Last Updated on 31 maart 2026 by M.G. Sulman
Homo adorans betekent: de mens is een aanbidder. Je leeft nooit vanuit pure neutraliteit, maar altijd vanuit een hoogste liefde, een diepste loyaliteit, een ultiem gezag. Als God niet meer in het middelpunt staat, verdwijnt aanbidding dan ook niet, maar zoekt zij een ander altaar. Dan worden klimaat, identiteit, autonomie, vooruitgang of politiek allengs meer dan belangrijke thema’s. Zij krijgen iets absoluuts. Juist daarin laat de Bijbel zien wat er misgaat, en waarom ware eredienst geen bijzaak is, maar de sleutel tot een recht verstaan van de wereld.
De Bijbel kent geen neutrale mens
De gedachte dat de mens religieus neutraal zou zijn, vind je in de Bijbel nergens terug. De Schrift tekent de mens als geschapen door God, levend voor Gods aangezicht en daarom ook verantwoordelijk aan God. Zelfs de opstandige mens ontsnapt daar niet aan. Hij maakt zich niet los van aanbidding, maar keert haar om.
Dat zie je scherp in Romeinen 1:25: zij hebben de waarheid van God vervangen door de leugen, en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper. Daar ligt de kern. De gevallen mens houdt niet op met vereren, maar keert zich af van de levende God en hecht zich aan het geschapene. Hij verschuift zijn trouw van de Schepper naar het schepsel, van de Gever naar het gegevene. Dat is de tragedie van de zonde. Zonde is niet allereerst een losse misstap, maar een verdraaide gerichtheid van het hart.
Zonde is ook een kwestie van orde
Dat punt is van wezenlijk belang. Dikwijls wordt zonde gereduceerd tot gedrag: je doet iets verkeerds, dus overtreed je een regel. Dat is niet onwaar, maar het gaat niet diep genoeg. De Schrift laat zien dat zonde ook ontregeling is. De goede orde raakt zoek. Wat middel had moeten blijven, wordt doel. Wat ontvangen had moeten worden, wordt verabsoluteerd. Wat ondergeschikt is, komt op de troon terecht.
Neem geld. Geld is op zichzelf geen kwaad. Het heeft een legitieme plaats in het leven. Je hebt het nodig om te wonen, te eten, te zorgen, te bouwen. Maar zodra geld veiligheid, eer, identiteit of uiteindelijke hoop moet dragen, verandert de zaak. Dan is het niet langer een instrument, maar een meester. Hetzelfde kan gebeuren met gezondheid, liefde, werk, gezin, volk, vrijheid of invloed. Goede dingen worden gevaarlijk zodra zij ultieme dingen worden.
Ook de seculiere mens aanbidt
Juist hier wordt het actueel. De moderne mens noemt zichzelf dikwijls seculier en meent daarmee dat hij zich boven religie heeft verheven. Maar dat is quatsch. Hij heeft misschien met kerk, catechismus en belijdenis gebroken, doch daarmee is zijn hart niet leeg geworden. Het heeft eenvoudig andere heiligdommen ingericht.
Dat zie je wanneer bepaalde thema’s een haast onaantastbare status krijgen. Zij worden niet meer besproken als belangrijke onderdelen van de werkelijkheid, maar behandeld als moreel absolute maatstaven waaraan alles onderworpen moet worden. Dan verschuift de toon. Kritiek wordt heiligschennis. Nuance wordt verdacht. Tegenspraak voelt als ketterij. Zo verraadt de seculiere orde haar eigen religieuze structuur, al noemt zij die niet zo.
De mens is geschapen voor God
De diepste reden daarvan is eenvoudig en verheven tegelijk: je bent gemaakt om God te kennen, lief te hebben en te verheerlijken. Dat is geen vroom extraatje voor een select gezelschap, maar de bestemming van de mens als mens. Prediker 3:11 zegt dat God de eeuw in het hart van de mens gelegd heeft. Er leeft dus een onuitroeibaar besef dat je niet genoeg hebt aan het tijdelijke alleen. Je kunt veel bezitten en nochtans leeg blijven. Je kunt applaus krijgen en toch onrustig zijn. Je kunt de wereld winnen en innerlijk verschralen.
Augustinus vatte dat reeds kernachtig samen toen hij schreef dat ons hart rusteloos is totdat het rust vindt in God. Dat is geen romantische frase, maar een antropologische waarheid, dat wil zeggen: een waarheid over wat de mens is. Je bent niet gemaakt voor afgoden. Je bent niet gebouwd op zelfverlossing. Je bent geschapen voor gemeenschap met je Schepper.
Waarom dit alles ertoe doet
Waarom dit alles ertoe doet, wordt pas goed zichtbaar wanneer je beseft dat de mens nooit eenvoudigweg leeft vanuit losse meningen of toevallige voorkeuren, maar altijd vanuit een diepere gerichtheid van het hart. De mens vereert, dient en vertrouwt altijd iets als hoogste goed. Daarom kun je de crisis van de moderne cultuur niet werkelijk begrijpen wanneer je haar alleen beschrijft in termen van verkeerde ideeën, ontspoorde politiek, sociale polarisatie of modieuze hypes. Zulke zaken zijn niet onbelangrijk, nochtans zijn zij veeleer uitingen van iets dat dieper ligt. Wat je aan de buitenkant ziet, is vaak slechts de vrucht; de wortel ligt dieper. Achter discussies over autonomie, identiteit, gezondheid, succes of nationale lotsbestemming ligt steeds weer dezelfde vraag verscholen: wat staat op de troon? Waar buigt de mens innerlijk voor?
Dat maakt ook duidelijk waarom een bijbels verstaan van de wereld niet begint bij strategie, beleid of cultuurkritiek alleen. Het begint bij de vraag naar de hoogste loyaliteit. Wie of wat krijgt jouw diepste vertrouwen? Waaraan geef je je tijd, liefde en energie, en wat houd je uiteindelijk vast, zelfs tegen beter weten in? Denk aan iemand die carrière tot hoogste goed maakt. Eerst werkt hij hard, daar is op zichzelf niets mis mee. Maar allengs gaat hij ook liegen, mensen gebruiken of beloften breken om maar verder te komen. Dan offert hij de waarheid op aan succes. Of neem autonomie. Iemand wil koste wat kost zelf bepalen wat goed is. Dan kan het gebeuren dat hij elk corrigerend woord afwijst, niet omdat het onwaar is, maar omdat hij zich door niemand iets wil laten gezeggen. Dan wordt niet waarheid, maar zelfbeschikking de maatstaf. Uiterlijk gaat het dan niet over religie, maar de structuur is wel degelijk religieus.
Zolang die grondvraag niet gesteld wordt, blijft alle analyse oppervlakkig. Dan bespreek je symptomen, maar niet de kwaal zelf. Dan zie je de koorts, maar niet de infectie; je ziet de scheuren in de muur, maar onderzoekt het verzakte fundament niet. De mens is homo adorans. Juist daarom is de eerste en beslissende vraag van het leven niet: wat vind jij belangrijk? Zelfs niet: waar sta jij voor? De diepere vraag is: voor wie leef je eigenlijk? Want het antwoord daarop openbaart de ware kern van een mens, en dikwijls ook de ware kern van een cultuur.
Secularisatie maakt de mens niet minder religieus
Veel mensen spreken over secularisatie alsof daarmee iets definitief is afgesloten. God verdwijnt uit beeld, de kerk verliest invloed, het publieke leven wordt neutraler, en de mens staat eindelijk op eigen benen. Dat is het officiële verhaal. Het klinkt modern, zelfstandig en rationeel. Maar bij nadere beschouwing rammelt het aan alle kanten. Want de mens houdt, ook in een seculiere orde, niet op met geloven, hopen, vrezen en vereren. Hij verandert slechts van object.
Secularisatie is daarom niet het einde van aanbidding, maar haar verplaatsing. De religieuze drift, of preciezer gezegd de gerichtheid van het hart, blijft intact. Alleen verschuift zij van de levende God naar iets binnen de schepping. Wat vroeger openlijk heilig heette, keert nu terug in een andere gedaante. Minder kerkelijk, dat wel. Minder ritueel soms ook. Maar bepaald niet minder absoluut.
De mythe van neutraliteit
De moderne cultuur presenteert zichzelf graag als neutraal terrein. Men zegt dan: vroeger liet men zich leiden door dogma’s, thans door feiten; vroeger door openbaring, nu door wetenschap; vroeger door geloof, nu door redelijkheid. Dat klinkt indrukwekkend, maar het is slechts een halve waarheid, en een halve waarheid is dikwijls de gevaarlijkste soort.
Feiten spreken immers nooit geheel voor zichzelf. Je duidt ze altijd binnen een kader. Je selecteert, ordent, weegt en beoordeelt vanuit diepere overtuigingen over mens, wereld, goed en kwaad. Dat diepere kader noem je een wereldbeschouwing, of, met een Duits leenwoord dat hier goed past, een Weltanschauung. Dat is het geheel van basisaannames waardoor jij de werkelijkheid leest. Niemand leeft zonder zo’n kader. Ook de seculiere mens niet.
Wanneer iemand bijvoorbeeld zegt dat autonomie het hoogste goed is, doet hij niet slechts een praktische uitspraak. Hij maakt een normatieve claim. Normatief betekent: richtinggevend voor wat goed en wenselijk is. En wie zegt dat open grenzen, klimaat, inclusie, volksgezondheid of economische groei uiteindelijk doorslaggevend zijn, maakt evenzeer een keuze over wat op de troon moet zitten. Dat is geen neutraliteit. Dat is rangorde. En waar rangorde is, ligt aanbidding op de loer.
Het heilige keert terug in nieuwe gedaanten
Een geseculariseerde samenleving is niet werkelijk areligieus. Zij wordt veeleer hersacraliserend. Dat woord klinkt misschien wat technisch, maar de zaak zelf is eenvoudig genoeg: wat men eerst onttoverd, gerelativeerd of van zijn heilige glans ontdaan leek te hebben, keert allengs terug in nieuwe, moderne en dikwijls seculiere gedaanten. Mensen noemen bepaalde thema’s dan niet slechts belangrijk of urgent, maar behandelen ze feitelijk als onaantastbaar. Zij krijgen een status die verder gaat dan gewone betrokkenheid of redelijke overtuiging. Er komt een morele lading op te rusten die bijna liturgisch aandoet. Wat gisteren nog onderwerp van debat was, wordt vandaag omgeven met een sfeer van eerbied, gevoeligheid en taboes.
Je herkent dat niet alleen aan de inhoud, maar vooral aan de toon, de rituelen en de sancties. Bepaalde onderwerpen mogen dan niet eenvoudigweg besproken, gewogen of kritisch bevraagd worden, maar moeten met een haast plechtige ernst benaderd worden. Er ontstaan vaste formules die men geacht wordt te gebruiken, woorden die verplicht zijn en andere woorden die feitelijk taboe worden. Er komen rituele schuldbelijdenissen, publieke excuses, morele signalen van zuiverheid en een soort ongeschreven catechismus waarin ieder geacht wordt de correcte antwoorden reeds paraat te hebben. Ook verschijnen er moderne equivalenten van zonde, ketterij en excommunicatie. Niet via kerkelijke censuur of een kansel op zondagmorgen, maar via krantenkoppen, talkshows, HR-afdelingen, universiteiten, algoritmisch versterkte verontwaardiging en de constante druk van sociale media. Het vocabulaire is veranderd, de setting eveneens, maar de onderliggende structuur blijft opmerkelijk vertrouwd.
Neem het klimaat. Zorg voor de schepping is een ernstige en legitieme zaak. De aarde is immers des Heeren; de mens is geen eigenaar, maar rentmeester. Dat is een bijbels gegeven pur sang. Nochtans kan ook hier een grens worden overschreden. Zodra klimaat niet langer wordt behandeld als een belangrijk terrein van verantwoordelijkheid, maar als de sleutel waarmee vrijwel alle morele, politieke en sociale vragen moeten worden geopend, verandert de aard van het gesprek. Dan wordt één thema de maatstaf voor alles: voor consumptie, reizen, economie, gezinsleven, beleid, onderwijs en zelfs persoonlijke deugd. Wie dan vraagt of bepaalde maatregelen uitvoerbaar zijn, of de lasten eerlijk verdeeld worden, of technologische alternatieven beter werken, of een land niet ook nog andere plichten heeft, loopt het risico niet als serieuze gesprekspartner, maar als moreel suspect te worden behandeld. Denk aan de werknemer die op kantoor niet zozeer inhoudelijk wordt tegengesproken, maar met lichte afkeuring wordt aangekeken omdat hij vraagt of een maatregel wel proportioneel is. Of aan de student die zonder moeite mag pleiten voor ingrijpende offers, zolang die offers maar vooral door anderen gedragen worden. Op dat moment is het thema niet meer slechts ecologisch of politiek geladen; het heeft een sacraal karakter gekregen.
Met open grenzen, migratie of een kosmopolitisch ideaal kan iets vergelijkbaars gebeuren. Gastvrijheid is zonder meer een bijbelse deugd. De vreemdeling mag niet veracht of ontmenselijkt worden. Dat staat vast. Maar daaruit volgt nog niet dat grenzen, volkeren, nationale verantwoordelijkheid, bestuurlijke ordening en het onderscheiden van nabij en ver ineens moreel irrelevant zouden zijn. Zodra de abstracte mensheid belangrijker wordt geacht dan concrete roeping, recht, orde en wederzijdse verantwoordelijkheid, raakt een idee los van de werkelijkheid waarin God de mens heeft geplaatst. Dan wordt niet meer ernstig gewogen wat een overheid aankan, wat sociale samenhang vereist, of hoe recht gedaan wordt aan zowel de burger als de vreemdeling. Dan wordt het al snel verdacht om nog te spreken over draagkracht, absorptievermogen, integratie, culturele continuïteit of grenzen aan opvang. Denk aan een burgemeester die op praktische problemen wijst en meteen als hardvochtig wordt neergezet. Of aan een burger die heus bereid is hulp te bieden, maar vragen stelt over veiligheid, huisvesting of bestuurlijke overbelasting, en vervolgens niet wordt weerlegd, maar moreel gesuspecteerd. Dan is het idee niet langer enkel een politieke visie; het is verheven tot iets wat zich nauwelijks nog laat toetsen.
Wat hier gebeurt, is in wezen eenvoudig: het heilige verdwijnt niet, maar verschuift. De moderne mens breekt wel met het oude altaar, maar leeft niet zonder altaar. Hij verwerpt de God van de Schrift, nochtans houdt hij de religieuze structuur van zijn bestaan vast. Daarom zoekt hij opnieuw naar objecten van eerbied, bronnen van zuiverheid, tekens van schuld en vormen van verlossing. De namen veranderen, de symbolen ook, maar de beweging van het hart blijft dezelfde.
Verabsolutering is het echte probleem
De eigenlijke kwaal ligt niet in het feit dat mensen zich inzetten voor een zaak, maar in de neiging één zaak tot alles te maken. Dat heet verabsolutering. Een relatief goed wordt dan behandeld alsof het absoluut is. Iets dat een plaats moet hebben in het geheel, eist dan het geheel voor zich op.
Dat patroon zie je op veel plaatsen terug. Iets wat op zichzelf goed of waardevol is, wordt dan tot hoogste norm verheven. Gezondheid is belangrijk, maar niet het hoogste goed. Veiligheid is nodig, maar mag niet over alles heersen. Gevoel heeft betekenis, maar bepaalt niet wat waar is. Economie is nuttig, maar niet de maat van heel het leven. Zodra één aspect alles gaat beheersen, raakt de orde zoek. Dan wordt een deel van de werkelijkheid opgeblazen tot maatstaf voor het geheel.
Daar raken we aan iets wat Kuyper en Dooyeweerd scherp hebben uitgewerkt. God heeft de werkelijkheid rijk, veelvormig en geordend geschapen. Daarom laat zij zich niet eerlijk terugbrengen tot één thema of één verklarend principe. Zodra een cultuur dat toch probeert, treedt versmalling op. Men kijkt dan nog maar door één lens, ziet één punt uitvergroot, en verliest het zicht op het geheel. Zo ontstaan tunnelvisie, morele verkramping en een felheid die allengs het onderscheidingsvermogen aantast.
De seculiere mens blijft liturgisch
Dat klinkt wellicht geleerd, maar de zaak zelf is verrassend concreet. Met liturgisch wordt hier bedoeld dat een mensenleven gestalte krijgt door terugkerende praktijken, symbolen, woorden en ritmes die het hart vormen en richten. Liturgie is dus niet iets dat uitsluitend in de kerk voorkomt, alsof alleen een kerkdienst vaste vormen, herkenbare gebaren en geladen taal zou kennen. Ook de seculiere wereld kent haar liturgie, zij het in andere gedaanten en onder andere namen. Denk aan slogans die men zonder aarzelen herhaalt, rituele solidariteitsverklaringen die men geacht wordt publiek te onderschrijven, publieke schuldbekentenissen waarmee men zijn morele deugdzaamheid etaleert, herdenkingsmomenten met een haast sacrale toon, en symbolen die niet slechts iets uitbeelden, maar een bijna onaantastbare status krijgen.
Je ziet dat bijvoorbeeld rond de regenboogvlag. Op zichzelf is een vlag slechts een doek met kleuren; een zichtbaar symbool dat ergens voor staat. Maar in de praktijk functioneert zij dikwijls als méér dan dat. In veel instellingen, bedrijven, scholen en overheidsgebouwen markeert zij niet alleen steun aan personen, maar ook morele positionering. Zij zegt dan niet slechts: wij willen niemand verachten. Zij zegt ook: hier is een bepaalde morele orthodoxie normatief. Wie dat symbool zonder voorbehoud omarmt, geldt als veilig, fatsoenlijk en verlicht. Wie vragen stelt over de ideologische lading ervan, over genderleer, over activisme op scholen, of over de wijze waarop kinderen en jongeren in zulke kwesties worden aangesproken, wordt al spoedig niet gezien als iemand met inhoudelijke bezwaren, maar als een verdacht mens, iemand aan wie kennelijk iets schort. Dan is het symbool niet langer enkel communicatief, maar liturgisch geworden. Het markeert gemeenschap, loyaliteit en orthodoxie.
Iets dergelijks zie je ook in rituele taal. Denk aan verplichte formuleringen in beleidsstukken, onderwijscontexten of publieke communicatie, waarbij bepaalde termen niet meer slechts handig of beleefd zijn, maar moreel geladen. Woorden fungeren dan als herkenningstekens. Wie de juiste taal spreekt, toont dat hij erbij hoort; wie aarzelt of afwijkt, verraadt zich. Dat is niet wezenlijk anders dan een liturgie waarin vaste antwoorden, gebaren en belijdenisformules de grenzen van de gemeenschap markeren. De vorm is modern, de structuur oud.
Wie beleidsstukken, onderwijsdocumenten of publieke communicatie leest, merkt al spoedig dat taal daar dikwijls meer doet dan alleen informatie overdragen. Bepaalde woorden en formuleringen gelden niet slechts als handig, beleefd of professioneel, maar krijgen een duidelijke morele lading. Zij fungeren als herkenningstekens. Wie de juiste termen gebruikt, laat zien dat hij de geldende morele code verstaat; wie aarzelt, afwijkt of andere woorden kiest, roept al snel argwaan op.
Dat zie je bijvoorbeeld in richtlijnen voor inclusief taalgebruik, waarin niet alleen wordt nagedacht over helder of respectvol formuleren, maar ook over welke woorden gewenst, ongewenst of verdacht zijn. De Richtlijn inclusief taalgebruik van de Universiteit Utrecht is daarvan een sprekend voorbeeld. Daarin wordt taal nadrukkelijk verbonden aan gelijkwaardigheid, identiteit, genderbewustzijn en sociale erkenning. Taal is dan niet meer slechts een middel om iets te zeggen, maar ook een instrument om morele en sociale grenzen te markeren.
Precies daar wordt zichtbaar wat met rituele taal wordt bedoeld. Er ontstaan vaste formuleringen, impliciete belijdenissen en herkenbare verbale codes die aangeven wie binnen de norm valt en wie daarbuiten dreigt te raken. De verpakking is modern en institutioneel; de onderliggende structuur is oud. (Bron: Universiteit Utrecht, Richtlijn inclusief taalgebruik.)
Mensen worden dan ook niet alleen bestuurd door argumenten, feiten of logische redeneringen, maar evenzeer door gewoonten van verering. Waar je je tijd aan geeft, waar je je emotionele energie in stort, waarvoor je offers brengt, wat je instinctief verdedigt en wat je onaantastbaar acht, onthult je liturgie. Denk aan iemand die zonder veel nadenken avonden vult met activistisch engagement, zijn sociale kring selecteert op morele conformiteit, symbolen in profielbeelden plaatst, slogans deelt op vaste momenten en diep verontwaardigd raakt zodra het onderliggende ideaal kritisch wordt bevraagd. Dan zie je dat zijn leven niet slechts door opinies wordt gestuurd, maar door een patroon van toewijding. En liturgie vormt liefde. Je gaat allengs lijken op wat je vereert. Wie leeft van morele zelfverheffing, wordt vaak hard. Wie leeft van ressentiment, wordt bitter. Wie leeft van zelfbeschikking als hoogste goed, verdraagt tenslotte geen grens meer buiten zichzelf.
Dat is een pijnlijke gedachte, maar juist daarom ook een verhelderende. Zij maakt begrijpelijk waarom zuiver rationele tegenargumenten zo dikwijls weinig uitrichten. Wanneer een ideaal eenmaal de plaats van god is gaan innemen, functioneert het niet meer als zomaar een standpunt dat men na een goed gesprek rustig herziet. Dan is het een bron van identiteit, gemeenschap en morele zuiverheid geworden. En wie dat ideaal dan aanraakt, raakt niet slechts een mening, maar een heiligdom. Daarom roept tegenspraak in zulke kwesties dikwijls niet alleen discussie op, maar ook morele verontwaardiging, sociale uitsluiting of symbolische excommunicatie.

Waarom de kerk hier scherper moet zijn
Juist op dit punt zou de kerk helderder moeten spreken dan zij dikwijls doet. Niet om overal cynisch op af te geven, niet om ieder maatschappelijk thema weg te zetten als modegril, maar om te onderscheiden. Dat is een klassieke christelijke deugd: onderscheiding der geesten. Je leert dan vragen: wat is hier legitieme zorg, en waar begint de verafgoding? Wat is verantwoordelijkheid, en waar slaat het om in absolutisme? Wat is liefde tot de naaste, en waar verandert die in ideologische verblinding?
De kerk verliest haar ‘zoutkracht’ (Matteüs 5:13) zodra zij de religieuze aard van de seculiere cultuur niet meer doorziet. Dan neemt zij de taal van de tijd over zonder haar te toetsen. Dan gaat zij meehollen in plaats van oordelen. En juist dat maakt haar uiteindelijk irrelevant, omdat zij te weinig bijbels durft te kijken.
Het publieke plein is vol altaren
Het moderne publieke leven presenteert zich graag als zakelijk, procedureel en rationeel. Alles lijkt te draaien om beleid, cijfers, processen, belangenafweging en bestuurlijke neutraliteit. Dat is althans de façade. Wie echter wat dieper kijkt, ziet dat het publieke plein allerminst leeg of neutraal is. Integendeel, het staat vol altaren. Niet van steen of goud, maar van ideeën, idealen en moreel geladen symbolen. Men offert er geen wierook, maar reputatie, carrièrekansen, publieke instemming, geld, tijd en sociale gehoorzaamheid. En de liturgie voltrekt zich niet in tempels, maar in media, instituties, universiteiten, bestuurskamers, bedrijven en digitale menigten. Ook daar is de mens homo adorans gebleven.
Daarom moet secularisatie niet worden verstaan als een bevrijding van religie, alsof de moderne samenleving eindelijk uit het tijdperk van het heilige is getreden en thans louter nuchter, technisch en onttoverd functioneert. Dat is een misvatting. Wat secularisatie in werkelijkheid dikwijls doet, is religieuze energie verplaatsen, herverdelen en van nieuw vocabulaire voorzien. De vraag is dus niet of een samenleving nog gelooft. Dat doet zij onvermijdelijk. De werkelijke vraag is wat zij heilig verklaart, waarvoor zij offers verlangt, welke zaken zij aan kritiek onttrekt, en welk hoogste goed haar denken, spreken en handelen uiteindelijk ordent.
Zodra je dat eenmaal ziet, beginnen allerlei ogenschijnlijk losse verschijnselen zich te ordenen. Dan begrijp je waarom morele discussies zo snel escaleren tot publieke zuiveringsrituelen. Dan begrijp je waarom bepaalde symbolen, thema’s of woorden nauwelijks nog gewoon besproken kunnen worden, maar met plechtige ernst, vaste formules en bijna rituele gevoeligheid omgeven raken. En dan begrijp je ook waarom een cultuur die God vergeet niet kalmer, vrijer of evenwichtiger wordt, maar juist nerveuzer, prikkelbaarder en allengs dwingender. Zij heeft haar ware centrum verloren en zoekt daarom koortsachtig naar een vervangend middelpunt dat richting, zuiverheid en verlossing moet bieden, maar die last uiteindelijk niet dragen kan.
📌 Voorbeeld
Denk aan een vergrootglas in fel zonlicht. Zolang het glas het licht verspreid doorlaat, gebeurt er weinig. Maar zodra alle stralen op één punt worden gebundeld, kan er brand ontstaan. Zo werkt verabsolutering ook. Een thema dat een legitieme plaats heeft, wordt zo sterk geconcentreerd dat het alles gaat beheersen. Het onderwerp is dan niet per se onwaar of onbelangrijk, maar het wordt te groot gemaakt voor de plaats die het van God gekregen heeft.
Afgoderij is niet primitief, maar hoogst modern
Wie het woord afgoderij hoort, denkt al spoedig aan houten beelden, heidense tempels en de verre oudheid. Iets exotisch, iets van toen. En zeker niet iets van nu. Maar de Bijbel spreekt er anders over. Afgoderij is geen merkwaardige hobby van oude volken, maar de vaste neiging van het gevallen mensenhart. Zij loopt als een rode draad door de geschiedenis en behoort tot het centrum van de menselijke opstand tegen God. Juist daarom is zij ook vandaag springlevend, al draagt zij thans een netter kostuum.
De Schrift beschrijft de mens niet als iemand die nu en dan een misstap begaat, maar als iemand die geestelijk dood is en wiens hart van God is afgekeerd. Daar ligt de kwaal. De orde is omgekeerd: wat God toekomt, geeft de mens aan iets anders. Maar geen schepsel, hoe glanzend ook, kan het gewicht dragen van wat alleen de Schepper toekomt.
Het eerste gebod is radicaler dan veel mensen denken
Het eerste gebod luidt: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Dat is niet alleen een verbod op openlijk heidendom. Het is een onthulling van de werkelijkheid. God duldt geen rivalen, omdat er naast Hem eenvoudig geen tweede god bestaat die rechtmatig aanspraak kan maken op jouw hoogste liefde, gehoorzaamheid en vertrouwen.
Dat maakt het gebod ook indringend actueel. Want afgoderij begint niet pas wanneer iemand neerknielt voor een beeld. Zij begint zodra iets geschapens de plaats krijgt van het ongeschapene. Zodra jij van iets verwacht wat alleen God geven kan, begeef je je reeds op afgodisch terrein. Denk aan ultieme veiligheid, volkomen rechtvaardiging, blijvende identiteit, absolute zin of definitieve verlossing. De mens zoekt zulke dingen onophoudelijk. De vraag is slechts waar hij of zij ze zoekt.
Calvijn merkte ooit op dat het menselijk hart een voortdurende fabriek van afgoden is. Die gedachte is hard, maar niet onwaar. Het hart produceert telkens nieuwe vervangingen. Oud materiaal, nieuwe vormen. Vroeger Baäl, Mammon en Astarte; vandaag autonomie, status, romantische liefde, invloed, slachtofferschap, lichaam, volk, carrière of een moreel ideaal dat buiten iedere proportie is geraakt.
Romeinen 1 legt de zenuw bloot
Nergens wordt dit scherper ontleed dan in Romeinen 1. Paulus zegt daar niet dat de mens eenvoudig te weinig informatie heeft, maar dat hij de waarheid in ongerechtigheid ten onder houdt. Dat is een zware formulering. Zij betekent dat de mens niet onwetend neutraal is, maar bewust onderdrukkend leeft tegenover wat van God gekend kan worden. Hij wil niet dat God God is.
Paulus schrijft vervolgens dat de mens, hoewel hij God kende, Hem niet als God heeft verheerlijkt of gedankt. Daar zie je de wortel van de zonde. Geen dankbaarheid, geen eerbied, geen erkenning van afhankelijkheid. De mens wil ontvangen zonder te buigen. Hij wil leven in Gods wereld, met Gods gaven, onder Gods zon, maar zonder Gods troon te erkennen. Dat is de breuk.
Daarna komt de beroemde formulering uit Romeinen 1:25 in beeld: zij hebben de waarheid van God vervangen door de leugen, en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper. Dat is de kernzin voor dit hele onderwerp. Niet: zij zijn opgehouden te vereren. Nee, zij vereerden nog steeds. Alleen het object is verschoven. Dat is afgoderij in haar bijbelse precisie.
De zonde is een ruil
Dat woord is belangrijk: vervangen. De mens doet aan ruilhandel. Hij verruilt de waarheid voor de leugen, de Schepper voor het schepsel, heerlijkheid voor vergankelijkheid. Zonde is dus niet alleen overtreding, maar omwisseling. Je geeft het hoogste weg en omhelst het lagere alsof het hoger is. Dat is tegelijk dwaas als diep tragisch.
Je ziet dat patroon overal terug. Een mens kan liefde willen, maar maakt vervolgens van romantiek een god. Hij kan recht zoeken, maar eindigt in ideologische wraakzucht. Hij kan gezondheid waarderen, maar vervalt in een cultus van lichaam en controle. Hij kan zorg hebben voor het land, maar maakt van volk of natie een heilig absolutum. Hij kan compassie willen tonen, maar verheft sentiment boven waarheid. In al die gevallen is er niet per se iets verkeerd met het oorspronkelijke verlangen. De scheefgroei zit in de verabsolutering.
Een afgod is dikwijls iets goeds dat te groot is geworden
Houd dit scherp voor ogen. Een afgod is niet altijd iets duisters of grofs. Dikwijls is het juist iets dat op zichzelf goed is. En precies daarom is het zo verraderlijk. Gezin is goed. Werk is goed. Gerechtigheid is goed. Gezondheid is goed. Zorg voor de schepping is goed. Orde is goed. Vrijheid is goed. Maar zodra één van die dingen de plaats krijgt van God, verandert het karakter ervan.
Dan moet dat goede ding namelijk gaan dragen wat het niet dragen kan. Het moet zin geven, identiteit schenken, angst dempen en schuld wegnemen. Maar schepselen bezwijken onder die last. Daarom eindigt afgoderij uiteindelijk nooit in rust. Zij begint met verwachting en eindigt met slavernij.
Je zou kunnen zeggen: een afgod belooft veel, maar vreet allengs aan zijn vereerders. Dat zie je ook praktisch. Wie succes aanbidt, wordt rusteloos. Wie goedkeuring aanbidt, wordt afhankelijk. Wie controle aanbidt, wordt angstig. Wie politieke verlossing aanbidt, wordt fanatiek. Wie zichzelf aanbidt, wordt breekbaar. Want het zelf is een slechte god. Het kan geen genade geven.
Moderne afgoderij klinkt beschaafd
Juist de moderne vorm van afgoderij is daarom vaak moeilijker te herkennen dan de oude. Zij spreekt niet in religieuze taal, maar in therapeutische, politieke of morele termen. Zij zegt niet: dit is uw god, maar: dit is wie jij echt bent. Of: hier staat de geschiedenis aan jouw kant. Of: dit mag nooit ter discussie staan. Zo krijgt het afgodische een keurige façade.
Denk aan autonomie. In beperkte zin is dat woord begrijpelijk: een mens heeft verantwoordelijkheid, geweten, een eigen roeping. Maar wanneer autonomie betekent dat niemand boven jou mag spreken, niemand jouw leven normatief mag duiden en geen gegeven orde jouw wil mag begrenzen, dan is zij een afgod geworden. Dan is vrijheid veranderd in opstand.
Hetzelfde geldt voor identiteit. Een mens heeft een naam, geschiedenis, lichaam, geslacht, plaats en verbondenheid. Dat is alleszins reëel. Maar wanneer identiteit niet meer ontvangen wordt, doch zelf geconstrueerd en vervolgens onaantastbaar verklaard, krijgt zij een heilige status die niet meer gecorrigeerd mag worden. Dan is men niet meer op zoek naar waarheid, maar naar bevestiging van het zelf als laatste norm.
De Bijbel doorziet ook respectabele afgoden
Dat maakt de Schrift zo ontregelend. Zij valt niet alleen grove zonden aan, maar ook keurige substituten. Jesaja bespot de afgod die door mensenhanden wordt gemaakt. De psalmen laten zien hoe machtigen hun vertrouwen stellen op leugens en geweld. De profeten ontmaskeren bondgenootschappen, welvaart, ritueel en nationale trots wanneer die los raken van de vreze des Heeren. Zelfs religieuze vormen kunnen afgoderij worden als het hart zich niet verootmoedigt voor God.
Dat is een belangrijk correctief. Afgoderij is dus niet alleen iets van progressieve kosmopolieten of seculiere elites. Ook conservatieve mensen kunnen afgoden koesteren. Traditie kan een afgod worden. Nederland kan een afgod worden. Beschaving kan een afgod worden. Gezinsleven kan een afgod worden. Kerkelijkheid kan zelfs een afgod worden, wanneer de vorm blijft maar de levende God niet meer wordt gezocht.
Daarom is de bijbelse diagnose zo eerlijk. Zij spaart niemand. Niet de linkse activist, niet de rechtse cultuurstrijder, niet de brave kerkganger, niet de intellectueel die meent boven geloof verheven te zijn. Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Romeinen 3:23). Dat betekent ook: allen zijn vatbaar voor valse aanbidding.
Waarom afgoderij altijd ontmenselijkt
Misschien is dat nog het meest indringende punt. Afgoderij is niet slechts theologisch onjuist, maar ook ontwrichtend voor het menselijk leven. Waarom? Omdat de mens pas op zijn plaats komt wanneer God op Zijn plaats staat. Als die orde wordt omgekeerd, raakt ook de mens zelf innerlijk ontregeld.
Wie het geschapene aanbidt, bindt zijn hart aan iets dat niet blijft. En wat niet blijft, maakt vroeg of laat bang. Daar ligt een deel van de innerlijke logica van de afgoderij. Wat vergankelijk is, moet immers voortdurend vastgehouden, verdedigd en veiliggesteld worden. Daarom gaan afgoden zo dikwijls samen met dwang, onrust en overspanning. Je moet ze voeden, rechtvaardigen, beschermen tegen aantasting en desnoods agressief afschermen van kritiek. Zij geven geen werkelijke vrede, omdat zij niet kunnen redden. Zij kunnen alleen eisen, drukken en teleurstellen.
Dat zie je ook cultureel. Een samenleving die God verliest, wordt niet werkelijk ontspannen. Zij wordt vaak juist nerveus, controlerend, moralistisch en snel verontwaardigd. Want zonder ware God mist men een laatste maat. Dan moet alles nu worden opgelost, alles hier worden gerealiseerd, alles politiek worden afgedwongen. Het tijdelijke krijgt dan de druk van het eeuwige opgelegd. En onder die druk bezwijkt het.
📌 Voorbeeld
Denk aan een rugzak die bedoeld is voor boeken en boodschappen. Je kunt er prima een paar kilo in dragen. Maar als je er betonblokken in stopt, scheuren de naden. Zo werkt het ook met afgoden. Werk, liefde, gezondheid, idealen of identiteit kunnen een legitieme plaats hebben. Maar zodra je er ultieme betekenis in stopt, breekt het geheel open. Niet omdat die dingen waardeloos zijn, maar omdat ze te klein zijn om God te vervangen.
De ware strijd gaat om de troon
Daarmee komen we bij de kern. Het grote conflict in de Bijbel is uiteindelijk niet dat de mens af en toe verkeerde keuzes maakt, maar dat hij de troon bezet houdt die hem niet toekomt, of die troon aan iets anders geeft. Daarom is bekering ook meer dan gedragsverbetering. Bekering is omkeer van aanbidding. Het hart keert terug van het schepsel naar de Schepper.
Dat verklaart ook waarom het evangelie niet slechts informatie of moreel advies is. Het evangelie is Gods roep tot terugkeer, verzoening en herordening. In Christus wordt niet alleen schuld vergeven, maar ook afgoderij ontmaskerd en gebroken. Pas daar komt de mens werkelijk vrij. Niet vrij van aanbidding, maar vrij tot ware aanbidding.
De werkelijkheid laat zich niet reduceren tot één heilig thema
Hier raken we aan een punt dat in onze tijd bijna voortdurend misgaat. Moderne mensen spreken graag over nuance, complexiteit en diversiteit, maar tegelijk vertonen zij een hardnekkige neiging om de werkelijkheid onder één overheersend thema te rangschikken. Alles moet dan gelezen worden door één en dezelfde bril. Klimaat. Gelijkheid. Identiteit. Vrijheid. Veiligheid. De markt. Het volk. Geschiedenis. Trauma. Macht. Welk woord men ook kiest, het patroon blijft opmerkelijk constant. Eén aspect van de werkelijkheid wordt zó uitvergroot dat het de rest naar zich toe trekt en allengs gaat functioneren als hoofdsleutel voor vrijwel alles.
Dat zie je bijvoorbeeld wanneer klimaat niet meer een wezenlijk, maar afgebakend onderdeel van publieke verantwoordelijkheid is, doch het interpretatiekader wordt voor economie, opvoeding, mobiliteit, voedsel, wonen, gezinsleven en morele deugd. Of wanneer gelijkheid niet meer betekent dat mensen voor Gods aangezicht dezelfde waardigheid bezitten, maar wordt opgeblazen tot een eis dat verschillen in uitkomst, positie of waardering per definitie verdacht zijn. Dan mag onderscheid nauwelijks nog bestaan zonder eerst onder verdenking te staan. Iets soortgelijks gebeurt wanneer trauma het verklaringsmodel voor bijna elk menselijk handelen wordt. Lijden en beschadiging zijn reëel en moeten ernstig genomen worden, vanzelf. Maar zodra trauma de universele sleutel wordt, dreigt verantwoordelijkheid naar de achtergrond te schuiven en wordt de mens vooral nog gelezen als product van wond en verleden. Dan verklaart één factor niet slechts iets, maar haast alles.
Precies hier biedt het gereformeerde denken een krachtig en nuchter correctief. Niet omdat het zich in vaagheid hult, alsof helderheid verdacht zou zijn, en evenmin omdat het zich overal onderuit zou willen praten. Integendeel. Juist het gereformeerde denken wil recht doen aan de rijkdom, gelaagdheid en geschapen orde van Gods werkelijkheid. De wereld is niet plat. Zij laat zich niet reduceren tot één motief, één machtsas, één emotionele categorie of één ideologisch schema. God heeft haar veelvormig, geordend en samenhangend geschapen. Dat wil zeggen: met onderscheiden die werkelijk onderscheiden zijn, met verbanden die zorgvuldig moeten worden gezien, en met grenzen die niet gratuit overschreden mogen worden.
Daarom gaat het mis zodra de mens één deel van die orde isoleert en vervolgens behandelt alsof het het geheel verklaren kan. Dan deraillert het denken. Een legitiem inzicht verandert dan in een totaliserend principe. Wat eerst een venster op de werkelijkheid was, wordt een kooi waarin alles moet passen. En zodra dat gebeurt, verliest men niet alleen nuance, maar ook waarheid. Want de waarheid van Gods schepping ligt nu juist in haar samenhang én haar onderscheidingen, niet in de tirannie van één opgeblazen thema.
Geen enkel scheppingsaspect mag God spelen
Dat is de kern van het non-reductionisme. Dat woord klinkt geleerd, maar de gedachte is heel eenvoudig. Reductionisme betekent dat je de werkelijkheid terugbrengt tot één verklaringsprincipe. Je reduceert, dus verkleint, het geheel tot één factor. Non-reductionisme zegt juist: nee, de werkelijkheid is rijker dan dat. Zij mag niet worden samengeperst tot één thema, hoe belangrijk dat thema op zichzelf ook is.
Dat zie je in het dagelijks leven al. Je kunt een mens niet volledig verklaren vanuit biologie. Dan houd je wel een lichaam over, maar nog geen verantwoordelijkheid, liefde, schuld of roeping. Je kunt hem ook niet volledig verklaren vanuit economie. Dan houd je belangen en transacties over, maar nog geen eer, trouw of aanbidding. En je kunt hem evenmin geheel verklaren vanuit psychologie. Dan zie je gevoelens en patronen, maar nog niet de volle werkelijkheid van zonde, gehoorzaamheid, waarheid en zijn of haar verhouding tot God.
De fout zit dus niet alleen in een verkeerde conclusie, maar in een verkeerde maatvoering. Men neemt één legitiem onderdeel van de werkelijkheid, maakt het los van zijn plaats binnen het geheel, en verheft het daarna tot sleutel van alles. Daarmee raakt niet alleen het denken uit balans, maar allengs ook het leven zelf. Wat eerst een inzicht leek, wordt dan een vervorming.
Gods schepping heeft orde, onderscheid en samenhang
Kuyper en Dooyeweerd, daar zijn zij weer, hebben ieder op eigen wijze benadrukt dat Gods wereld niet chaotisch, maar geordend is. Dat betekent niet slechts dat er ergens wat structuur in zit, maar dat de dingen een eigen aard, plaats en grens hebben. Zij zijn niet willekeurig uitwisselbaar. Het gezin is niet de staat. De kerk is niet de markt. Recht is niet hetzelfde als liefde. Economische waarde valt niet samen met morele waarde. Schoonheid is iets anders dan nut. En gezondheid, hoe kostbaar ook, is niet het hoogste goed van de mens.
Daar moet je inderdaad even bij stilstaan, want juist hier ligt veel winst. In onze tijd vervagen zulke onderscheidingen aan de lopende band. Alles moet efficiënt zijn, of veilig, of inclusief, of rendabel, of therapeutisch verantwoord. Men neemt dan één norm en legt die als een soort universeel meetlint over het hele leven heen. Alsof elk terrein van het bestaan zich aan precies dezelfde maatstaf moet onderwerpen. Maar daar begint de vervorming. Want een werkelijkheid die door God rijk en onderscheiden geschapen is, laat zich niet zonder schade in één mal persen.
Je ziet dat vrij eenvoudig aan concrete voorbeelden. Een ziekenhuis moet doelmatig werken, zeker, maar een huwelijk kun je niet beoordelen alsof het een zorginstelling is die vooral efficiënt moet functioneren. Een rechtbank moet recht doen; zij is er niet primair om warm, therapeutisch of emotioneel bevestigend te zijn. Een gedicht beoordeel je niet op winstgevendheid. Een kerk is niet gezond wanneer zij zich gedraagt als een onderneming die vooral marktaandeel wil behouden. En een gezin ontspoort wanneer het wordt ingericht alsof het een kleine managementstructuur is waarin productie, planning en prestatie de toon zetten. Zodra je overal dezelfde norm op legt, krijg je geen helderheid, maar verwarring. Dan wordt niet alleen het denken vlakker, maar ook het leven zelf krommer.
God heeft de werkelijkheid daarom meervoudig gemaakt. Niet versnipperd, alsof alles los zand is, maar gedifferentieerd. Dat is hier inderdaad een sleutelwoord. Gedifferentieerd wil zeggen: onderscheiden naar aard, roeping en functie. Dingen zijn verbonden, maar niet identiek. Juist in dat onderscheid schittert de wijsheid van de Schepper. De werkelijkheid is geen grijze massa waarin alles in alles overloopt, maar een geordende volheid waarin verscheidenheid en samenhang elkaar niet uitsluiten, maar veronderstellen.
Verabsolutering vernielt de proporties
Zodra één aspect van de geschapen orde wordt verabsoluteerd, raakt de proportie zoek. En juist dat zie je thans op allerlei fronten gebeuren. Een werkelijk goed onderdeel van het leven wordt dan niet langer gezien als deel van een groter geheel, maar opgeblazen tot hoogste norm. Vanaf dat moment verschuift alles. Wat eerst een legitieme plaats had binnen de orde van Gods schepping, begint zich dan te gedragen als een kleine tiran die de rest naar zich toe trekt.
Neem gezondheid. Gezondheid is een groot goed, zonder twijfel. Het lichaam doet ertoe; ziekte is geen bagatel. Nochtans is gezondheid niet het hoogste goed van de mens. Zodra zij die plaats wel krijgt, verandert er iets in de structuur van het leven. Dan draait het bestaan allengs om controle, optimalisatie, risicobeperking en angstvermijding. Eten wordt dan niet meer ontvangen met dankbaarheid, maar berekend op functionaliteit. Rust wordt geen gave meer, maar een techniek. Beweging wordt geen vorm van goed rentmeesterschap, maar een morele plicht. En de beslissende vraag luidt dan niet langer: wat is goed, waar en gehoorzaam? Zij luidt: wat verlengt, beschermt of maximaliseert mijn lichamelijk welbevinden? Dan is gezondheid niet meer een goede knecht, maar een harde meester geworden.
Met veiligheid gebeurt iets vergelijkbaars. Veiligheid is een reëel goed. De overheid draagt het zwaard niet voor niets; orde, recht en bescherming zijn wezenlijke taken. Maar ook veiligheid kan worden verheven tot een afgod. Dan wordt het vermijden van risico het hoogste principe. Geen spanning mag meer blijven bestaan, geen onzekerheid meer worden verdragen, geen vrijheid meer schuren. Alles moet beheersbaar, voorspelbaar en afgedekt zijn. Dat klinkt verstandig, totdat men beseft wat de prijs is. Een wereld zonder risico is namelijk ook een wereld zonder moed, zonder verantwoordelijkheid en zonder volwassenheid. Wie elk gevaar wil uitsluiten, sluit uiteindelijk ook veel van het menselijk leven zelf uit. Denk aan opvoeding zonder loslaten, politiek zonder vrijheid, of een samenleving waarin elk ongemak onmiddellijk om nieuwe controlemaatregelen vraagt.
Met gelijkheid zie je dezelfde beweging. Gelijkheid voor de wet is een kostbaar rechtsprincipe. De gelijke waardigheid van mensen is bijbels voluit verdedigbaar, omdat ieder mens geschapen is naar Gods beeld. Maar zodra gelijkheid gaat betekenen dat alle onderscheidingen verdacht zijn, alle hiërarchie per definitie verdorven is en ieder verschil in rol, uitkomst of verantwoordelijkheid moet worden gladgestreken, begint het begrip zichzelf te ondermijnen. Dan wordt gelijkheid niet meer gehonoreerd als rechtmatig beginsel binnen Gods orde, maar omgevormd tot een nivellerend dogma dat de werkelijkheid geweld aandoet. Een vader is niet hetzelfde als een kind. Een rechter is niet hetzelfde als een verdachte. Een leraar is niet hetzelfde als een leerling. En verschil in roeping, gezag of taak is nog geen onrecht. Zodra dat wel zo wordt voorgesteld, verliest men niet alleen orde, maar ook gerechtigheid.
De kern van het probleem is dus niet dat gezondheid, veiligheid of gelijkheid onbelangrijk zouden zijn. Integendeel. Juist omdat zij echte goederen zijn, kunnen zij zo gemakkelijk worden verabsoluteerd. Daarin schuilt de verzoeking. Een afgod is zelden iets volstrekt onzinnigs; dikwijls is het iets goeds dat uit zijn proportie is getrokken. En wanneer proportie verdwijnt, raakt ook de wijsheid zoek. Dan wordt een deel van de werkelijkheid opgeblazen tot maatstaf van het geheel en begint het leven uit het lood te hangen.
Eén idee dat alles wil verklaren, wordt vroeg of laat tiranniek
Dat is een harde les van de geschiedenis, maar ook van het gewone leven. Zodra één idee de sleutel tot alles moet zijn, begint het zich dwingend te gedragen. Want als dat ene idee echt alles verklaart, moet ook alles eraan worden onderworpen. Er is dan geen ruimte meer voor begrenzing, tegenspraak of correctie van buitenaf.
Dat zie je in ideologieën. Een ideologie is niet zomaar een stevige overtuiging. Het is een gesloten denksysteem dat één beginsel verheft tot totaalverklaring van mens en wereld. Daardoor krijgt het iets fanatieks. Alles moet erin passen. Wat niet past, wordt verdacht gemaakt, weggewerkt of heropgevoed. Zo’n systeem lijkt eerst helder en daadkrachtig, maar wordt allengs hard en benauwend.
Vanuit bijbels oogpunt is dat ook begrijpelijk. Zodra een scheppingsgegeven de plaats van God inneemt, gaat het zich goddelijk gedragen. Het duldt geen rivalen. Het eist offers. Het vraagt totale overgave. Dat is precies waarom reductionisme niet slechts een intellectuele fout is, maar ook een geestelijk gevaar.
Alleen wanneer God centraal staat, blijven de dingen op hun plaats
Yes. Hier wordt de zaak werkelijk theologisch. De schepping kan alleen juist worden gezien wanneer zij vanuit de Schepper wordt verstaan. Zodra God uit het midden verdwijnt, raken ook de onderlinge verhoudingen van de dingen ontregeld. Dan zoekt de mens namelijk een nieuw middelpunt, en dat middelpunt wordt altijd te klein voor de taak die het krijgt.
Wanneer God daarentegen God blijft, hoeven de dingen niet te worden vergoddelijkt. Dan mag recht recht zijn, zonder de plaats van genade in te nemen. Dan mag politiek politiek zijn, zonder messiaanse pretenties. Dan mag zorg voor de aarde ernstig en verantwoordelijk zijn, zonder te vervallen in seculiere eschatologie, zoals wanneer Al Gore sprak over een “planetary emergency” en de klimaatcrisis typeerde als een morele en geestelijke uitdaging voor heel de mensheid.1Reuters (2007, 12 oktober). Gore says climate change “not a political issue”. Reuters. https://www.reuters.com/article/economy/gore-says-climate-change-quotnot-a-political-issuequot-idUSN12457577/ Dan mag cultuur waarde hebben, zonder heilsgeschiedenis te vervangen. Dan vallen de dingen, om zo te zeggen, weer terug op hun juiste schaal.
Dat is ook de diepe wijsheid van het eerste gebod. God eist niet de eerste plaats omdat Hij narcistisch zou zijn, maar omdat alleen Zijn eerste plaats de wereld voor afgodische ontsporing bewaart. Pas wanneer God God blijft, vallen de dingen op hun juiste plaats.
De kerk moet daarom niet versmallen, maar breed leren zien onder Gods gezag
Juist de kerk zou dit moeten begrijpen. Zij is niet geroepen om één seculier thema van een christelijk laagje te voorzien, maar om heel de werkelijkheid te leren zien in het licht van Gods Woord. Dat maakt haar blik wijds en alomvattend. Zij leert dan onderscheiden zonder te reduceren. Zij leert liefhebben zonder te vergoddelijken. Zij leert betrokken zijn zonder zich te verliezen in de mode van het moment.
Dat bewaart ook voor een fout aan de andere kant. Soms reageren christenen op moderne verabsolutering door zelf óók versmald te raken. Dan wordt bijvoorbeeld cultuurstrijd alles. Of politiek. Of gezinsorde. Of onderwijs. Of nationale identiteit. Ook dat is gevaarlijk. Een christelijke saus over een versmalde agenda maakt de zaak nog niet gezond. De vraag blijft steeds: wordt hier de volle raad van God geëerbiedigd, of is opnieuw één deel tot het geheel opgeblazen?
Wijsheid is de kunst van het onderscheiden
Misschien laat het zich zo samenvatten: ware wijsheid bestaat niet daarin dat je één thema hebt waarnaar je telkens teruggrijpt, alsof dat de hoofdsleutel van de werkelijkheid zou zijn. Ware wijsheid bestaat veeleer hierin dat je leert zien wat elk ding is, waar het thuishoort, welke betekenis het heeft en welke grens eraan gesteld is. Dat vraagt oefening. Het vraagt nog meer om ootmoed. Want de mens houdt van eenvoudige sleutels, grootse verklaringen en eendimensionale schema’s. Die geven houvast, of althans de schijn daarvan. Maar Gods wereld is rijker, weerbarstiger en heerlijker geordend dan onze slogans vermoeden laten.
Daarom is de beslissende vraag niet: welk thema verklaart alles? Dat is reeds een verkeerde vraag, omdat zij de werkelijkheid meteen tot één raster wil herleiden. De betere vraag luidt: hoe blijft elk ding op zijn eigen plaats onder God? Daar begint maat. Daar begint orde. Daar begint ook rust. Want waar de dingen niet langer om voorrang hoeven te vechten, maar ontvangen worden binnen de grenzen en verbanden die God eraan gaf, verdwijnt de overspanning. Dan hoeft niet elk maatschappelijk thema tot ultieme crisis te worden opgeblazen, en niet elke culturele golf tot nieuwe norm verheven.
Juist daarom hoeft een gezonde kerk de hypes van haar tijd niet na te lopen, alsof zij haar relevantie telkens opnieuw aan de Zeitgeist zou moeten bewijzen. Zij leeft immers niet uit de nervositeit van het moment, maar uit een hoger centrum. Omdat God God blijft, mogen de dingen weer dingen zijn: belangrijk, ja, soms zelfs zeer belangrijk, maar nooit absoluut. Dat is geen onverschilligheid, maar orde. En juist in die orde schuilt wijsheid.
🪝Denkhaakje
Waar God uit het midden verdwijnt, raken de dingen uit hun maat. Waar Hij terugkeert tot het middelpunt, vallen zij niet weg, maar op hun plaats.
📚 Lees verder
Bronnen
- Calvin, J. (1960). Institutes of the Christian religion (J. T. McNeill, Ed.; F. L. Battles, Trans.). Westminster Press.
- De Bijbel. (z.d.). Romeinen 1, Herziene Statenvertaling. https://www.debijbel.nl/bijbel/HSV/ROM.1
- Dooyeweerd, H. (2012). Roots of Western culture: Pagan, secular, and Christian options. Paideia Press.
- Guinness, O. (2013). The global public square: Religious freedom and the making of a world safe for diversity. IVP Books.
- Hansen, C. (2017, 20 september). Hope in our secular age. The Gospel Coalition. https://www.thegospelcoalition.org/article/hope-in-our-secular-age/
- Kuyper, A. (1998). Lectures on Calvinism. Eerdmans.
- Mathis, D. (2023, 3 juni). Reversing Romans 1: A glimpse of the Godward life. Desiring God. https://www.desiringgod.org/articles/reversing-romans-1
- Piper, J. (2022, 3 januari). What is an idol? Desiring God. https://www.desiringgod.org/interviews/what-is-an-idol
- Reuters. (2007, 12 oktober). Gore says climate change “not a political issue”. Reuters. https://www.reuters.com/article/economy/gore-says-climate-change-quotnot-a-political-issuequot-idUSN12457577/
- Sproul, R. C. (2025, 30 juli). The idol factory of the heart. Ligonier Ministries. https://learn.ligonier.org/podcasts/ultimately-with-rc-sproul/the-idol-factory-of-the-heart
- Universiteit Utrecht. (z.d.). Richtlijn inclusief taalgebruik. Geraadpleegd op 30 maart 2026, van https://www.uu.nl/organisatie/huisstijl/schrijfwijzer/richtlijn-inclusief-taalgebruik
Reacties en ervaringen
Herken je iets van deze verschuiving van aanbidding in je eigen omgeving, kerk, familie of misschien ook in je eigen hart? Je bent welkom om je reactie of ervaring te delen. Een persoonlijke observatie, een bijbelse aanvulling of een scherpe tegenspraak mag ook. Houd het wel respectvol en inhoudelijk. Reacties verschijnen niet direct; door spamcontrole of moderatie kan het enkele uren duren voordat je bijdrage zichtbaar wordt.