Abraham is de eerste van de aartsvaders (patriarchen) van de Hebreeuwse natie. Zijn verhaal staat opgetekend in de hoofdstukken 12 tot en met 25 van het eerste Bijbelboek Genesis. Abram en Sarai, zoals ze oorspronkelijk werden genoemd, werden door God geroepen om hun huis in de stad Ur, een stad in Sumer, in het zuidelijk deel van Mesopotamië (hedendaags zuidoost Irak),  te verlaten en naar een nieuw huis in het westen te gaan, in het land Kanaän. Ze zouden zich hier vestigen en de voorouders worden van een grote natie. God beloofde hen dat hun familie zo ontelbaar zal worden als de sterren aan de hemel, en zo ontelbaar als het zand op het strand (Genesis 22:17). Deze belofte leek vele, vele jaren een onmogelijke droom, omdat het paar kinderloos was.  Tot op hun oude dag waren de twee echtelieden kinderloos. God schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, Isaak. Isaak is gebaseerd op ‘sahaq’ , wat ‘lachen’ betekent. Toen Isaaks moeder Sarah hoorde dat ze op haar hoge leeftijd nog een kind ging krijgen, moest zij namelijk lachen. 

Aartsvader Abraham
Aartsvader Abraham / Bron: Wikimedia Commons

Wat is een aartsvader?

Aartsvaders of patriarchen zijn de oervaders van het volk Israel: Abraham (zie hieronder), Isaak en Jakob. Zij, die geroepen werden en de belofte van een zegen (Gen. 12:3) en een nageslacht zo talrijk als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee (Gen. 12:2; 22:17). Het woord komt overigens alleen in de B’rit hadashah (Nieuwe Testament) voor. Naast Abraham (Hebreeën 7:4), worden alleen de 12 zonen van Jakob (handelingen 7:8 ev) en David (Handelingen 2:29) zo genoemd.

Aartsvader Abraham werd door God geroepen

Aartsvader Abraham was een nomadensjeik die door God werd geroepen. Abram, zo als hij toen nog heette, moest zijn land, stam en familie verlaten en naar het land gaan dat God hem zou wijzen. Hij trok uit Ur weg en via Haran kwam hij in het door God beloofde land Kanaän aan. God beloofde Abraham dat zijn nageslacht een groot volk zou worden; in een vruchtbaar land zal wonen (de landbelofte); gezegend zal zijn; en een zegen zal zijn voor alle volken op aarde (Genesis 12:1-3).

Onvoorwaardelijk en eeuwigdurend verbond

Verbond tussen God en Abraham (Beriet-Avraham)

God sloot met Abraham een onvoorwaardelijk en eeuwigdurend verbond. Dit in tegenstelling tot een voorwaardelijk verbond zoals in Exodus 19:5, die een ‘als-dan’ formulering heeft. Een onvoorwaardelijk verbond heeft een ‘Ik zal’ formulering, waarbij ‘ik’ verwijst naar God. Deze treffen we aan in Genesis 17:1-8:

1 Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Leef in verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven. 2 Ik wil met jou een verbond aangaan en ik zal je veel, heel veel nakomelingen geven.’ 3 Abram boog zich diep neer en God sprak: 4 ‘Ik doe jou deze belofte: je zult de stamvader worden van een menigte volken. 5 Je zult voortaan niet meer Abram heten maar Abraham, want ik maak je de vader van vele volken. 6 Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken. Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn. 7 Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen. 8 Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en ik zal hun God zijn.’

Het verbond tussen God en Abraham wordt ook wel het Beriet-Avraham (soms ook Berieth-Avraham) genoemd.

Besnijdenis (Beriet Hammielàh)

De besnijdenis is een teken van dat verbond, zoals te lezen in Genesis 9:9-14:

9 Ook zei God tegen Abraham: ‘Jij moet je houden aan dit verbond met mij, evenals je nakomelingen, generatie na generatie. 10 Dit is de verplichting die jullie op je moeten nemen: alle mannen en jongens moeten worden besneden. 11 Jullie moeten je voorhuid laten verwijderen; dat zal het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie. 12 In elke generatie opnieuw moet iedereen van het mannelijk geslacht besneden worden wanneer hij acht dagen oud is. Dit geldt niet alleen voor wie tot je eigen volk behoort maar ook voor jullie slaven, of ze nu bij jullie geboren zijn of van vreemdelingen zijn gekocht; 13 iedereen die bij jullie geboren is of door jullie is gekocht, moet worden besneden. Zo zal dit verbond met mij voorgoed zichtbaar zijn aan jullie lichaam. 14 Een onbesnedene, een mannelijk persoon van wie de voorhuid niet verwijderd is, moet uit de gemeenschap gestoten worden, omdat hij het verbond verbroken heeft.’

Dit verbondsteken of het verbond der besnijdenis, wordt de Beriet Hammielàh (soms ook Berieth Hammielah) of Beriet Mielah genoemd. Het is niet duidelijk waarom nu het wegsnijden van een deel van de voorhuid van de penis een onderdeel wordt van het verbond, doch opvallend is het hygiënische nut ervan.

Dit plechtige verbond is de basis voor de Joodse identiteit en voor het Joodse volk, ofschoon niet iedereen die van Abraham afstamt tot het volk Israël behoort. Via Abrahams zoon, aartsvader Isaak, diens zoon Jakob en zijn twaalf zonen – ofwel de twaalf stammen van Israël – werd de belofte overgedragen (Genesis 17; 26:3; 28:4; lees ook Romeinen 9:6-8). De Bijbelse definitie van wie een Jood is luidt derhalve als volgt: ‘een persoon die een biologische afstammeling is van één van de twaalf zonen van Jacob’.

Cornelis van Poelenburch - Landschap met Abraham en Isaac
Cornelis van Poelenburch – Landschap met Abraham en Isaac / Bron: Wikimedia Commons

Geloofsdaad

Het verbond met Abraham vergde een geloofsdaad van Abraham: Gaan waarheen God hem zou leiden, het beloofde land. Abraham handelde in geloof en deed wat er van hem gevraagd werd. Apostel Paulus haalt deze geloofshouding van Abraham aan in Romeinen 4:1-3:

1 Wat moeten wij nu zeggen over onze stamvader Abraham? 2 Indien hij als een rechtvaardige zou zijn aangenomen op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan. Maar niet tegenover God, 3 want wat zegt de Schrift? ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.’

Paulus illustreert hiermee dat geloof betekent dat je gelooft wat God zegt Je vertrouwt er op dat God doet wat Hij zegt, je gelooft God op Zijn woord. Zo mogen wij geloven ‘dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat’ (1 Korintiërs 15;3). We worden gerechtvaardigd op grond van ons geloof en niet op grond van onze daden.

Last Updated on 24 december 2021 by M.G. Sulman

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *