld zelf aan het verschuiven.
Ook arbeid krijgt hierdoor een ander gewicht
Omdat de mens beeld van God is, is arbeid meer dan broodwinning. Zij hoort bij roeping. Dat geldt niet alleen voor zogenaamd hoog werk, maar ook voor het eenvoudige, repetitieve, verborgen en vaak onopgemerkte werk. Schoonmaken, verzorgen, bouwen, onderwijzen, schrijven, herstellen, koken, plannen, dragen, waken, troosten, dat alles kan staan in het licht van Gods orde.
Roeping betekent niet dat ieder mens een spectaculair levensplan moet ontdekken. Dikwijls ligt roeping juist in trouw. In volharding. In verantwoordelijkheid nemen op de plek waar God je stelt. Dat klinkt minder glanzend dan moderne zelfverwezenlijking, maar het is steviger.
Tegelijk bewaart imago Dei je ervoor om arbeid te vergoddelijken. Je bent niet wat je presteert. Je waarde hangt niet af van je cv, je omzet, je bereik of je maatschappelijke succes. Dat is bevrijdend, juist voor mensen die zichzelf voortdurend langs die meetlat leggen.
De ander is nooit een gebruiksvoorwerp
Misschien is dit wel een van de meest directe morele consequenties. Als de mens beeld van God is, kun je de ander nooit rechtmatig reduceren tot middel. Niet tot lustobject. Niet tot stemvee. Niet tot arbeidskracht. Niet tot therapeutisch instrument. Niet tot online mikpunt. Niet tot hinderlijke last. Niets van dat alles.
Dat raakt aan vrijwel alles: pornografie, uitbuiting, haatspraak, manipulatie, pesten, economische misbruikstructuren, raciale minachting, abortus, euthanasiedruk, mensenhandel, ideologische ontmenselijking. Al deze dingen hebben gemeen dat de ander niet meer als mens voor Gods aangezicht wordt gezien, maar als object binnen mijn verlangen, mijn planning of mijn agenda.
Daarom is naastenliefde in de Bijbel ook niet slechts vriendelijkheid. Zij begint bij erkenning. De ander staat niet tot jouw beschikking. Hij is van God.
Waarom ook waarheid en moraal hieraan vastzitten
Imago Dei heeft niet alleen sociale, maar ook morele en epistemologische betekenis. Epistemologie is de leer van de kennis. Dat is een lastig woord, maar het punt is eenvoudig in een zin te vatten: als de mens beeld van God is, dan is hij gemaakt om waarheid te kennen in afhankelijkheid van God. Dat betekent dat waarheid niet door de mens wordt uitgevonden, maar ontvangen.
Daarom is ook moraal geen menselijke afspraak die vandaag zo luidt en morgen anders. Goed en kwaad liggen niet uiteindelijk in stemming, meerderheid of cultuurtrend besloten. Zij hebben hun grond in Gods karakter en wil. De mens is als beeld van God geroepen om die orde te erkennen en (dus) niet om deze te herschrijven.
Dat maakt het moderne autonomie-ideaal zo riskant. Autonomie klinkt als volwassen vrijheid, maar mondt dikwijls uit in een mens die zelf rechter, normgever en identiteitsschepper wil zijn. Juist daar zie je de oude zonde opnieuw opduiken: zelf bepalen wat goed en kwaad is.
Ook je zelfbeeld wordt hierdoor gecorrigeerd
Voor veel mensen is identiteit een vermoeiend project geworden. Je moet jezelf leren kennen, jezelf accepteren, jezelf worden, jezelf neerzetten, jezelf onderscheiden, jezelf bewaken, jezelf uitvinden. Dat klinkt energiek, maar het put ook uit. Want wat als dat zelf wankel is? Wat als je gevoel wisselt, je lichaam tegenwerkt, je relaties breken of je prestaties wegvallen?
Imago Dei geeft een ander vertrekpunt. Je bent niet eerst van jezelf en daarna eventueel van God. Je bent van meet af aan schepsel. Ontvangen. Gemaakt. Gewild. Aanspreekbaar. Dat is tegelijk vernederend en troostrijk. Vernederend, omdat jij jezelf niet als bron hebt. Troostrijk, omdat jouw waarde dus ook niet uit jouw binnenste hoeft te worden opgepompt.
Voor een gelovige wordt dat nog rijker in Christus. Dan rust identiteit niet in zelfgevoel, maar in genade. Niet in zelfconstructie, maar in herschepping.
Waarom dit ook gevolgen heeft voor hoe je spreekt
Wie gelooft dat de mens beeld van God is, kan niet achteloos met woorden omgaan. Jakobus verbindt dat expliciet aan de tong in Jakobus 3:9, waar staat:
“Daarmee loven wij God en de Vader, en daarmee vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.”
Daarmee raakt hij aan een principiële zaak. Het gaat over spot, laster, sarcasme, online vergiftiging en de kille gewoonte om mensen talig te vernederen.
Dat betekent niet dat je nooit scherp mag zijn. De Bijbel kent scherpe taal. Zeker. Maar ook scherpe taal moet onder Gods norm staan. Zij mag waar zijn, noodzakelijk en gericht op recht, niet op ontmenselijking uit wellust of minachting.
📌 Voorbeeld
Je kunt dwaling benoemen zonder een mens tot afval te verklaren. Je kunt zonde veroordelen zonder de zondaar buiten de categorie mens te duwen. Juist dat onderscheid bewaart zowel de ernst als de menselijkheid.
Imago Dei bewaart je voor twee afgronden
Dit leerstuk beschermt tegen twee tegengestelde ontsporingen. Aan de ene kant tegen verafgoding van de mens. Dan wordt de mens maat van alle dingen, autonoom, zelfscheppend en onaantastbaar. Aan de andere kant tegen ontmenselijking. Dan wordt de mens gereduceerd tot dier, machine, economisch onderdeel of chemisch proces.
De Bijbel kiest geen middenweg uit gemakzucht, doch een hogere lijn. De mens is niet goddelijk. Hij is schepsel. Maar hij is ook niet gering of inwisselbaar. Hij draagt Gods beeld. Juist die combinatie geeft spanning, ernst en schoonheid aan het mens-zijn.
🪝Denkhaakje
Wie de mens losmaakt van God, houdt vaak nog een tijdlang woorden over als waardigheid, rechten en menselijkheid. Maar allengs raken die woorden los van hun wortel. Dan blijven er idealen over, maar geen fundament.
Tussenstand
Je kunt dit slothoofdstuk zo samenvatten: imago Dei verandert hoe je kijkt naar menselijke waarde, het lichaam, seksualiteit, zwakte, ouderdom, arbeid, waarheid en je omgang met de ander. De mens is geen toevalsproduct en ook geen zelfgemaakt project, maar een schepsel van God met ontvangen waardigheid en verantwoordelijkheid. Daarom mag niemand worden gereduceerd tot nut, prestatie of verlangen.
Slot
De leer van het beeld van God is beslist geen randzaak, maar raakt de kern van wat een mens is. Zij bewaart je ervoor de mens te verheffen tot kleine god of te verlagen tot biologisch toeval. De mens is hoog geschapen, diep gevallen en daarom zowel waardig als schuldig. Juist daarin wordt ook duidelijk waarom Christus onmisbaar is. Alleen in Hem zie je het volmaakte Beeld van God en alleen door Hem wordt de mens vernieuwd tot ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Wie dit verstaat, kijkt anders naar zichzelf, naar de ander, naar het lichaam, naar zwakte, naar schuld en naar genade. Dan wordt menselijke waardigheid geen losse slogan meer, maar een waarheid met wortels in Gods schepping en met herstel in Gods Zoon.
Mensbeeld, waardigheid en christelijke ethiek
De leer van de imago Dei staat niet op zichzelf. Dat de mens naar Gods beeld geschapen is, raakt rechtstreeks aan vragen over menselijke waardigheid, verantwoordelijkheid, identiteit, leven en samenleving. Onderstaande artikelen werken deze lijnen verder uit, van Genesis en het Bijbelse mensbeeld tot concrete ethische vraagstukken.
Ethiek en samenleving
Bekijk het bredere dossier over Bijbelse ethiek, menselijke waardigheid en maatschappelijke vraagstukken. Hier komen de grondlijnen van de Schrift samen met concrete vragen over mens, leven, recht en samenleving.
De mens als schepsel
Genesis legt het fundament. De mens heeft zichzelf niet voortgebracht en bepaalt derhalve ook niet autonoom wat mens-zijn uiteindelijk betekent.
Genesis uitgelegd: schepping, zondeval, Abraham en Jozef
Genesis 1:26-27 vormt de directe Bijbelse achtergrond van de imago Dei en plaatst de mens binnen Gods goede scheppingsorde.
Ongeneeslijk religieus: waarom de mens God niet van zich kan afschudden
Over de mens als schepsel dat coram Deo leeft: voor Gods aangezicht, met waardigheid, kennis en morele verantwoordelijkheid.
‘Jezelf zijn’ ontmaskerd: Bijbels antwoord op een seculiere leus
Het Bijbelse mensbeeld botst met de moderne gedachte dat identiteit hoofdzakelijk uit gevoelens, verlangens en zelfdefinitie voortkomt.
Menselijke waardigheid heeft een fundament
Dat ieder mens waarde bezit, klinkt voor velen vanzelfsprekend. De moeilijker vraag luidt waarom die waardigheid werkelijk onaantastbaar zou zijn wanneer zij niet in God en Zijn scheppingswerk is verankerd.
Nederland als afgesneden-bloem-beschaving: vrijheden zonder wortel
Een beschouwing over mensenrechten, menselijke waardigheid en morele idealen die in een seculiere cultuur allengs van hun christelijke wortels worden losgemaakt.
Waarom alleen de Drie-enige God het fundament is voor waarheid, moraal en logica
Waarom objectieve moraal en blijvende menselijke waardigheid uiteindelijk niet op menselijke consensus, maar op Gods wezen rusten.
Martyn Lloyd-Jones over de moderne mens: autonomie, zonde en de noodzaak van Christus
Over de spanning tussen menselijke autonomie en de Bijbelse werkelijkheid waarin de mens schepsel, zondaar en verantwoordelijk wezen is.
Van mensbeeld naar ethiek
De imago Dei is geen abstract dogmatisch curiosum. Zij heeft gevolgen voor de wijze waarop wij spreken over het ongeboren leven, vreemdelingen, schuldige mensen en ieder ander die gemakkelijk tot probleem, categorie of middel wordt gereduceerd.
Argumenten voor abortus ontkracht
De waarde van menselijk leven wordt niet bepaald door ontwikkelingsfase, zelfstandigheid, bewustzijn of maatschappelijk nut.
Migratie, naastenliefde en de taak van de overheid
Een toepassing van het Bijbelse mensbeeld op migratie: de vreemdeling is geen statistiek of beleidsobject, maar blijft een mens voor Gods aangezicht.
Als God liefde is, hoe kan er dan een hel zijn?
De mens als beeld van God bezit niet alleen waardigheid, maar tevens verantwoordelijkheid. Juist daarin worden oordeel, schuld en Gods recht verstaanbaar.
De rode draad: de Bijbel begint niet bij de vraag wat een mens van zichzelf vindt, maar bij de vraag Wie hem geschapen heeft. Vanuit die oorsprong worden waardigheid, identiteit, verantwoordelijkheid en ethiek begrijpelijk.
Disclaimer, bronnen en reacties
Disclaimer
Dit artikel biedt algemene informatie over de imago Dei, de Bijbelse leer dat de mens naar het beeld van God is geschapen. Het bespreekt daarbij Bijbelteksten, theologische uitleg en verschillende aspecten van de christelijke mensleer. De tekst is bedoeld voor studie, bezinning en geloofsverdieping en pretendeert niet iedere historische of hedendaagse opvatting over het beeld van God uitvoerig te behandelen.
Bij de uitleg is de Bijbel het uitgangspunt. De geraadpleegde theologische literatuur helpt om begrippen, historische interpretaties en dogmatische verbanden te verduidelijken, maar heeft niet hetzelfde gezag als de Schrift zelf. Waar christelijke auteurs onderling verschillen over de precieze reikwijdte van het begrip beeld van God, behoort hun uitleg derhalve steeds aan de Bijbelse tekst, de context en de samenhang van de Schrift te worden getoetst.
Geraadpleegde bronnen
Voor dit artikel zijn onderstaande bronnen geraadpleegd. De lijst staat in alfabetische volgorde. Bij geraadpleegde boeken is overeenkomstig het bronnenbeleid geen commerciële verkooplink opgenomen.
- Bavinck, H. (2004). Reformed dogmatics: Vol. 2. God and creation. Baker Academic.
- Bavinck, H. (2006). Reformed dogmatics: Vol. 3. Sin and salvation in Christ. Baker Academic.
- Berkhof, L. (1996). Systematic theology. Wm. B. Eerdmans Publishing Co.
- BibleProject. (z.d.). Image of God . BibleProject. Geraadpleegd op 17 maart 2026.
- Calvin, J. (1960). Institutes of the Christian religion (J. T. McNeill, Ed.; F. L. Battles, Trans.). Westminster Press.
- Cortez, M. (2010). Theological anthropology: A guide for the perplexed. T&T Clark.
- Frame, J. M. (2002). The doctrine of God. P&R Publishing.
- Hoekema, A. A. (1986). Created in God’s image. Wm. B. Eerdmans Publishing Co.
- Kilner, J. F. (2015). Dignity and destiny: Humanity in the image of God. Wm. B. Eerdmans Publishing Co.
- Middleton, J. R. (2005). The liberating image: The imago Dei in Genesis 1. Brazos Press.
Reacties en ervaringen
Heb je vragen of gedachten over de imago Dei, de menselijke waardigheid, de gevolgen van de zondeval voor het beeld van God of de vernieuwing van de mens in Christus? Je reactie is welkom. Ook ervaringen met onderwijs, prediking of gesprekken waarin het begrip ‘beeld van God’ een belangrijke rol speelde, kunnen waardevol zijn.
Reacties van lezers kunnen andere bezoekers aan het denken zetten, maar vormen op zichzelf geen maatstaf voor de uitleg van de Schrift. Beweringen over wat de Bijbel leert, behoren steeds aan de Bijbel zelf te worden getoetst. Vermeld in een reactie geen onnodige persoonsgegevens van jezelf of anderen. Reacties kunnen vóór publicatie worden gecontroleerd op spam, privacygevoelige gegevens, ongefundeerde beschuldigingen en onnodig grievende inhoud.
Drie artikelen uit dezelfde hoofdrubriek, wekelijks opnieuw geselecteerd.
De discussie over vrouwelijke predikanten draait gemakkelijk uit op slogans, persoonlijke ervaringen en botsende kerkelijke tradities, maar daarmee…
Lees het artikel
Op Forum Freethinker wordt de gedachte geopperd dat een alwetende God niet teleurgesteld kan zijn over Zijn schepping,…
Lees het artikel
Wie de Schrift leest met het hart van een gelovige, zal ontdekken dat Gods geboden niet slechts geestelijk…
Lees het artikel
