De beschuldiging dat Israël zich in Gaza schuldig maakt aan genocide klinkt luid, frequent en met een morele vanzelfsprekendheid die zelden meer vraagt naar bewijs. In talkshows, demonstraties en parlementen worden termen als ‘apartheid’, ‘etnische zuivering’ en ‘genocide’ moeiteloos gebruikt, vaak zonder juridische onderbouwing of kennis van context. Maar woorden zijn niet neutraal. Ze wegen. Ze vormen de werkelijkheid — of verdraaien haar. Dit artikel beoogt geen politiek pleidooi, maar een moreel en theologisch doordachte correctie. Wat zegt het internationale recht eigenlijk over genocide? Hoe verhouden de cijfers zich tot vergelijkbare conflicten? Wat is de militaire strategie van Hamas, en hoe beïnvloedt die de burgerdoden? Wat leert de Bijbel over legitiem geweld en rechtvaardige oorlog? En wat is de rol van beeldvorming, media en publieke opinie in dit alles? Met open vizier en een scherp onderscheidingsvermogen wil dit stuk de valse simplificaties doorbreken en ruimte maken voor waarheid — ongemakkelijk, weerbarstig en noodzakelijk.
Israëlische soldaten opereren in dichtbevolkt stedelijk gebied in Gaza — onder voortdurende dreiging van hinderlagen, tunnels en menselijke schilden / Bron: Martin Sulman
Het woord genocide is niet zomaar een beschuldiging — het is een morele beschuldiging in haar hoogste graad. Wie het bezigt, roept beelden op van Auschwitz, Kigali of Srebrenica. Gaswagens, machetes, massagraven. Wie dat woord dus in de mond neemt over de situatie in Gaza, mag zich ernstig rekenschap geven van wat hij beweert. Want als alles genocide is, is niets het nog.
De term is niet bedacht door activisten, maar verankerd in het volkenrecht. De Genocideconventie van 1948, opgesteld in de nasleep van de Shoah, definieert genocide als “het opzettelijk vernietigen, geheel of gedeeltelijk, van een nationale, etnische, raciale of religieuze groep, als zodanig.” Let op die laatste twee woorden: als zodanig. Het gaat dus niet om doden tijdens een conflict, maar om het doden omdat iemand tot een bepaalde groep behoort. Enkel en alleen daarom.
Dat onderscheid is cruciaal. Israël voert geen willekeurige aanvallen uit op een volk, maar gerichte militaire operaties tegen Hamas — een terroristische organisatie die in haar handvest expliciet oproept tot de vernietiging van Israël en Joden wereldwijd. Hamas opereert niet vanuit militaire bases, maar vanuit tunnels onder ziekenhuizen, scholen en woonwijken. Het vuurt duizenden raketten af op Israëlische burgers, en positioneert lanceerinstallaties naast speelplaatsen en flatgebouwen. Daarbij gebruikt het de eigen bevolking als menselijk schild, in de hoop dat Israël terugschiet en burgerslachtoffers maakt voor propagandadoeleinden. Is dat tragisch? Onmiskenbaar. Maar genocide — de doelgerichte uitroeiing van een volk als volk — is dit allerminst.
Hamas schiet raket af vanuit Gaza / Bron: Pixabay
Woorden als wapens
Wat men tegenwoordig narratief noemt, was vroeger propaganda — en soms is dat verschil semantisch. De term genocide is uitgegroeid tot een wapen op zich: een instrument om Israël niet alleen van fouten, maar van kwaadwilligheid te beschuldigen. Niet: “Er vallen burgerdoden in een oorlog tegen een terroristische groepering,” maar: “Israël wil Palestijnen uitroeien.” Dat is geen juridische analyse, maar demonisering.
En, laten we niet naïef zijn, deze beschuldiging komt niet uit de lucht vallen, maar past binnen een bredere ideologische structuur: het beeld van de westerse, koloniale onderdrukker tegenover de onderdrukte ‘inboorling’. Israël wordt daarin niet beoordeeld naar zijn handelen, maar veroordeeld op zijn bestaan. Le fait même d’exister, c’est déjà l’oppressie, zoals sommige postkoloniale denkers het samenvatten.
De bijbelse toetssteen
De Schrift is niet stil over geweld en oordeel. In de context van oorlog lezen we in Prediker 3 dat er “een tijd is om te doden, en een tijd om te helen.” Paulus schrijft in Romeinen 13 dat de overheid het zwaard niet tevergeefs draagt: zij is Gods dienares, “een wreekster tot straf over degene die kwaad doet.” Wie dus rechtmatig optreedt tegen moordenaars en terreurorganisaties, handelt niet zondig, maar vervult een plicht; hoe zwaar ook.
En laten we niet vergeten: de Bijbel kent ook het gebod tot waarheid. “Gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste,” is niet beperkt tot de rechtbank. Wie onterecht spreekt van genocide, overtreedt dit gebod op grove wijze. God haat valse aanklachten (Spr. 6:19). In die zin is de achteloze beschuldiging van genocide zélf een vorm van moreel geweld. Een ontheiliging van de taal, zo men wil.
Tussenrecht en waarheid
Desalniettemin moeten we voorzichtig zijn met het naïef verheerlijken van militaire macht. De geschiedenis is vol voorbeelden van ‘goede bedoelingen’ die ontaardden in onrecht. Dáárom bestaat het internationale recht: om niet enkel de uitkomst, maar ook de middelen te wegen. En daarin — men kan het betreuren of bewonderen — is Israël bij uitstek zelfkritisch. Het Hooggerechtshof oordeelt regelmatig tegen de eigen staat, iets wat in het gehele Midden-Oosten zeldzaam is, zo niet uniek.
Wie werkelijk om Palestijnse levens geeft, zou zijn woede moeten richten op de daders van de situatie: Hamas, dat met opzet haar bevolking in gevaar brengt, en op die manier het jus in bello systematisch schendt. Maar ja, het is kennelijk eenvoudiger om de soldaat die reageert de schuld te geven dan de terrorist die begon.
Burger-slachtofferratio’s: hoe uitzonderlijk is deze oorlog werkelijk?
Slachtoffers tellen is geen exacte wetenschap — maar het zegt wél iets
Elke burgerdode is er één te veel. Dat behoeft geen polemiek. Maar wie spreekt over oorlogsmisdaden of zelfs genocide, mag zich niet verschuilen achter sentimenten en slogans. Dan moeten er cijfers op tafel komen. Niet om de tragiek te bagatelliseren, maar om onderscheid te maken tussen opzet en onvermijdelijkheid, tussen moord en militaire noodzaak.
En wat blijkt? De verhouding tussen gedode Hamasstrijders en burgers ligt rond de 1:1,1.1Cohen, S., & Samet, Y. (2024, June 2). The genocide claim against Israel doesn’t add up: The ratio of combatant-to-civilian casualties in Gaza should be recognized as a historical achievement of protecting civilian lives. The Times of Israel. https://www.timesofisrael.com/the-genocide-claim-against-israel-doesnt-add-up/ Dat wil zeggen: op elke tien burgers komt ongeveer negen strijders. En dat in een conflictgebied met een van de hoogste bevolkingsdichtheden ter wereld, waarin de vijand zich doelbewust verschuilt onder ziekenhuizen, scholen en woonhuizen. Van alle conflicten in stedelijk gebied is dit cijfer historisch uitzonderlijk. In de meeste vergelijkbare oorlogen — van Fallujah tot Mosul, van Aleppo tot Grozny — vormen burgers vaak 70 tot zelfs 90 procent van de dodelijke slachtoffers. Gaza is in dit opzicht niet het bewijs van opzettelijk geweld tegen burgers, maar juist van opmerkelijke terughoudendheid.
Bovendien zijn lang niet alle burgerdoden toe te schrijven aan Israëlisch geweld. In Gaza sterven mensen ook door natuurlijke oorzaken, door Hamas-raketten die op eigen grondgebied neerkomen, en door executies van Palestijnen die het bevel van Hamas negeerden om in het gevechtsgebied te blijven. Het beeld van Israël als moordmachine, systematisch gericht op het uitroeien van een volk, wordt door deze nuchtere cijfers onderuitgehaald. Als men al wil spreken van een uitzonderlijke realiteit, dan is het deze: de mate waarin Israël burgers weet te vermijden in een oorlog waarin de tegenstander het onderscheid tussen burger en strijder opzettelijk uitwist, is schier ongeëvenaard (zie onder).
Vergelijk met Fallujah, Mosul en Grozny
Vergelijken is in dit geval geen afleiding, maar een noodzakelijke maatstaf. In Mosul, waar Amerikaanse en Iraakse troepen tussen 2016 en 2017 vochten tegen IS, vielen naar schatting 9.000 tot 11.000 burgerslachtoffers bij een tegenstander van ongeveer 3.000 strijders. In Fallujah (2004) werd de stad grotendeels verwoest om een kleinere opstand neer te slaan. En in Grozny, waar Rusland in 1999 de Tsjetsjeense hoofdstad met artillerie en luchtbombardementen tot puin herleidde, stierven tienduizenden burgers. Dat zijn geen historische voetnoten, maar harde referentiepunten: in bijna elke andere stedelijke oorlog ligt de burgerdodenratio aanzienlijk hoger dan in Gaza.
Tegen die achtergrond is het Israëlische optreden geen uitwas van excessief geweld, maar eerder een demonstratie van precisie, militaire zelfbeheersing en morele berekening onder extreme omstandigheden.
Precisie als paradox
Hoe komt het dan dat de beschuldiging van genocide zo breed wordt gedragen, ondanks deze cijfers? Dat is de paradox: Israël doet wat vrijwel geen ander leger doet. Het waarschuwt voorafgaand aan aanvallen, met sms’jes, pamfletten, telefoontjes en zelfs lichte explosieven als waarschuwingssignaal (de zogeheten roof knock). Het evacueert burgers, verschuift operaties als dat kan, en gebruikt precisiewapens gebaseerd op realtime-inlichtingen.
En juist dát wordt omgedraaid in de beeldvorming. De wereld ziet het resultaat — dode kinderen, ingestorte flats, vluchtende families — maar niet de context waarin dit gebeurt. Hamas zit in die flats. Schiet vanuit die flats. Wil dat Israël terugslaat op die flats. De tragedie is reëel. Maar de schuldvraag is complexer dan velen willen horen.
De tragiek is dat hoe meer Israël doet om burgers te sparen, hoe meer het beschuldigd wordt van het tegenovergestelde. De paradox is compleet: hoe humaner men optreedt, hoe onmenselijker men wordt afgeschilderd.
En dan de Schrift: hoe weeg je geweld?
De Bijbel is niet naïef over oorlog. Het zesde gebod zegt niet: “Gij zult niet doden,” maar: “Gij zult niet moorden.” Er is ruimte voor rechtvaardig geweld, mits dit met onderscheid, proportionaliteit en moreel besef wordt uitgevoerd. In Exodus 22 wordt legitieme zelfverdediging erkend. Romeinen 13 leert dat de overheid het zwaard draagt om het kwaad te weren. En Leviticus 19 gebiedt: “Gij zult geen valse maat gebruiken.”
Dat laatste is hier bijzonder relevant. Want wie de cijfers negeert, wie slachtofferschap misbruikt als wapen, of genocide noemt wat geen genocide is, bedrijft onrecht onder het mom van rechtvaardigheid. Dan wordt de maatstok krom en het oordeel corrupt.
Waarheidsliefde begint niet bij de uitkomst, maar bij de bereidheid om te wegen. Nauwkeurig. Eerlijk. Ook als het ongemakkelijk is.
Bron: Freepik
Israël als voorbeeld — niet als uitzondering
Te midden van het morele tumult rond Gaza blijft één feit onderbelicht: Israël heeft een precedent geschapen. Niet van excessief geweld, maar van morele zelfbeheersing in oorlog. In een conflict dat zich afspeelt in dichtbevolkte wijken, waar de tegenstander zich bewust schuilhoudt onder kinderbedden en ziekenhuisbedden, heeft Israël niet gekozen voor de makkelijke weg van massale vernietiging. Het heeft — tegen de militaire logica in — vastgehouden aan een ethiek van waarschuwing, precisie en terughoudendheid.
Daarmee doet Israël meer dan zich verdedigen: het stelt een norm, hoe onvolmaakt ook. Het laat zien dat zelfs in de hel van asymmetrische oorlogvoering, met alle tragiek van burgerslachtoffers, de poging tot morele onderscheiding niet opgegeven hoeft te worden. Sterker nog: het is juist dáár dat ethiek pas echt getest wordt.
In plaats van Israël als paria te behandelen, zou men zich kunnen afvragen: wat als andere legers dit niveau van voorzorg en moreel onderscheid als standaard zouden hanteren? Dan zou het slagveld er fundamenteel anders uitzien — menselijker, tragisch nog steeds, maar minder cynisch. Israël verdient daarvoor geen vrijbrief, maar erkenning waar erkenning verschuldigd is.
Hamas’ oorlogsstrategie: menselijke schilden als doctrine
Het strijdtoneel: tunnels onder het kinderbed
Wie in Gaza een ziekenhuis binnenstapt, betreedt wellicht geen puur medische instelling, maar een knooppunt van een ondergronds militair netwerk. Hamas heeft van civiele infrastructuur — scholen, moskeeën, kinderdagverblijven — een militaire façade gemaakt. Daaronder: betonnen tunnels, wapenopslag, commandoposten. Boven de grond: burgers. Dit is strategie. Doctrinaire opzet, zoals militairen het noemen.
Deze opstelling is geen geheim. Israël heeft sinds 2007 meerdere keren bewijzen gepresenteerd, waaronder dronebeelden, verhoorverslagen, en plattegronden van tunnels onder ziekenhuizen. In 2023 werden bij invallen in o.a. het Shifa-ziekenhuis wapens, laptops en documenten aangetroffen — allemaal onder of direct naast medische ruimtes. De cynische logica is helder: als Israël aanvalt, sterven burgers. Als Israël niet aanvalt, blijft Hamas opereren. Win-win voor de propaganda.
Het gebruik van burgers als dekking
De inzet van menselijke schilden is geen verzinsel van Israëlische PR, maar wordt bevestigd door VN-rapporteurs, westerse inlichtingendiensten én (ironisch genoeg) door Hamas zelf. In een interview uit 2008 verklaarde Hamas-parlementariër Fathi Hammad: “Wij gebruiken onze vrouwen, kinderen en ouderen als menselijke schilden. De Joden houden van het leven, wij van de dood.” Zo’n uitspraak zou als macabere poëzie kunnen gelden, ware het niet dat het in de praktijk tot op de dag van vandaag wordt uitgevoerd.
Volgens het internationaal humanitair recht (IHL) — in het bijzonder het Protocol I van de Conventies van Genève — is het gebruiken van burgers om militaire doelen te dekken een oorlogsmisdaad. Dat geldt overigens niet alleen voor het actief plaatsen van burgers vóór soldaten, maar ook voor het doelbewust vestigen van militaire installaties in bevolkte gebieden zonder noodzaak. Hamas overtreedt beide verboden systematisch, en doet daar ook geen geheim van.
Waarom dat wérkt: beeldvorming als wapen
Het westerse publiek denkt visueel. En Hamas weet dat. Een dode peuter op de voorpagina van Le Monde of De Volkskrant doet meer voor hun zaak dan duizend gesneuvelde strijders onder de grond. Daarom is het creëren van burgerlijden geen ongeluk, maar deel van het arsenaal. De werkelijke oorlog speelt zich niet alleen af in Gaza, maar ook in de harten en hoofden van Europeanen — the war of perception.
Wie een Israëlisch gebouw bombardeert, treft meestal steen en beton. Wie een Hamas-doel raakt, treft — door hun eigen opzet — een flat. Het morele gevolg is pervers: de partij die zich wél aan het oorlogsrecht houdt, wordt besmeurd; de partij die het schendt, wordt als slachtoffer neergezet. Het is, op zijn Duits gezegd, die Umwertung aller Werte — de omkering van waarden.
Bijbels gezien: schuld en schuldverschuiving
De Bijbel kent het principe van schuldoverdracht, maar niet op de wijze waarop Hamas dat bedrijft. In Ezechiël 18 wordt duidelijk: ieder mens is verantwoordelijk voor zijn eigen daden. Wie kwaad bedrijft en daar anderen mee in het ongeluk stort, draagt niet alleen zijn eigen schuld, maar ook die van het opofferen van anderen aan zijn zonde. De Schrift keurt manipulatief slachtofferschap niet goed — integendeel, zij doorziet het.
Het is dus géén morele gelijkstelling als Israël een tunnel onder een school bombardeert en daar burgers bij omkomen. De primaire schuld ligt bij degene die de school tot militair doelwit maakte, niet bij degene die zich verdedigt tegen die dreiging. Dat is geen nieuw inzicht; het is klassiek christelijk rechtvaardigheidsdenken. Men neme Augustinus’ De Civitate Dei erbij, of Calvijns uitleg van Romeinen 13: “Wie het zwaard draagt, doet dat in dienst van Gods orde, en hij zondigt niet waar hij het kwaad straft.”
De asymmetrische oorlog: wapens, waarschuwingen en verantwoordelijkheid
Oorlog in stereo: hightech tegen guerrilla
Het Israëlisch-Palestijns conflict is geen gevecht tussen twee legers in uniform op een veld bij Waterloo. Het is een asymmetrische oorlog: de ene partij beschikt over drones, raketschilden en realtime-inlichtingen; de andere over geïmproviseerde explosieven, zelfmoordcommando’s en raketten verstopt in kelders. Het strijdtoneel is de stad, het decor een schoolplein, en het doel — daar ligt het venijn — vaak een combinatie van tactiek en theater.
Israël vecht dus niet alleen tegen een vijand, maar tegen een vijand die zich verstopt tussen burgers, doelbewust, systematisch, cynisch. En dat dwingt Israël telkens opnieuw tot een pijnlijk dilemma: aanvallen en onschuldigen treffen, of niets doen en terreur toelaten.
Dit is de asymmetrie: Hamas mag elke regel breken en wordt toegejuicht; Israël moet alles perfect doen en wordt alsnog veroordeeld.
Waarschuwen vóór bombarderen: een unicum
En toch kiest Israël — met alle risico’s van dien — voor een strategie van waarschuwing en precisie. Vóór een bombardement laat het IDF vaak pamfletten neerdalen, verstuurt sms’jes naar bewoners, of belt bewoners persoonlijk op om hen te waarschuwen. In sommige gevallen gebruikt men de tactiek van het ‘roof knocking’: een klein explosief wordt op een dak afgevuurd om aan te geven dat een aanval eraan komt. Dit alles is geen standaard in de wereld. Het is — hoe men er ook over oordeelt — uitzonderlijk.
De militaire logica daarachter is complex. Wie waarschuwt, verliest het verrassingseffect. Dat betekent: meer risico op gemiste doelwitten, meer kans op een hinderlaag, meer schade aan eigen troepen. En toch kiest men daarvoor. Niet uit naïviteit, maar uit een moreel besef dat het leven van onschuldigen ertoe doet — zelfs het leven van de burger boven een wapendepot.
Wie is verantwoordelijk voor burgerdoden?
De grote ethische vraag is deze: wie draagt de morele verantwoordelijkheid als burgers omkomen bij een aanval op een legitiem militair doel dat opzettelijk tussen hen geplaatst is? De klassieke just war-theorie, van o.a. Augustinus en Thomas van Aquino, geeft daar helderheid over. Het zogeheten double effect-principe stelt dat schade aan burgers niet immoreel is, mits:
het doelwit op zichzelf legitiem is (bijvoorbeeld een wapendepot),
de aanval proportioneel is,
de schade aan burgers niet het doel, maar een onbedoelde bijwerking is,
en men redelijke voorzorgsmaatregelen heeft getroffen.
Israël voldoet in de meeste gevallen aan deze voorwaarden. Hamas, daarentegen, maakt juist het veroorzaken van burgerleed tot onderdeel van haar strategie. Dat betekent dat de schuld niet primair ligt bij degene die een doelwit uitschakelt, maar bij degene die dat doelwit tussen onschuldigen heeft geplaatst.
Schrift en verantwoordelijkheid: een asymmetrisch moreel kompas?
De Schrift leert ons geen simplistisch pacifisme. Ze onderkent dat de overheid “het zwaard draagt” en wel als dienaar van God (Rom. 13:4). Tegelijkertijd worden leiders gewaarschuwd tegen lichtvaardige bloedvergieten en oproepen tot geweld. Dat schept een balans: enerzijds de plicht tot bescherming, anderzijds de noodzaak van terughoudendheid. Israël begeeft zich voortdurend op dat scherpe koord. Hamas? Die is al lang aan de andere kant afgedaald, in de ravijn van nihilistisch geweld.
Wat opvalt: het morele kompas van veel westerlingen lijkt zelf asymmetrisch te zijn geworden. Men eist van de democratische staat absolute zuiverheid, terwijl men de daden van een terreurorganisatie door de vingers ziet. Een vorm van moral outsourcing, zou je kunnen zeggen: wie minder van Hamas verwacht, hoeft zich ook minder schuldig te voelen over hun misdaden.
Gewapende terroristen van Hamas bestormen de kibboets Alumim in het zuiden van Israël op 7 oktober 2023 / Bron: Wikimedia Commons
Theologische overwegingen: rechtvaardige strijd of gewelddadige onderdrukking?
Geweld in de Schrift: niet zwart-wit, maar geladen
Wie de Bijbel leest alsof hij een vredesmanifest is, zal verrast worden. De Schrift kent geweld. Niet als ideaal, maar als realiteit in een gevallen wereld. Denk aan Abraham, die zijn verwant Lot met gewapende mannen bevrijdt (Gen. 14); aan Mozes, die opdracht krijgt Amalek te verslaan (Ex. 17); aan David, die “de strijd des HEREN” voert (1 Sam. 25:28). Zelfs in het Nieuwe Testament zien we dat het zwaard zijn plaats heeft: “Hij draagt het zwaard niet tevergeefs,” schrijft Paulus over het gezag (Rom. 13:4).
Tegelijkertijd is geweld in de Schrift nooit lichtvaardig. Er kleeft een zware morele verantwoordelijkheid aan. Oorlog is niet autonoom; ze moet gelegitimeerd zijn door het recht. Niet uit wraak, niet uit haat, maar uit een plicht tot bescherming. Daar ligt het verschil tussen een rechtvaardige strijd (bellum iustum) en gewelddadige onderdrukking.
Wanneer is strijd rechtvaardig?
De klassiek-christelijke traditie (denk aan Augustinus, Thomas van Aquino, Calvijn) hanteert criteria voor een rechtvaardige oorlog:
Legitiem gezag: de strijd wordt gevoerd door een wettige overheid (Rom. 13).
Rechtvaardige oorzaak: er is sprake van onrecht dat bestreden moet worden (bijv. terreur, moord, agressie).
Juiste intentie: geen hebzucht of haat, maar herstel van recht en orde.
Laatste middel: als diplomatie, sancties en waarschuwingen zijn uitgeput.
Proportionaliteit en onderscheid: geweld moet in verhouding staan tot het doel, en onderscheid maken tussen strijders en burgers.
Israël voldoet — hoe je het ook wendt of keert — in deze context aan deze voorwaarden. Het heeft een wettig bestuur, handelt als reactie op een moorddadige aanval (7 oktober 2023), geeft herhaaldelijk waarschuwingen, gebruikt gedoseerd geweld, en probeert onderscheid te maken waar dat mogelijk is.
Hamas daarentegen… is een terroristische organisatie die de vernietiging van een volk in haar charter heeft staan. Haar strijd is niet gericht op bevrijding, maar op uitroeiing. Haar methoden zijn niet defensief, maar genocidaal van aard; een kwaadaardig spiegelbeeld van rechtvaardigheid.
Een oudtestamentisch probleem?
Sommigen betogen dat het Oude Testament geweld “verheerlijkt” — met name in de verovering van Kanaän. Maar dat is een misvatting. Deze episodes zijn theocratisch, contextueel, en beperkt tot een specifieke tijd en plaats. En belangrijker: zij vormen de uitzondering, niet de norm. Gods oordeel over volken kwam na eeuwenlange oproepen tot bekering. En zelfs dan geldt: het volk Israël werd zelf niet gespaard toen het afweek. Denk aan de Babylonische ballingschap.
Kortom, het Oude Testament rechtvaardigt geen willekeur. Het leert dat rechtvaardigheid boven macht staat en dat God zelf rekenschap vraagt, ook van Zijn uitverkoren volk.
Christus, het Lam én de Leeuw
Maar wat dan met het evangelie? Jezus zei toch: “Wie het zwaard opneemt, zal door het zwaard vergaan”? Zeker. Maar die uitspraak deed Hij tegen Petrus, die in impulsieve woede een Romeinse soldaat verwondde in de hof van Gethsémané — niet tegen een overheid die haar volk beschermt. Jezus sprak daar in een context van persoonlijke vergelding en religieuze miskenning van het lijden.2Met “religieuze miskenning van het lijden” wordt bedoeld: de neiging van de discipelen (en velen met hen) om de messiasverwachting te koppelen aan kracht, overwinning en politiek ingrijpen, terwijl Jezus juist wees op het kruis, vernedering en lijden als weg naar overwinning. Hij verbood Zijn discipelen niet het principe van recht en bescherming, maar wel het idee dat Zijn koninkrijk door geweld gevestigd zou worden. De boodschap was helder: leg je zwaard neer als je het kruis niet begrijpt.
De kerk mag zich dan ook nooit bedienen van fysiek geweld om zichzelf te handhaven. Maar de overheid heeft juist wél die roeping: het kwaad beteugelen, de zwakke beschermen, het recht handhaven — met het zwaard indien nodig. Romeinen 13 maakt het expliciet: zij is “Gods dienares, een wreekster tot straf over degene die kwaad doet.”
Christus Zelf is daarbij niet alleen het Lam dat zwijgt voor zijn scheerders, maar ook de Leeuw van Juda, die op het beslissende uur zal terugkeren “met gerechtigheid om oorlog te voeren” (Openbaring 19:11). Niet als vredesduif met zachte woorden, maar als hemelse Veldheer, met ogen als vuurvlammen en een zwaard uit Zijn mond. Dat beeld is ongemakkelijk voor wie Jezus enkel wil kennen als zachtmoedige trooster, maar het is bijbels. Zijn oordeel is heilig, Zijn recht volmaakt, en Zijn wederkomst géén symbolisch gedicht, maar een ingrijpende werkelijkheid.
Daarom mag ook het aardse gezag, in afspiegeling van Zijn orde, het kwaad weerstaan. Niet met willekeur, niet uit wraak, maar met doelgericht onderscheid. Wanneer Israël — ondanks alle gebreken — probeert onschuldigen te sparen en terreur te breken, ligt dat dichter bij Christus’ regering dan bij het zwaard van Petrus. En juist dát verschil verdient het om benoemd te worden.
De omkering van schuld: wie is hier werkelijk dader?
7 oktober: wie pleegde hier genocide?
Wie het over genocide heeft, moet niet alleen naar bommen kijken, maar naar bedoelingen. Het Genocideverdrag van 1948 stelt immers twee voorwaarden: er moet sprake zijn van (1) een opzettelijk voornemen om een etnische of religieuze groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen, en (2) daadwerkelijke handelingen die dat voornemen implementeren.
Welnu — wat gebeurde er op 7 oktober 2023?
Hamas-strijders overschreden de grens met Israël met één doel: Joden doden, zoveel mogelijk, met voorbedachten rade. Ze moordden, verkrachtten, martelden en namen gijzelaars. Niet als bijproduct van strijd, maar als hoofdzaak. Ze filmden hun daden. Ze prezen het bloed. Ze riepen op tot navolging. Het offensief heette niet voor niets “de Vloed van Al-Aqsa”: bedoeld om een regionale opstand aan te wakkeren, en — zo zei Hamas-leider Sinwar — “de zionistische entiteit van de kaart te vegen”.
Dat is geen “verzet”. Dat is genocide. Niet in theorie, maar in daden.
Daarbij viel Hamas de Joodse bevolking aan als Joden — een religieus en etnisch gemotiveerde aanval, niet gericht op soldaten, maar op gezinnen, kinderen, feestvierders. En dat op de hoogste Joodse feestdag. De echo’s naar historische pogroms zijn onmiskenbaar.
Wie dus Israël beschuldigt van genocide, maar Hamas de hand boven het hoofd houdt, bedrijft niet alleen juridische omkering, maar morele pervertering. De feiten wijzen precies de andere kant op. En wie het waagt om “Never Again” te roepen terwijl hij tegelijk het Joodse volk beschuldigt van wat er op 7 oktober met hen gebeurde, staat niet aan de kant van vrede, maar van de oude leugen in nieuwe verpakking.
Een met bloed doordrenkt kinderbed in kibboets Kfar Aza, te zien op een foto gedeeld door premier Benjamin Netanyahu op 11 oktober 2023 in de nasleep van de Hamas-aanval op Israël op 7 oktober. (X/Netanyahu)
Van middeleeuwse bloedlaster tot moderne genocideleugen
De beschuldiging dat Israël genocide pleegt, lijkt op het eerste gezicht juridisch van aard. Maar wie dieper kijkt, stuit op een oud en duister motief: de bloedlaster.
Eeuwenlang werden Joden ervan beschuldigd dat zij christelijke kinderen vermoorden om hun bloed te gebruiken bij rituelen. Een mythe, grotesk en demoniserend, maar — tragisch genoeg — bijzonder effectief. Het voedde haat, pogroms en massamoord. In plaats van medemensen te zijn, werden Joden tot monsters gemaakt: bloeddrinkers, kindermoordenaars.
En wat zien we vandaag? Hamas en haar medestanders beschuldigen Israël — opnieuw het Joodse volk — ervan opzettelijk kinderen te vermoorden. Niet één op één, maar systematisch. Niet incidenteel, maar op basis van ras of religie. Dat is de kern van de genocideclaim. En dat is de bloedlaster in nieuwe verpakking.
De moderne retoriek klinkt hoogdravender: “internationaal recht”, “proportionaliteit”, “mensenrechten”. Maar het resultaat is hetzelfde: de Jood wordt weer de booswicht, het collectieve geweten mag weer projecteren. Alsof het Israël is dat met opzet kinderen doodt, terwijl het net die kinderen probeert te sparen — en daarbij eigen soldaten opoffert.
Het is ironisch, maar wrang: hoe meer Israël doet om levens te redden, hoe meer het beschuldigd wordt van moord. Dát is de perverse kracht van de bloedlaster of het bloedsprookje. En wie deze beschuldiging verspreidt zonder bewijs, deelt in haar schuld.
De genocidebeschuldiging tegen Israël is de blood libel van deze tijd — een oude leugen in modern jasje: toen zouden Joden kinderbloed gebruiken voor rituelen, nu zouden ze systematisch Palestijnse kinderen doden. / Bron: Wikimedia Commons
De distributie van hulpgoederen en het blokkeren ervan door Hamas
Wie Israël beschuldigt van genocide, zou moeten verklaren waarom datzelfde Israël meer dan 1,7 miljoen ton humanitaire hulp Gaza in heeft laten gaan sinds het begin van de oorlog. Voedsel, water, brandstof, medicijnen — in een ongekende hoeveelheid, via land, zee en lucht. Geen ander leger in een vergelijkbare oorlogssituatie heeft zoveel mogelijk gedaan om de burgerbevolking van haar vijand te ontzien.
Deze hulp komt niet zelden met gevaar voor eigen leven: Israëlische chauffeurs en coördinatoren worden regelmatig beschoten. En erger: veel van die hulp wordt gestolen door Hamas, om wapens, tunnels en elites te bevoorraden. Niet zelden verkopen Hamasstrijders de noodhulp op de zwarte markt — of gebruiken ze de distributie als propagandamiddel.
Daar komt bij dat burgers die hulp willen aannemen van neutrale kanalen, zoals het nieuwe Gaza Humanitarian Foundation (GHF), bedreigd worden door Hamas. Wie voedsel ophaalt, wordt gezien als verrader. En sommige NGO’s — cynisch genoeg — weigeren mee te werken aan deze neutrale distributie, uit angst om Hamas voor het hoofd te stoten.
De morele omkering is schrijnend: Israël krijgt de schuld van doden die Hamas zelf veroorzaakt. Veel Gazanen sterven niet omdat Israël dat wil, maar omdat Hamas hulp blokkeert — of erger nog: mensen die voedsel proberen op te halen worden beschoten of bedreigd. Deze terreurgroep laat liever kinderen verhongeren dan toe te geven dat hulp via Israël komt.
Propaganda, beeldvorming en het morele vacuüm van de media
Wie bepaalt het verhaal?
In de moderne oorlog draait het allang niet meer alleen om kruit en staal. De slag om de publieke opinie is minstens zo bepalend als het gevecht op het slagveld. In Gaza geldt dit des te meer. Terwijl Israël het veld doorkruist met drones en nachtkijkers, bestookt Hamas de wereld met narratieven. Beelden van huilende kinderen, verwoeste gebouwen, interviews met getuigen; het is allemaal onderdeel van een goed geoliede propagandamachine, zorgvuldig afgestemd op de gevoeligheden van het westerse publiek.
De vraag rijst: wie vertelt het verhaal, en wie gelooft het? Veel westerse media nemen cijfers en claims van het Hamas-gezondheidsministerie zonder slag of stoot over — vaak voorzien van emotionele koppen en suggestieve beeldselectie. Intellectuele nuance verdwijnt; het frame van dader en slachtoffer staat al vast vóór de feiten zijn nagegaan. En zo glijdt men allengs af in een moreel vacuüm, waarin feiten optioneel zijn en verontwaardiging de valuta van het gelijk vormt.
BBC corrigeert, NOS zwijgt
Op 1 juni 2025 trok de BBC een onjuist bericht in over vermeend Israëlisch vuur op burgers in Rafah — een correctie op basis van nieuwe feiten. Maar de NOS bleef, zelfs uren ná die rectificatie, het oorspronkelijke verhaal als waarheid presenteren in het Achtuurjournaal. Bewust of niet: dit is geen nalatigheid, maar actieve misleiding van het Nederlandse publiek. En dat in een oorlog waar alles draait om beeldvorming.
Op 1 juni 2025 rectificeerde de BBC een eerder bericht over vermeend Israëlisch vuur op burgers in Rafah, maar uren nadat die correctie al publiek was, bracht de NOS het in het Achtuurjournaal nog steeds als feit — alsof er niets was rechtgezet.
Cijfers zonder context, beelden zonder bron
Een bekend patroon: er wordt een getal genoemd — “meer dan 30.000 doden” — zonder erbij te zeggen hoeveel hunner strijders waren. Vervolgens wordt een foto getoond van een kind, met als impliciete boodschap: zie, Israël doodt kinderen. Er wordt gesproken van een ‘genocide’, zonder ook maar enige verwijzing naar de juridische criteria of de bron van de beschuldiging. Het is moreel theater: de werkelijkheid wordt gereduceerd tot een script, met Israël als schurk en Gaza als slachtoffer.
Dit alles is geen toeval, maar berekening. Hamas weet dat het geen militaire overwinning kan boeken, maar wel een morele. Het enige wat daarvoor nodig is, is een voldoende aangrijpend beeld op een voldoende goed getimede plek. Dat is de oorlog van de pixel, het frame als wapen.
Waarom Israël altijd moet verliezen in de media
Er speelt nog iets diepers. Israël wordt gehaat — of in elk geval, harder beoordeeld dan enig ander land, juist omdat het zegt te handelen naar westerse waarden. Democratie, mensenrechten, rechtsstaat — het maakt de eisen die men aan Israël stelt torenhoog. Intussen wordt Hamas, dat ‘homorechten’ onderdrukt, vrouwen onderdrukt, en kinderen opleidt tot martelaren, met fluwelen handschoenen benaderd. Waarom? Omdat er van hen niets verwacht wordt.
Dat is de racism of low expectations. Men vindt Hamas te barbaars om echt verantwoordelijk te houden. En dus krijgt de dader de sympathie van de underdog, terwijl de verdediger van recht en orde onder het vergrootglas komt te liggen. Deze perverse dynamiek — een soort morele zelfhaat — ondermijnt het hele idee van universeel recht.
De profetische diagnose: waarheid onderdrukt
De Bijbel is glashelder over een cultuur die niet naar waarheid vraagt. In Jesaja 59:14–15 lezen we: “Recht is achteruitgeweken, en gerechtigheid staat ver van verre; want de waarheid struikelt op de straat, en wat recht is, kan er niet in.” Dat is geen poëtisch beeld, maar een diagnose. Wanneer waarheid wordt ingeruild voor indruk, en recht voor retoriek, dan wordt het volk verblind — en de vijand gesterkt.
In Romeinen 1:18 schrijft Paulus dat de mens de waarheid in ongerechtigheid onderdrukt. Dat is exact wat hier gebeurt. Niet: waarheid onbekend. Maar: waarheid ongewenst. Een verstikking van de feiten, zodat men zich rechtvaardig kan blijven voelen te midden van moreel verval. Een opgepoetste zelfleugen.
Pallywood: wanneer oorlog toneel wordt
Het fenomeen staat inmiddels bekend onder een beladen naam: Pallywood — een samentrekking van Palestinian en Hollywood. Daarmee wordt verwezen naar de geënsceneerde of gemanipuleerde beeldvorming van Palestijns leed voor mediaconsumptie. Niet zelden duiken er video’s op van gewonden die ineens opstaan zodra de camera draait, van huilende kinderen die herhaaldelijk dezelfde scène spelen, of van begrafenissen waarbij het lichaam uit de lijkwade valt — en er gewoon weer in kruipt.
Deze praktijken zijn niet marginaal. Ze maken deel uit van een bewuste strategie om emoties te bespelen, framing te sturen en Israël als agressor te positioneren, ongeacht de feiten. Voor wie het nieuws slechts in beelden volgt — zonder context, zonder verificatie — is de impact daarvan nauwelijks te overschatten.
Het doel van Pallywood is niet informatie, maar manipulatie. Het is propaganda die zich vermomt als journalistiek en slachtoffers tot acteerwerk degradeert. Ironisch genoeg versterkt dit fenomeen ook het wantrouwen jegens échte tragedies: als alles geënsceneerd kan zijn, wat is dan nog waar?
Juist daarom geldt: beeld is niet altijd bewijs. Wie de waarheid liefheeft, doet er goed aan niet alleen met het oog te oordelen, maar met verstand én geweten. Zoals Spreuken 18:17 zegt: “De eerste in zijn twistzaak schijnt recht te hebben; maar zijn naaste komt en onderzoekt hem.”
Slotbeschouwing: waarheid onder vuur
Wie het woord genocide in de mond neemt zonder bewijs, schaadt niet alleen Israël, maar ook de slachtoffers van échte genocides. Hij maakt het woord hol en leeg. En erger: hij maakt het onbruikbaar daar waar het wél op zijn plaats is.
De verantwoordelijkheid van de toeschouwer
In deze oorlog wordt de toeschouwer medestrijder. Wie de feiten negeert en de valse beschuldiging overneemt — omdat het beter voelt, populairder klinkt, of ideologisch beter uitkomt — wordt medeplichtig aan een leugen. En, zoals Spreuken 17:15 zegt: “Wie de goddeloze rechtvaardigt, en wie de rechtvaardige veroordeelt, die zijn beiden een gruwel voor de HEERE.”
De verantwoordelijkheid rust dus niet alleen op generaals en soldaten. Ook schrijvers, journalisten, politici, docenten, voorgangers, opiniemakers. Kortom: zij die invloed hebben op woorden en wereldbeelden dragen morele verantwoordelijkheid. In tijden van morele verwarring is zwijgen niet neutraal. Integendeel: wie zijn stem inhoudt uit angst voor reputatieschade, wie zich beroept op ‘evenwichtigheid’ terwijl de waarheid scheef staat, wie de leugen ongemoeid laat om de lieve vrede te bewaren, die is niet onpartijdig, maar medeplichtig.
De Schrift noemt dat geen voorzichtigheid, maar ontrouw. “Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad” (Jesaja 5:20). Morele balans die beide zijden gelijk behandelt wanneer slechts één zijde het recht veracht, is geen evenwicht, maar vals gewicht. En de HEERE haat een valse weegschaal (Spr. 11:1).
Het kwaad groeit niet alleen door wat slechte mensen doen, maar ook door wat goede mensen laten. Wie de waarheid ziet en zwijgt, kiest de kant van de leugen, ook al noemt hij het evenwichtig en genuanceerd.
Hoop in het oordeel?
Toch is er hoop. Niet in een wereld zonder oorlog — die komt pas als de Vredevorst wederkeert — maar in een wereld waar nog ruimte is voor waarheid, waar recht kan worden hersteld, waar woorden weer gewicht krijgen. Wie opkomt voor recht, moet zich niet laten ontmoedigen door de kakofonie van valse aanklachten. De waarheid hoeft niet altijd te winnen op Twitter, maar zij zal het laatste woord hebben. Want, zo zegt Psalm 94: “Zou Hij Die het oor plant, niet horen? Zou Hij Die het oog vormt, niet zien?”
Er komt een dag dat alle valse stemmen zullen verstommen. Dan zal duidelijk worden wie écht naar vrede streefde — en wie het woord ‘vrede’ alleen gebruikte om geweld goed te praten. Wat nu nog wordt toegejuicht als zogenaamd ‘moreel leiderschap’, zal dan worden ontmaskerd als lafheid of misleiding. De waarheid zal spreken, en niemand zal haar nog kunnen overschreeuwen.
Deze ruïnes zijn zichtbaar. Wat onzichtbaar blijft, is het zorgvuldige militaire onderscheid, het misbruik van burgers als schild, en de oorlog achter de lens. Daar waar framing zwaarder weegt dan feiten. / Bron: Martin Sulman
Reacties en overwegingen
Ben je geraakt door dit artikel? Heb je vragen, aanvullingen, of wil je een inhoudelijke gedachte delen over de besproken thema’s — zoals de rol van waarheid in oorlog, de beeldvorming rond Israël, of de theologische kaders van gerechtvaardigd geweld?
Je bent van harte uitgenodigd om te reageren. We moedigen doordachte en respectvolle bijdragen aan. Of je nu kritisch bent of instemmend, we geloven dat waarheidsliefde groeit in het eerlijke gesprek.
📝 Let op: reacties worden vooraf gelezen door de redactie om de inhoudelijke kwaliteit te bewaken en spam of ongepaste uitlatingen te voorkomen. Er kan enige tijd zitten tussen inzending en publicatie — dank voor je begrip.
Goed en duidelijk artikel.
Ik ben godsdienstleerkracht in België en wil dit artikel doorgeven aan collega’s die in hun klas achter de beschuldigingen staan. Kinderen kijken met de leerkracht naar Karrewiet waar Israël beschuldigd wordt van genocide. Nu gaat zelfs een klasleerkracht mee om elke donderdag op school, samen met haar leerlingen, om rood te dragen als teken, de rode lijn tegen genocide.
Dat er op andere plaatsen daadwerkelijk genocide gepleegd wordt heeft geen aandacht. Zoals we weten, waar Israël niet in betrokken is, is er geen of nauwelijks nieuws.
Ik weet niet of het iets zal uitmaken als ik uw artikel daal, maar ik kan het proberen. Ik heb wel de Bijbelse verwijzingen weggelaten anders gaan ze het zo wie zo niet lezen.
Gods zegen
Met vriendelijke groeten
Liliane Van Autryve
Beste Liliane,
Dank voor je moedige reactie. Het is kostbaar dat je als leerkracht niet alleen zelf naar waarheid zoekt, maar dit ook deelt met collega’s en leerlingen. In een tijd waarin emoties en beeldvorming vaak zwaarder wegen dan feiten, is dat een zeldzame en waardevolle houding.
Dat je de Bijbelse verwijzingen hebt weggelaten, begrijp ik. Soms moet de deur eerst op een kier. Maar laat er geen misverstand over zijn: de vijandschap tegen Israël is niet slechts politiek, maar een geestelijke strijd. Daarom is het des te dringender dat er stemmen opstaan die waarheid en gerechtigheid blijven benoemen, ook als de meerderheid wegkijkt.
Gods zegen en kracht toegewenst in dit werk.
Hartelijke groet,
Martin Sulman