Psalm 58 en het gebed om recht: Hamas, geweld en de heiligheid van Gods oordeel

Last Updated on 8 oktober 2025 by M.G. Sulman

Er zijn psalmen die men niet zingt, maar uitroept. Psalm 58 behoort tot die categorie: geen meditatieve bezinning, maar een profetisch protest. Het is de stem van de rechtvaardige die zich vastklampt aan Gods oordeel, omdat menselijke rechtspraak tekortschiet. Op 7 oktober 2023 voltrok zich in Israël een slachting die diepe existentiële en theologische vragen opriep. Niet alleen over kwaad en lijden, maar over gerechtigheid, verantwoordelijkheid en goddelijke interventie. Terroristen van Hamas — aangevuld door leden van andere jihadistische facties en Gazaanse burgers die zich bij de aanval voegden — vielen Israël binnen met een nietsontziende wreedheid. Psalm 58 klonk opeens niet meer als een echo uit het verleden, maar als een scherpe, actuele roep om recht: “Hoe lang nog, HEERE?”

De afbeelding toont een open boek op een houten tafel, omringd door herfstbladeren. Het boek lijkt op een Bijbel, het heilige boek van het christendom.
Psalm 58 klinkt als een gebed van toen, maar raakt het geweld van nu. / Bron: Freepik

Psalm 58 is geschreven door David, waarschijnlijk tijdens een periode van intense onrechtvaardige vervolging — mogelijk onder koning Saul of tijdens latere politieke spanningen. Het is een zogeheten imprecatorische psalm, waarin op scherpe, onverbloemde wijze Gods oordeel wordt afgesmeekt over het kwaad. Deze psalm geeft een theologisch en emotioneel diep inzicht in het bijbelse verlangen naar goddelijk recht — geen menselijke wraak, maar een roep om goddelijke gerechtigheid te midden van corruptie en onderdrukking.

Psalm 58 is schrijnend actueel in het licht van 7 oktober 2023 — de terroristische aanval van Hamas op Israël. Deze imprecatorische psalm confronteert ons met rauw onrecht en roept niet op tot menselijke wraak, maar tot overgave aan Gods rechtvaardig oordeel. Het vraagt: durven wij, te midden van geweld, rouw en woede, onze roep om gerechtigheid in Gods handen te leggen?

Auteurschap en historische context

De aanhef van Psalm 58 luidt:

“Voor de koorleider. Op de wijze van: ‘Al-taschheth’. Van David. Een miktam.”

  • David is expliciet genoemd als auteur. Hij is in de Schrift herhaaldelijk geportretteerd als iemand die zelf onrecht onderging — denk aan de jarenlange vervolging door koning Saul (1 Sam 18–26), of de politieke intriges later in zijn koningschap (zoals met Absalom).

  • “Miktam” betekent waarschijnlijk “gouden kleinood” of een diepzinnige inscriptie. De term wordt gebruikt voor zes psalmen, allemaal van David (Ps 16, 56–60), en vaak verbonden met benarde situaties.

  • “Al-taschheth” (Hebr. אַל־תַּשְׁחֵת) betekent letterlijk: “vernietig niet” of “verderf niet”, mogelijk een muzikale of liturgische aanduiding; komt ook voor in andere miktam-psalmen. Sommigen menen dat het een bekende melodie was, anderen zien er een thematische oproep in tot behoud te midden van dreiging.

De exacte historische context is niet gespecificeerd, maar de inhoud van de psalm wijst op een tijd waarin David geconfronteerd werd met corrupte leiders en wetteloos gezag, mogelijk bij:

  • de manipulatie van rechters en leiders onder Saul (1 Sam 22, waar de priesters van Nob ten onrechte werden omgebracht),

  • of tijdens de opstand van Absalom en het verraad van hoflieden (2 Sam 15–18).

Genre: Imprecatorische psalm

Psalm 58 is een typisch voorbeeld van een imprecatorische psalm oftwel vloekpsalm — psalmen waarin de dichter expliciet Gods oordeel inroept over de goddelozen. Enkele kenmerken:

  • Vers 6–11 bevat krachtige beeldspraak: tanden die uitgerukt worden, smeltend als slakken, pijlen die afketsen — alles met het doel de macht van het kwaad als tijdelijk en breekbaar neer te zetten.

  • Deze uitroepen zijn geen persoonlijke wraakacties, maar liturgisch en theologisch gedragen verlangens naar goddelijk recht.

Het woord “imprecatorisch” komt van het Latijnse werkwoord imprecari, dat betekent: “een vloek afroepen” of “iemand iets toewensen (meestal onheil)”.

Het zelfstandig naamwoord imprecatio betekent letterlijk “vloek” of “vervloeking”. In de context van de psalmen verwijst het niet naar tovenarij of bijgeloof, maar naar liturgische gebeden waarin het kwaad wordt aangeroepen tot oordeel door God — dus een gebed om recht, niet een magische vervloeking.

In de kerkgeschiedenis is het woord gebruikt om die psalmen aan te duiden waarin zulke oordeelsverzoeken expliciet voorkomen (zoals Psalm 58, 69, 109).

Relevantie vandaag — Verbonden met 7 oktober 2023

De aanval van Hamas op Israël op 7 oktober 2023, waarbij burgers op gruwelijke wijze zijn vermoord, gegijzeld of verminkt, is een van de meest schokkende gebeurtenissen van deze generatie. Zulke gebeurtenissen brengen Psalm 58 uit de sfeer van oude poëzie naar het hart van onze actuele worsteling met kwaad en gerechtigheid.

“Durven wij ons verlangen naar gerechtigheid in Gods handen te leggen?”

Dat is de centrale vraag die Psalm 58 stelt — en die op 7 oktober 2023 met scherpe urgentie klonk. Deze psalm:

  • verdoezelt het kwaad niet: de beschrijving van de goddelozen als “van de moederschoot af afgedwaald” (vers 4) en als gifdragende slangen (vers 5) erkent de realiteit van radicaal kwaad;

  • roept om recht, niet wraak: het gebed om tanden die worden uitgerukt (vers 7) is geen persoonlijke vendetta, maar een roep dat het moorden en misleiden ophoudt;

  • vertrouwt op Gods oordeel: zoals Paulus zegt in Rom 12:19: “Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.”

Dit vraagt een geloof dat realistisch is over het kwaad, maar niet cynisch wordt; dat het oordeel niet in eigen hand neemt, maar aan de Rechter van de hele aarde overlaat (Gen 18:25).

Waarom dit belangrijk is voor de kerk vandaag

In een wereld van oorlog, antisemitisme, terrorisme én politieke hypocrisie:

  • roept Psalm 58 gelovigen op tot gebed met open ogen: geen geestelijke onverschilligheid, maar doordrenkt van heilige verontwaardiging;

  • helpt het ons om emotioneel eerlijk te bidden: er is ruimte in de Schrift voor rouw, woede en het uitroepen van onmacht;

  • herinnert het ons eraan dat de uiteindelijke strijd tussen recht en kwaad niet door mensenhanden gewonnen wordt, maar door Gods oordeel aan het einde der tijden (Openb 6:10; 19:11–21).

In het licht van 7 oktober kunnen we Psalm 58 bidden met gebroken hart, maar ook met geloof dat God ziet, oordeelt en uiteindelijk zal rechtzetten wat mensen verwoesten.

Een met bloed doordrenkt kinderbed in kibboets Kfar Aza, te zien op een foto gedeeld door premier Benjamin Netanyahu op 11 oktober 2023 in de nasleep van de Hamas-aanval op Israël op 7 oktober.
Een met bloed doordrenkt kinderbed in kibboets Kfar Aza, te zien op een foto gedeeld door premier Benjamin Netanyahu op 11 oktober 2023 in de nasleep van de Hamas-aanval op Israël op 7 oktober. (X/Netanyahu)

Vers 2-3: “Spreekt u werkelijk recht, machtigen?”

Spreekt u werkelijk recht, raad van rechters? Oordeelt u billijk, mensenkinderen? Veeleer bedrijft u onrecht in uw hart; uw handen wegen geweld af op de aarde.
(Psalm 58:1–2, HSV)

De psalm opent niet met lof, maar met een ferme aanklacht. Een priemende vraag die het geweten raakt: spreken jullie werkelijk recht? Het is een retorische ontmaskering; een onthulling van moreel falen bij hen die geroepen zijn tot rechtspraak. De machtigen worden hier aangeklaagd. Hun recht is schijn en hun oordelen zijn scheef.

Niet de wet van God bepaalt hun handelen, maar het geweld van hun eigen handen. Ze maken het kwaad tot methode, en het onrecht tot beleid. Wat in het hart leeft, komt tot uiting in hun daden: ongerechtigheid als innerlijke overtuiging en geweld als instrument.

In onze tijd klinkt dit schrijnend actueel. Wie vandaag kijkt naar terreurbewegingen als Hamas, ziet geen gewone bestuurders of politieke leiders, maar theocratische, moordlustige ideologen. Ze beroepen zich op de sharia, verheffen martelaarschap tot ideaal, en legitimeren bruut geweld als religieuze plicht. Ze verklaren oorlog in de Naam van hun god, in navolging van hun profeet Mohammed en onderbouwen hun daden met verzen uit de koran en hadith. Hun handelen wordt niet gestuurd door het recht zoals gegrond in de wil van de levende God — de God van Israël, de Schepper van hemel en aarde — maar door een religieus-juridisch systeem waarin geweld wordt voorgeschreven, gezegend en verheerlijkt.

De wereld zag slechts flarden. De meest gruwelijke beelden — wat het menselijk oog nauwelijks verdragen kan — werden uitsluitend getoond op de Israëlische ambassade, voor journalisten die bereid waren te kijken. De NOS bedankte voor de uitnodiging. Men vond het kennelijk niet nodig om het volle gewicht van het kwaad te aanschouwen, laat staan om hierover te berichten.

Wanneer recht verdampt en menselijke waardigheid vertrapt wordt onder het juk van religieus fanatisme, is een imprecatorische psalm geen archaïsch overblijfsel, maar een onmisbaar gebed: om Gods oordeel, om Zijn gerechtigheid, om herstel van wat mensen niet kunnen helen.

Vers 4–6: “Vervreemd vanaf de moederschoot”

“De goddelozen zijn van God vervreemd vanaf de baarmoeder; de leugenaars dwalen vanaf de moederschoot. Zij hebben vurig vergif, het lijkt op vurig slangengif; zij zijn als een dove adder, die zijn oren dichtstopt, die niet wil luisteren naar de stem van de bezweerder, van hem die kundig bezweringen doet.”
(Psalm 58:4–6, HSV)

Wat de psalmist hier schildert, is geen sporadische misstap of karakterfout, maar een diepe existentiële vervreemding. “Van God vervreemd vanaf de baarmoeder”, aldus de psalmist. Het is een aangrijpend oordeel over de menselijke natuur. De mens wordt niet onschuldig geboren en vervolgens verleid; hij komt ter wereld als een zondaar, als een wezen dat de waarheid instinctief mijdt. Deze leer, die in de gereformeerde traditie bekendstaat als corruptio totalis (totale verdorvenheid), betekent niet dat de mens zo slecht is als hij maar kan zijn, maar dat elk deel van zijn wezen — verstand, wil, affectie — is aangetast door de zonde.

De psalmist beschrijft deze natuur in beelden die scherp en onontkoombaar zijn. De mens is als een slang: zijn woorden zijn vergif, zijn invloed is destructief. Het is geen gewone misleiding, maar vurig slangengif; vernietigend en doelgericht. En dan volgt het meest verontrustende beeld: de dove adder die zijn oren dichtstopt. Het is niet slechts een biologische beperking, maar een morele houding: hij wil niet luisteren. Zelfs wanneer de stem van de bezweerder klinkt — iemand die van oudsher wijsheid, kennis of zelfs goddelijke raad vertegenwoordigt — keert hij zich af. De verharding is niet passief, maar actief.

Dit beeld is aangrijpend herkenbaar in onze tijd. Wie de gruwelen van 7 oktober 2023 onder ogen ziet — de moord op onschuldigen, het vieren van sadisme, het opvoeren van marteling als martelaarschap — ziet hier geen gewone zondaar, maar een geestelijk dove mens. Niet omdat hij de waarheid nooit gehoord heeft, maar omdat hij zich er willens en wetens voor afsluit. De Schrift noemt dat een geweten “als met een brandijzer toegeschroeid” (1 Tim. 4:2).

Het kwaad wordt dan niet slechts begaan, maar gekoesterd. Leugen wordt evangelie, haat wordt recht en religie wordt geweld. En Psalm 58 leert ons dat dit de tragische uiting is van een mens die — zonder Gods genade — in staat is tot alles, maar geneigd tot niets goeds.

Vers 7–9: “Breek hun tanden, o God”

“O God, breek hun tanden in hun mond; breek de hoektanden van de jonge leeuwen stuk, HEERE. Laat hen smelten als water, laat hen wegdrijven; legt hij zijn pijlen aan, laat ze zijn alsof ze afgebroken zijn. Laten zij vergaan als een smeltende slak; laat hen, als de misgeboorte van een vrouw, de zon niet zien.”
(Psalm 58:7–9, HSV)

De psalmist bidt niet om persoonlijke wraak, maar om de structurele ontmanteling van het kwaad. Het gebed is gericht tot God, de hoogste Rechter. De tanden symboliseren macht en schadevermogen: ze staan voor het vermogen om te bijten, te verslinden, te vernietigen. Wanneer David bidt: “breek hun tanden in hun mond”, vraagt hij niet om bloedige vergelding, maar om het onschadelijk maken van datgene wat anderen verwondt. Het kwaad moet zijn kracht verliezen vóór het toeslaat.

De beeldspraak ontwikkelt zich verder: jonge leeuwen met hoektanden verwijzen naar ongebreidelde kracht, jeugdige overmoed, roofzuchtige agressie. Hun tanden — het instrument van hun macht — moeten worden gebroken. Het is een gebed om ontwapening: zoals een rechter het mes afpakt van een overvaller, of een militair bevel neutraliseert voordat het uitgevoerd kan worden.

De metaforen die volgen — smeltend water, afgebroken pijlen, de misgeboorte die het licht niet ziet — zijn geen wrede fantasieën, maar literaire strategieën om Gods oordeel zichtbaar te maken: laat het kwaad geen vat krijgen op de wereld. Het gebed zegt: laat het kwaad zich zelf tenietdoen, verstrooid worden voordat het effect heeft. De slak die oplost, de pijl die zijn doel mist, het ongeboren kind dat het daglicht nooit ziet, zijn stuk voor stuk beelden van vergeefsheid: het kwaad moet verdampen, het mag geen toekomst hebben.

In een wereld waar religieus geweld de gestalte aanneemt van terreur, ideologisch fanatisme en demonisch wreed handelen, is het gebed van Psalm 58 niet achterhaald, maar pijnlijk actueel. Niet omdat wij onze vijanden willen vernietigen. Integendeel, onze Heere Jezus gebiedt: “Bid voor wie u vervolgen” (Matt. 5:44). Maar juist door te bidden, erkennen wij dat er machten zijn die alleen God Zelf kan breken (vgl. Ps. 2; Ef. 6:12). Tegen kwaad dat systematisch en doelbewust onschuldigen verslindt, bieden psychologische analyses en diplomatieke formules geen soelaas.

Neem bijvoorbeeld de situatie van talloze gelovigen in Noord-Nigeria. Christelijke dorpen worden daar herhaaldelijk overvallen door jihadistische milities zoals Boko Haram of ISWAP; kerken worden verbrand, predikanten onthoofd, gezinnen uitgeroeid. Dit gebeurt enkel en alleen omdat zij de Naam van Christus belijden. In zulke omstandigheden bidt de Kerk, met David:

“HEERE, verbreek hun tanden in hun mond; breek, HEERE, het gebit van de jonge leeuwen stuk” (Ps. 58:7).

Dit is geen oproep tot wraak, maar een uitdrukking van geloof: een smeekbede dat God recht zal doen waar mensen dat niet kunnen of willen. Want, zoals de Schrift zegt:

“Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere” (Rom. 12:19).

Vers 10–11: “De rechtvaardige zal zich verblijden…”

“Voordat uw kookpotten de doornstruik voelen, zal Hij hen als in brandende toorn levend wegvagen. De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak ziet; hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.”
(Psalm 58:10–11, HSV)

Deze verzen behoren tot de meest aangrijpende in het hele psalter. De psalmist maakt onomwonden duidelijk dat Gods oordeel traag noch onzeker is. Voordat uw kookpotten de doornstruik voelen — dat wil zeggen: nog vóór het vuur zelfs maar de kans krijgt om te ontvlammen — is Zijn oordeel al voltrokken. De tijd tussen goddeloosheid en vergelding is korter dan de mens vermoedt. Gods toorn is niet grillig of ongericht, maar de heilige en rechtvaardige reactie van de Rechter op moedwillige rebellie tegen Zijn orde.

Dan komt de zin die menig lezer doet huiveren: de rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak ziet; hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze. Wie dit leest met een moderne, humanistische bril, hoort wraakzucht. Maar wie leest binnen de context van het Oude Testament, ziet iets diepers: een bevestiging van het morele universum. De rechtvaardige verheugt zich niet in het leed, maar in het feit dát er recht geschiedt. Gerechtigheid is niet iets neutraals, maar iets waarin men zich mag verheugen, omdat het de wereld herstelt en het kwaad beëindigt.

De beeldspraak van de voeten wassen in het bloed moet dan ook gelezen worden binnen de culturele en literaire context van het Oude Nabije Oosten. Het is een symbool van overwinning, niet van persoonlijke wraak. Zoals in Psalm 110:1 de vijand onder de voeten gelegd wordt, of in Genesis 3:15 de slang vermorzeld wordt onder de hiel, zo beeldt dit vers het moment uit waarop de goddelozen hun macht verliezen en de rechtvaardigen niet langer worden verdrukt. Het kwaad is dan niet slechts verslagen, maar definitief geoordeeld.

Dit vers is ook een troostverklaring. In een wereld waar daders vaak zegevieren, slachtoffers worden vergeten en rechtspraak verdampt in diplomatie en politieke spelletjes, spreekt Psalm 58 een ongepolijste, maar troostvolle waarheid: God ziet. En Hij zal oordelen; niet symbolisch, doch werkelijk. In die wetenschap mag de rechtvaardige zich verblijden.

Vers 12: “Er is een God Die recht doet”

“De mens zal zeggen: Ja, er is loon voor de rechtvaardige! Ja, er is een God Die op de aarde recht doet!”
(Psalm 58:12, HSV)

Deze slotzin vormt de apotheose van de psalm. Na verontwaardiging, aanklacht en het gebed om oordeel, eindigt de dichter niet in wrok, maar in bevestiging: Er is een God…. De slotverklaring is existentieel geladen en allesbehalve abstract. Juist te midden van onrecht, geweld en goddeloosheid klinkt de belijdenis: God handelt. Niet in een verre hemel, maar op de aarde. Niet pas later, maar ook nu. Zijn recht is geen uitgesteld ideaal, maar een reële tegenmacht die zichtbaar, tastbaar en onontkoombaar is.

De zin “Er is loon voor de rechtvaardige” klinkt wellicht vreemd in moderne oren. Maar in de context van de Schrift betekent loon niet automatisch beloning in wereldse zin, maar bevestiging: de rechtvaardige leeft niet tevergeefs. Zijn trouw, zijn lijden, zijn gebed worden gezien. God laat zich niet bespotten (Gal. 6:7). Het kwaad heeft niet het laatste woord.

In tijden waarin onrecht onbeschaamd de ruimte krijgt, terroristen hun daden verhullen onder religieuze taal, en slachtoffers soms zelfs zonder naam of graf verdwijnen, is deze tekst geen vroom gebeuzel, maar een ankerpunt. Psalm 58 eindigt daar waar elk geloof uiteindelijk thuiskomt: in het vertrouwen dat God recht zal doen. Niet omdat wij dat kunnen afdwingen, maar omdat Hij rechtvaardig en heilig is.

Reflectie: De imprecatorische psalm als moreel anker

Psalm 58 behoort tot die gedeelten in de Schrift die men niet zomaar leest, maar ondergaat. Het is geen literaire bloemlezing voor de vrome ziel op een zonnige ochtend. Het is de rauwe adem van een wereld die bloedt. De imprecatorische psalm — dat wil zeggen: een psalm die bidt om oordeel — herinnert ons eraan dat er situaties bestaan waarin bidden om vrede haast blasfemisch zou zijn, omdat vrede zonder recht slechts verlengde onrechtvaardigheid is.

We leven in een tijd die het morele onderscheid vervaagt. Kwaad is vaak slechts ‘complex’, schuld is ‘gedeeld’, daderschap een kwestie van context. Maar Psalm 58 stelt zich daar vierkant tegenover. Deze psalm vraagt niet of de vijand misschien een moeilijke jeugd had. Hij vraagt of God wil oordelen. Niet omdat de bidder zelf rechtvaardig is, maar omdat hij gelooft dat God dat is.

Dat wringt met de gevoeligheden van het moderne geweten. Men wil een God die vergeeft, maar niet oordeelt. Een God die liefheeft, maar niet haat wat Zijn schepping vernietigt. De imprecatorische psalm doorbreekt dat wensbeeld. Hij laat zien dat het kwaad reëel is, dat het slachtoffers maakt, en dat er dus geoordeeld móét worden. Niet uit bloeddorst, maar uit heiligheid.

De bidder wast zijn handen niet in wraak, maar in vertrouwen. Hij draagt het onrecht over aan Degene die volmaakt ziet en zuiver weegt. Daarom zijn deze psalmen geen uitingen van primitieve wraakzucht, maar van gelovige afhankelijkheid. Ze leren de kerk niet hoe te haten, maar hoe te hopen — op een God die niet zwijgt.

Het is deze hoop die Psalm 58 tot een moreel anker maakt. In een wereld waar slachtoffers worden begraven zonder dat hun namen worden genoemd, waar daders triomferen middels religieuze retoriek en het recht gesmoord wordt in diplomatie en ‘vredesonderhandelingen’, spreekt deze psalm als een tegenstem. Niet de machtigen hebben het laatste woord. Niet de geschiedenisboekjes van de overwinnaars bepalen de waarheid. Maar de HEERE, die recht doet op aarde.

“Ja, er is loon voor de rechtvaardige! Ja, er is een God Die recht doet op aarde.”

Lees verder

Wie Psalm 58 leest als moreel anker in tijden van oorlog en terreur, vindt verdieping in enkele verwante stukken die het bredere theologische en geopolitieke kader verhelderen. In Vrede zonder recht: een kritische beschouwing van Paternotte’s verklaring over Israël en Hamas wordt onthuld hoe moderne politiek de morele orde ondergraaft. Het artikel Hamas in de Bijbel: Betekenis van ‘chamac’? laat zien hoe het begrip geweld (חָמָס) een oudtestamentische lading draagt die pijnlijk actueel is. Wie zoekt naar de profetische contouren van het conflict, leest Psalm 83: Uitleg van een verbazingwekkende profetie als een geopolitieke kaart met eschatologische diepte. In Israëls recht op Jeruzalem: geschiedenis, internationaal recht en soevereiniteit wordt de stad die David bezong herijkt als kern van goddelijke beloften én seculier dispuut. Tegelijk wordt in Waarom links en islam elkaar vinden in hun haat tegen Israël blootgelegd hoe ideologische allianties morele helderheid vertroebelen. En Geen genocide in Gaza: De cijfers, de context en de mediawerkelijkheid biedt een feitelijke tegenstem aan het dominante narratief, waar aantallen meer lijken te tellen dan waarheid.

Geraadpleegde bronnen 

  • Calvin, J. (1557/1996). Commentary on the Book of Psalms (Vol. 2). Baker Books.

  • Kidner, D. (1973). Psalms 1–72: An Introduction and Commentary. InterVarsity Press.

  • VanGemeren, W. A. (1991). The Expositor’s Bible Commentary: Psalms. Zondervan.

  • Goldingay, J. (2006). Psalms, Volume 2: Psalms 42–89. Baker Academic.

  • Waltke, B. K., & Houston, J. M. (2010). The Psalms as Christian Worship: A Historical Commentary. Eerdmans.

Reacties en ervaringen

Heeft Psalm 58 u ooit geraakt in tijden van onrecht of verdrukking? Herkent u in deze woorden een gebed dat verder reikt dan persoonlijke wraakzucht; een roep naar God om het kwaad bij de wortel te keren? Deel uw overdenkingen, vragen of worstelingen hieronder.