In het verkeerde lichaam geboren? Biologie, ziel en de mythe van de maakbaarheid

Last Updated on 8 november 2025 by M.G. Sulman

De moderne mens leeft in een tijdperk waarin het lichaam zijn vanzelfsprekendheid verloren heeft. Waar vroeger het onderscheid tussen man en vrouw als gegeven werd ervaren, is het nu onderwerp van keuze, gevoel en debat. De gedachte dat iemand “in het verkeerde lichaam” zou kunnen zitten, raakt aan een dieper filosofisch en geestelijk probleem: de breuk tussen wie wij zijn en Wie ons gemaakt heeft. Dit artikel onderzoekt die spanning vanuit drie perspectieven: biologisch, filosofisch en Bijbels. Wat zegt de natuur over geslacht, en wat openbaart de Schrift over identiteit en over de mens als schepsel met een lichaam dat niet toevallig, maar bedoeld is; een gave en geen vergissing.

Art-deco illustratie van een man en vrouw die elkaars spiegelbeeld vormen, in warme aardetinten met geometrische patronen en zonnestralen; symbool voor de harmonie tussen lichaam, ziel en schepping.
Art-deco verbeelding van de mens als eenheid van geest en lichaam — geen tegenstellingen, maar spiegelende gestalten binnen één scheppingsorde. / Bron: Martin Sulman

Inhoud

De moderne verwarring

Een tijdperk van identiteitsvermoeidheid

Er heerst in onze tijd een wonderlijke vermoeidheid: niet lichamelijk, doch existentieel. Jongeren worden niet enkel gevraagd wie ze willen zijn, maar wat ze zijn. Man, vrouw, non-binair, fluïde; de keuzelijst groeit als een labyrint waarin het kompas van de werkelijkheid verloren lijkt.

Op sociale media en in onderwijsprogramma’s wordt het lichaam zo langzaamaan beschouwd als iets kneedbaars; een project dat men vormgeeft zoals een profielpagina. “Volg je gevoel,” klinkt het, alsof de biologie slechts decor is bij het theater van de beleving. Toch knaagt er iets. Want wat betekent het werkelijk om te zeggen: ik ben in het verkeerde lichaam geboren?

Hier sluimert een oude denkfout, geworteld in eeuwenoude filosofie, doch vermomd in moderne taal.

Het lichaam als project

De moderne mens ziet zijn lichaam vaak als iets dat hij heeft, niet als iets dat hij is. Die gedachte is niet nieuw; zij stamt uit het cartesiaanse dualisme van de filosoof René Descartes (1596–1650), die stelde: “Ik denk, dus ik ben.” Daarmee verlegde hij het centrum van identiteit van het lichaam naar het denken, van het vlees naar het bewustzijn.

In dit denkbeeld is het lichaam een soort machine die het “ware ik” vervoert; een voertuig dat men mag aanpassen, verbeteren of zelfs verwerpen. Zo ontstaat de gedachte dat iemand “gevangen” kan zitten in een verkeerd lichaam, alsof de ziel per ongeluk in de verkeerde verpakking is beland.

Toch wringt hier iets fundamenteels. Want als het lichaam slechts een omhulsel is, wat blijft er dan over van het mens-zijn als belichaamde ervaring? Wat gebeurt er met liefde, nabijheid, troost; allemaal gebaren die niet slechts uit woorden bestaan, maar uit vlees en adem, uit huid en aanwezigheid?

De aanraking van een hand, het ritme van de ademhaling, de hartslag die in de borst van een ander hoorbaar is, zijn dat dan louter toevallige attributen van een verder onlichamelijk ‘ik’? Of tonen ze juist dat het mens-zijn onlosmakelijk verweven is met lichamelijkheid?

De Bijbel kent voor adem het woord ruach (Hebreeuws: רוּחַ), een term die zowel ‘wind’, ‘adem’ als ‘geest’ betekent. In Genesis 2:7 wordt gezegd dat God de mens vormde uit stof van de aarde en in zijn neusgaten de adem van het leven blies; en zo werd de mens tot een levende ziel (Hebreeuws: nefesh chaja).

Die samenklank van stof en adem is wezenlijk. Het lichaam is niet slechts decor van de ziel, maar haar instrument en woning tegelijk. Wie ademt, doet meer dan fysiologisch overleven; hij deelt in de adem die ooit uit Gods mond kwam.

Een blik, een traan en een omhelzing zijn niet enkel uitingen van wat binnenin leeft, maar ze zijn dat leven in zichtbare vorm. De mens is geen geest in een jas van vlees, maar een eenheid van ruach en stof, van adem en aarde. Daarom is het lichaam niet optioneel, maar constitutief; het is het tastbare teken van Gods adem in de wereld.

Symbolische illustratie van een mens die knielt in warm licht, met wervelende adem die uit de borst opstijgt en samenvloeit met hemels licht; beeld van de ruach, de adem van het leven uit Genesis 2:7.
De mens als levend wezen van stof en adem — ruach en nefesh chaja — waarin het stoffelijke en het goddelijke elkaar ontmoeten. / Bron: Martin Sulman

De illusie van absolute zelfbeschikking

De westerse cultuur heeft autonomie — zelfwetgeving — tot haar hoogste goed verheven. De mens wil zichzelf definiëren, los van natuur, traditie of God. Dat klinkt als vrijheid, maar het is een vrijheid zonder grens, een vrijheid die zichzelf verslindt.

Wie zegt: “Ik bepaal wie ik ben,” veronderstelt dat identiteit uit het niets kan worden voortgebracht. Maar zelfs in het laboratorium van de moderne biologie blijft één feit onaantastbaar: elk mens is geboren uit een vader en een moeder; elk lichaam draagt een chromosomaal geslacht (XX of XY) dat in elke cel herhaalbaar en controleerbaar aanwezig is.

De overtuiging dat iemand in een ‘verkeerd lichaam’ kan zitten, is geen biologische constatering maar een metafysische uitspraak, een geloof over wat werkelijkheid zou moeten zijn. Ze beschrijft niet wat is, maar wat men wenst dat is: het gevoel wordt tot norm verheven, en de natuur tot vergissing verklaard.

Een casus: Lotte, 17 jaar

📌 Casus
Lotte is zeventien. Ze voelt zich al jaren “anders” en noemt zichzelf liever “niet-vrouwelijk”. Online vindt ze woorden voor haar verwarring: non-binair, genderfluïde. Het klinkt bevrijdend. Toch merkt ze dat haar onrust niet verdwijnt. Ze haat haar spiegelbeeld, maar weet niet of het haar lichaam is dat ze verwerpt of het beeld dat anderen ervan hebben.

Wat Lotte ervaart is reëel: psychisch lijden, onzekerheid, druk. Maar het is een vergissing om van dat lijden een waarheid te maken over haar wezen. Haar gevoel beschrijft een worsteling en geen biologische anomalie.

Waarheid en gevoel

De moderne cultuur verwart authenticiteit met waarheid. Wat men diep voelt, wordt vanzelf als waar beschouwd. Maar intensiteit is geen bewijs van werkelijkheid. Dorst bewijst dat er water ís, maar dorst ís niet het water. Zo is ook een gevoel van vervreemding geen aanwijzing dat de schepping faalde, maar dat het hart verlangt naar heelheid.

Vanuit presuppositioneel perspectief ligt het probleem dieper dan het lichaam: de mens leeft in een verkeerd wereldbeeld. Hij zoekt verklaring zonder zijn Maker, betekenis zonder oorsprong. Wie zijn Schepper vergeet, vergeet zichzelf en raakt verstrikt in het najagen van gevoelens die nooit tot rust komen, omdat ze de plaats van waarheid hebben ingenomen.

Filosofische noot

De wortel van deze verwarring ligt in een verabsoluteerd zelfbewustzijn, hetgeen de filosoof Charles Taylor de “expressieve individualiteit” noemt. Het individu is zijn eigen schepper geworden; zijn gevoelens zijn de grondslag van zijn moraal. Maar zonder een objectieve norm — zonder een Schepper die de werkelijkheid definieert — rest slechts een vloeibare identiteit die telkens opnieuw herschreven moet worden.

Het paradoxale resultaat: men zoekt vrijheid door zichzelf te herscheppen, maar raakt gevangen in de eindeloze eis om zichzelf te bevestigen.

Foto van Charles Taylor in 2019.
Charles Taylor in 2019 / Bron: Wikimedia Commons

Wat zegt de biologie?

De taal van het leven

De biologie spreekt niet in gevoelens, maar in functies. Waar filosofie vraagt naar betekenis, vraagt biologie naar werking. En als men haar eerlijk beluistert, dan zegt zij iets wat tegelijk eenvoudig en verbluffend is: er zijn twee manieren waarop leven zich voortplant: mannelijk en vrouwelijk.

Deze tweedeling is geen sociale constructie, noch een cultureel verzinsel, maar een biologische noodzaak. Zonder deze polariteit zou de mens zich niet kunnen voortplanten. We kunnen het als volgt uitdrukken:

In de biologie wordt geslacht (sexus) niet bepaald door uiterlijk of hormonen, maar door de gameten (geslachtscellen) die een organisme voortbrengt of daartoe ontwikkeld is.

  • Een individu is vrouwelijk (female) wanneer het de grote, onbeweeglijke gameten produceert; de eicellen (ova).
  • Een individu is mannelijk (male) wanneer het de kleine, beweeglijke gameten produceert; de zaadcellen (spermatozoa).

Deze indeling geldt voor alle meercellige organismen, van mens tot plant. Chromosomen (XX of XY bij de mens), gonaden (eierstokken of testikels) en hormonen (oestrogenen en androgenen) zijn afgeleide kenmerken die deze reproductieve functie ondersteunen, maar niet definiëren.

Het geslacht is dus een reproductieve classificatie, geen sociaal of psychologisch construct. Biologisch bestaan er slechts twee richtingen van voortplanting, omdat er slechts twee typen gameten bestaan en daarom is het geslacht in wezen binair.

Met andere woorden: wie eicellen maakt of daarvoor bestemd is, is vrouwelijk; wie zaadcellen maakt of daarvoor bestemd is, is mannelijk.

Chromosomen, gonaden en de bouw van het leven

In elk mens bevindt zich in iedere cel een blauwdruk: het DNA. Dat DNA bevat geslachtschromosomen; XX bij de vrouw, XY bij de man. Deze chromosomen bepalen welke geslachtsklieren (gonaden) zich ontwikkelen: eierstokken of testikels.

Daaruit volgen hormonen zoals oestrogeen en testosteron, die de secundaire geslachtskenmerken regelen (baardgroei, borstvorming, stemhoogte). Maar die hormonen bepalen het geslacht niet; ze volgen het geslacht. De richting ligt al vast op chromosomaal niveau.

Een mens kan hormonen beïnvloeden, organen opereren, of uiterlijkheden veranderen, maar in geen enkele cel verandert het onderliggende geslachtspatroon. De biologie kent geen referendum; zij constateert en oordeelt niet.

De afbeelding toont een molecuul van deoxyribonucleïnezuur (DNA), dat de genetische code bevat die uniek is voor elk individu.
Een molecuul van deoxyribonucleïnezuur (DNA), dat de genetische code bevat die uniek is voor elk individu. / Bron: Martin Sulman

Intersekse: de uitzondering die de regel bevestigt

Soms worden kinderen geboren met zeldzame intersekse-condities. Dat wil zeggen: er treedt een ontwikkelingsvariant op in de geslachtsdifferentiatie, bijvoorbeeld bij het androgeenongevoeligheidssyndroom (XY-chromosomen maar ongevoelig voor testosteron) of bij Congenitale bijnierhyperplasie (XX maar met verhoogde androgenen).

Deze aandoeningen veranderen echter niets aan de binaire structuur van het leven. Ze zijn geen “derde geslacht”, maar variaties binnen het mannelijke of vrouwelijke spoor. Net zoals kleurenblindheid geen “derde type zien” is, maar een verstoring binnen het normale visuele systeem.

De biologie is dus niet discriminerend, maar descriptief: zij beschrijft de orde van de schepping zoals die zich manifesteert in cellen, chromosomen en gameten.

Wat biologie niet zegt

Biologie verklaart hoe iets is, niet waarom. Zij kan beschrijven dat mannelijk en vrouwelijk samen nieuw leven voortbrengen, maar niet waarom dat moreel of existentieel betekenisvol is. Toch heeft die scheppingsstructuur — twee geslachten, complementair en wederkerig — een diepe symbolische lading.

De mens, als kroon van de schepping, weerspiegelt daarin iets van zijn Schepper: leven komt voort uit verschil in eenheid. Mannelijk en vrouwelijk zijn geen rivalen, maar partners in het scheppingsverhaal.

Moderne, frisse illustratie van Genesis 2: Adam rust in de tuin van Eden terwijl Eva als lichtvorm uit zijn zijde oprijst; symbool van gelijkwaardige oorsprong.
Modern-symbolische verbeelding van Genesis 2, waarin Eva uit Adams zijde ontstaat. / Bron: Martin Sulman

Het lichaam als getuige

Wanneer iemand zegt: “Ik voel me man in een vrouwenlichaam,” spreekt hij niet over biologie, maar over beleving. De biologie zelf zwijgt echter niet; zij getuigt, cel na cel, van wie wij zijn. Het lichaam is geen vergissing, maar een herinnering en een tastbare bevestiging van waarheid.

Vanuit presuppositioneel perspectief is biologie meer dan een beschrijving van natuurverschijnselen: zij is een vorm van algemene openbaring (revelatio generalis); een spiegel van Gods orde in de schepping. De regelmaat van chromosomen, de precisie van DNA, de complementariteit van man en vrouw: zij verkondigen zonder woorden wat waar is.

Wie die orde negeert, verliest niet alleen het contact met de biologie, maar met de werkelijkheid zelf; want waarheid verdwijnt niet wanneer men haar ontkent, zij verdwijnt slechts uit ons begrip van de wereld.

Samenvattend

Het geslacht is geen spectrum, maar een tweetal: een biologisch duet dat de voortzetting van het leven mogelijk maakt. De moderne verwarring ontstaat pas wanneer men probeert die orde te herinterpreteren in termen van gevoel of zelfdefinitie.

Het lichaam spreekt met de nuchtere helderheid van de natuur zelf; het zegt niet “word wie je wilt zijn”, maar “wees wie je bent”.

De filosofie van het lichaam

Het wantrouwen tegenover het vlees

De moderne mens wantrouwt zijn lichaam. Hij ziet het niet langer als wezenlijk deel van zichzelf, maar als een toevallig omhulsel dat het “echte ik” slechts omsluit. Dat wantrouwen is geen nieuw verschijnsel; het ademt de geest van het platonisme, waarin het lichaam werd beschouwd als een kerker van de ziel. Plato leerde dat het lichaam de zuivere kennis verduistert en dat ware wijsheid pas begint waar men het vlees overstijgt.

Het christelijk denken keerde dat uitgangspunt radicaal om. Het lichaam is geen kerker, maar schepping; geen last, maar gave. De mens is niet buiten zijn lichaam geschapen, maar juist in en door zijn lichaam geroepen tot leven. “Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen” (Genesis 1:27), niet als metafoor, maar als werkelijkheid, als zichtbare uitdrukking van Gods bedoeling.

Toch blijft het platonische wantrouwen als echo rondzingen in de westerse cultuur. In de zeventiende eeuw kreeg het een nieuwe gestalte bij René Descartes, die geest en stof scherp van elkaar scheidde. De mens werd een denkend wezen dat toevallig een lichaam heeft. Later, in de romantiek, herleefde hetzelfde motief in de idee van het “ware innerlijke zelf” dat zich moet bevrijden van maatschappelijke of lichamelijke beperkingen.

Vandaag zien we die lijn doorlopen in de genderideologie, waar het lichaam niet langer richting geeft aan identiteit, maar als tegenspeler wordt ervaren. Het vlees, ooit de plaats waar de ziel gestalte kreeg, is nu het project dat herschreven moet worden. Zo herhaalt zich een oeroude vergissing in moderne taal: de hoop om de mens te bevrijden van zijn lichaam, terwijl juist daarin zijn menselijkheid verankerd ligt.

Dit is een portret van de Franse filosoof René Descartes, geschilderd door de Nederlandse kunstenaar Frans Hals.
Portret van René Descartes (1648). Olieverf op doek. Naar Frans Hals. Parijs, Louvre. / Bron: Wikimedia Commons

Dualisme: de scheiding van lichaam en zelf

Het cartesiaanse dualisme — de scheiding tussen lichaam (res extensa) en geest (res cogitans) — legde de basis voor het idee dat het denken belangrijker is dan het vlees. Sindsdien leeft de mens alsof zijn identiteit niet in zijn lichaam huist, maar in zijn bewustzijn.

Dat leidt tot een eigenaardige paradox: men vertrouwt het lichaam niet meer, maar men voelt wel dat men iets anders is dan wat het lichaam toont. Het gevoel krijgt het gezag dat vroeger aan de ziel of aan God toekwam. Zo wordt innerlijkheid het nieuwe dogma.

Wie zegt “ik voel dat ik man ben, ondanks mijn vrouwelijk lichaam,” beweegt zich binnen diezelfde dualistische logica: het innerlijke zelf is authentiek, het lichaam slechts toevallig.

Maar als lichaam en ziel werkelijk los van elkaar staan, wat blijft er dan over van de mens als eenheid? Wat houdt het ik bijeen wanneer het vlees wordt gereduceerd tot een toneel waarop het bewustzijn zijn rol speelt? Als het lichaam slechts decor is, wordt identiteit een voorstelling; wisselbaar, tijdelijk, zonder wortel in de werkelijkheid.

Nominalisme: als woorden machtiger worden dan dingen

Vanaf de late middeleeuwen ontstond het nominalisme: de leer dat algemene begrippen (zoals ‘man’ en ‘vrouw’) slechts namen zijn die wij mensen aan de werkelijkheid geven, geen objectieve categorieën. Sindsdien is taal niet langer beschrijving, maar schepping geworden.

De hedendaagse slogan “gender is een sociaal construct” is daar een erfgenaam van. Zij zegt: wat wij ‘man’ of ‘vrouw’ noemen, is geen werkelijkheid, maar een culturele afspraak. En wie die afspraak verandert, verandert de werkelijkheid zelf.

Maar zo’n opvatting schept een morele leegte. Als woorden de werkelijkheid kunnen herschrijven, is waarheid een kwestie van macht; wie het hardst roept, bepaalt wat waar is.

Autonomie als religie

In de moderne cultuur is autonomie tot geloofsartikel geworden — letterlijk: de mens maakt zijn eigen wet. Identiteit is niet langer een gave, maar een project. Het lichaam wordt niet meer ontvangen als betekenisvol, maar bewerkt als grondstof.

Toch schuilt in dat streven een stille tragiek. Wie zichzelf wil scheppen, moet ook zijn schepping dragen. De mens wordt tegelijk maker en materiaal, kunstenaar en klei. Zijn identiteit is nooit voltooid; ze moet voortdurend worden herbevestigd — door uiterlijk vertoon, taal, symbolen en erkenning.

Zo ontstaat wat men de ‘regenboogcultus’ zou kunnen noemen: een ritueel van zichtbaarheid en bevestiging waarin identiteit niet enkel beleefd, maar gevierd en afgedwongen moet worden. Wie zich niet aansluit bij de liturgie van zelfexpressie, geldt als onverdraagzaam.

De moderne mens aanbidt dus niet langer iets buiten zichzelf, maar eert zijn eigen gevoel als heilig domein. Zijn verlangen is zijn god, zijn lichaam zijn altaar, en zijn erkenning de liturgie. Maar een zelf dat voortdurend bevestigd moet worden, is nooit werkelijk vrij; het leeft van applaus en niet van waarheid.

De mens zonder wortel

Wanneer de mens zich losmaakt van God, verliest hij niet alleen geloof, maar ook richting. De Bijbel beschrijft dat niet als een vergissing van het verstand, maar als een ruil van het hart: “Zij hebben de waarheid van God vervangen door de leugen, en het schepsel vereerd boven de Schepper” (Romeinen 1:25). Wat begint als zelfverheffing eindigt onvermijdelijk in vervreemding. Eerst van God, daarna van zichzelf.

Wie weigert zijn leven te ontvangen, probeert het te maken. De orde van de schepping wordt dan omgekeerd: wat bedoeld was als gave, wordt een project. De mens definieert zichzelf, herschrijft zijn natuur en noemt dat vrijheid. Maar het is de vrijheid van een plant die uit de grond is getrokken: nog even groen, maar zonder wortels in de grond al stervend.

Illustratie van een jonge groene plant met zichtbare wortels die net uit de aarde is getrokken; symbool voor een leven dat zijn oorsprong heeft losgelaten.
Een beeld van de mens die zich losmaakt van zijn bron — nog even groen, maar al stervend zonder de grond die leven geeft. / Bron: Martin Sulman

De Bijbel noemt dat oordeel in zachte vorm: “God gaf hen over” (Romeinen 1:24, 26, 28). Geen bliksem, maar loslating. Wanneer de mens God niet meer wil kennen, laat God hem gaan en dan wordt hij overgeleverd aan zijn eigen begeerten. Zijn denken raakt verduisterd, zijn geweten afgestompt, en wat ooit natuurlijk was, wordt vreemd.

De geschiedenis van de moderne mens weerspiegelt dit patroon. In Genesis 3 kiest de mens ervoor als God te willen zijn: niet langer afhankelijk, maar autonoom, zelfbepalend. Daarmee verliest hij niet zijn verstand, maar wel zijn richting. Wie zich losmaakt van zijn Schepper, verbreekt het verband waarin zijn leven betekenis heeft.

De mens is immers geschapen naar Gods beeld (Genesis 1:27). Dat betekent: hij vindt zijn identiteit niet in zichzelf, maar in relatie tot zijn Maker. Zoals een spiegel alleen licht weerkaatst wanneer ze naar het licht gekeerd is, zo weerspiegelt de mens wie God is wanneer hij in gemeenschap met Hem leeft. Zodra hij zich van dat licht afwendt, blijft de spiegel wel bestaan, maar wordt deze donker.

Sindsdien probeert de mens zichzelf te verklaren zonder God. Hij zoekt zin in wetenschap, prestatie, gevoel of erkenning, maar geen daarvan kan de dorst van zijn ziel lessen. Hij maakt zichzelf tot maatstaf en noemt dat vrijheid, maar het is de vrijheid van een ronddraaiend kompas; beweging zonder richting.

De moderne zoektocht naar identiteit is daarom geen cultureel modeverschijnsel, maar een geestelijke honger. De mens weet nog dát hij bestaat, maar niet meer waarvoor. Hij bezit kennis zonder wijsheid, mogelijkheden zonder doel. Wat hij vooruitgang noemt, is vaak slechts versnelling; een cirkelgang in het donker, waar de mens alles kan, behalve zichzelf terugvinden.

De profeet Jeremia verwoordde het met schrijnende eenvoud:

“Mijn volk heeft twee boosheden bedreven: Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zich bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.” (Jeremia 2:13)

De mens die zich losmaakt van God, leeft van gebroken bakken: gevoelens zonder fundament, vrijheid zonder richting, liefde zonder waarheid. De uitkomst is niet enkel morele verwarring, maar geestelijke dorst. Want de ziel is niet geschapen om zichzelf te dragen, maar om gedragen te worden. Alleen wie terugkeert tot zijn Schepper hervindt vrede tussen lichaam, geest en waarheid; niet door zelfontwerp, maar door herstel van gemeenschap.

Het lichaam als getuigenis van orde

De Bijbelse antropologie biedt een tegengeluid: het lichaam is niet je tegenstander, maar je getuige. Het vertelt wie je bent, zelfs als je hart in verwarring is.

De mens is geen ziel die toevallig een lichaam bewoont, maar een belichaamde ziel; een eenheid waarin geest en vlees elkaar wederzijds dragen. In die eenheid weerspiegelt hij de Schepper Zelf: geest en stof in harmonie.

Daarom is de strijd tussen “wie ik ben” en “wat mijn lichaam zegt” geen strijd tussen waarheid en gevoel, maar tussen twee wereldbeelden: de ene zegt dat de mens zichzelf vormt, de andere dat hij gevormd is.

Het Bijbels mensbeeld

Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen

De Schrift begint niet met twijfel, maar met ordening. “En God schiep de mens naar Zijn beeld; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.” (Genesis 1:27, HSV). Deze zin is geen poëtische overdrijving, maar een ontologische uitspraak. Dat wil zeggen: een uitspraak over het wezen van de werkelijkheid.

Het onderscheid tussen man en vrouw is geen bijzaak, geen cultureel construct, maar een daad van schepping. Het behoort tot de Weltanschauung van de Bijbel dat verschillen niet bedoeld zijn om te verdelen, maar om te voltooien. De polariteit van mannelijk en vrouwelijk weerspiegelt de wederkerigheid van de Schepper Zelf: een God die één is en toch in gemeenschap bestaat.

De Bijbel kent geen neutraal mens-zijn waaruit vervolgens geslacht voortvloeit. Integendeel, het geslacht is een wezenlijk deel van het mens-zijn. De mens ontvangt zijn lichaam als roeping; hij mag het niet herschrijven alsof hij zelf de auteur was.

Het lichaam als theologische uitspraak

Het lichaam is in Bijbels perspectief nooit een vergissing, maar een getuigenis. Het draagt een morele en symbolische betekenis. Paulus noemt het lichaam een tempel van de Heilige Geest (1 Kor. 6:19). Wie zijn lichaam afwijst, tast dus meer aan dan huid of vlees; hij tast het getuigenis aan dat de Schepper in hem gelegd heeft.

In de psalm klinkt dat diep-menselijke besef: “Want Gij hebt mijn nieren geschapen, Gij hebt mij in de schoot van mijn moeder geweven.” (Psalm 139:13). Het lichaam is een kunstwerk en wie het lichaam wantrouwt, wantrouwt de Kunstenaar.

Daarom kan de christelijke traditie de ervaring van vervreemding wel ernstig nemen, maar niet als grond van identiteit erkennen. De gevoelens van een mens zijn reëel, maar niet normatief; ze kunnen ons vertellen dat er lijden is, maar niet wie we zijn.

De zondeval en de gespletenheid van de mens

Dat mensen zich vervreemd voelen van hun lichaam is geen mysterie, maar een echo van de zondeval. Sinds de mens zich losmaakte van zijn Schepper, is hij ook verdeeld geraakt in zichzelf. De ziel trekt aan het lichaam, het lichaam aan de ziel. Paulus klaagt: “Het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik.” (Romeinen 7:19).

De breuk met God leidt tot een breuk met het eigen vlees. Wie zijn identiteit zoekt buiten de Schepper, ervaart vroeg of laat dat het fundament onder zijn voeten verschuift. In dat licht bezien is genderdysforie een existentiële pijn die past in het grotere drama van de gevallen mens.

Dat betekent niet dat het lijden onwerkelijk is, integendeel. Maar het wijst op iets diepers: het verlangen om weer heel te zijn, om het verlorene te herstellen.

De afbeelding toont een gravure van Adam en Eva, de eerste man en vrouw volgens de Bijbel.
Jan Saenredams gravure verbeeldt het begin van alle menselijke zelfoverschatting: Eva die de vrucht aanneemt, omdat zij “als God” wil zijn — zelf willen bepalen wat goed en kwaad is (Genesis 3). De slang belooft vrijheid, maar zaait wantrouwen tegen de Schepper. Sinds dat moment herhaalt de mens hetzelfde gebaar: hij grijpt naar zelfbeschikking, maar verliest juist daardoor zijn houvast. De zondeval is niet slechts een oud verhaal, maar het oerbeeld van moderne autonomie — de mens die zichzelf wil maken en daardoor van zijn Bron losraakt. / Bron: Wikimedia Commons

Verlossing: de eenheid hersteld

In Christus wordt het gespletene hersteld. De incarnatie — God die mens wordt — is het meest radicale ‘ja’ tegen het lichaam dat ooit is uitgesproken. De Logos werd vlees, niet om het te ontvluchten, maar om het te heiligen.

Daarin ligt het antwoord op de moderne verwarring: het lichaam is geen vijand, want God Zelf heeft het aangenomen. In de opstanding wordt het lichaam niet afgeschaft, maar vernieuwd. De verlossing omvat dus niet slechts de ziel, maar ook het vlees.

De mens is geschapen, gevallen en verlost. En alleen in die volgorde wordt hij werkelijk begrepen. Elk ander wereldbeeld breekt dat heilsritme af: het maakt de mens tot zijn eigen oorsprong, terwijl hij in waarheid vrucht is van ontvangen leven.

Wie bijvoorbeeld zegt dat de mens slechts het product is van evolutie en toeval, ontkent zijn schepping en daarmee zijn bedoeling. Wie beweert dat goed en kwaad cultureel bepaald zijn, ontkent de val en daarmee de werkelijkheid van kwaad. En wie gelooft dat de mens zichzelf kan verbeteren tot volmaaktheid, ontkent de noodzaak van verlossing.

Zo verwordt de mens tot maker van zichzelf; architect van een bestaan zonder fundering. Hij schept theorieën, idealen en technologieën om de breuk te helen die hij niet wil erkennen. Maar de orde blijft dezelfde: eerst schepping, dan val, dan verlossing. Alles daarbuiten is herhaling van het oude gebaar in Eden; het grijpen naar godgelijkheid en het verliezen van het paradijs.

De grens van autonomie

De mens die zichzelf wil herscheppen, stuit onvermijdelijk op een grens die niet cultureel, maar scheppingsmatig is. De profeet stelt het scherp: “Zal het leem tot zijn pottenbakker zeggen: Wat maakt U?” (Jesaja 45:9). Een pot kan zichzelf niet vormen, zoals een mens zichzelf niet tot oorsprong kan maken.

Autonomie lijkt vrijheid, maar verandert al snel in een last. Wie zichzelf tot maatstaf maakt, moet ook het gewicht van zijn bestaan dragen: hij moet zelf bepalen wat goed is, wat waar is, en wat zijn leven betekenis geeft. Dat lijkt verheven, maar is een ondraaglijke taak. Want zodra hij wankelt, wankelt alles.

Je ziet dat terug in onze tijd: mensen die zichzelf eindeloos moeten “vinden”, bewijzen en herdefiniëren. De zoektocht naar zelfontplooiing wordt een plicht. En wanneer geluk uitblijft, wordt dat niet meer gezien als tegenslag, maar als persoonlijke mislukking; alsof het ik zelf gefaald heeft.

De Bijbel noemt dat geen vrijheid, maar slavernij aan het eigen ik. Want wie zichzelf voortdurend moet maken, kan nooit rusten. De vrijheid die de mens zoekt, ligt niet in zelfdefinitie, maar in overgave; in het erkennen van de Waarheid die hem voorafgaat.

Zoals Augustinus het formuleerde in zijn Belijdenissen (I,1):

“Gij hebt ons tot U gemaakt, en ons hart is rusteloos, totdat het rust vindt in U.”

Zolang de mens zichzelf tot bron verklaart, blijft hij dorstig. Pas wanneer hij terugkeert tot zijn Maker, vindt hij de vrijheid die niet afhankelijk is van gevoel, prestatie of erkenning. Oftwel de rust van een schepsel dat weet van Wie het is.

Fresco van Benozzo Gozzoli uit de 15e eeuw waarop kerkvader Augustinus is afgebeeld terwijl hij verdiept leest in een boek; hij zit onder een boom terwijl een andere figuur hem toespreekt. De scène speelt zich af tegen een renaissancelandschap met een stenen gebouw en bloemrijke achtergrond.
Augustinus door Benozzo Gozzoli (15e eeuw) / Bron: Wikimedia Commons

De eenheid van lichaam en ziel

Vanuit Bijbels oogpunt is de mens een levende ziel (nefesh chaja), een samengaan van stof en levensadem. Dat Hebreeuwse begrip wijst op een diepe eenheid: lichaam en ziel vormen samen één persoon.

De moderne scheiding tussen “ik” en “mijn lichaam” is daarom niet slechts filosofisch onjuist, maar ook theologisch onmogelijk. Het menselijk lichaam is de vorm waarin de ziel zichtbaar wordt. Het is niet toevallig dat juist Christus’ lichamelijke opstanding de kern vormt van het geloof: de verlossing is lichamelijk, niet louter spiritueel.

Slotgedachte

Het Bijbels mensbeeld zegt: je bent niet wat je voelt, maar wie God zegt dat je bent. Je lichaam is geen toevallige schil, maar een roeping; geen fout, maar een vorm van genade.

Het moderne “ik voel” heeft de plaats ingenomen van het oude “zo spreekt de HEERE”. En juist daarin schuilt de tragiek van onze tijd: men zoekt waarheid in zichzelf, terwijl zij altijd buiten ons begon; in het Woord dat vlees werd.

Dit is een citaat uit het Nieuwe Testament, toegeschreven aan Jezus in het Evangelie van Johannes. 
Het citaat is te vinden in Johannes 14:6.
De volledige tekst luidt: "Jezus zei: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij'".
Deze uitspraak wordt beschouwd als een van de meest exclusieve en belangrijke uitspraken van Jezus over zijn identiteit en zijn rol in het christendom.
Het benadrukt dat Jezus de enige weg is tot God de Vader.
Jezus zegt: ‘Ik bén de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.’ – Johannes 14:6 / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Medische en psychologische nuance

Genderdysforie: echt lijden, verkeerde diagnose

De moderne geneeskunde gebruikt de term genderdysforie voor het psychisch lijden dat ontstaat wanneer iemand zijn beleefde gender niet in overeenstemming ervaart met zijn biologische geslacht. Het woord dysforie komt uit het Grieks en betekent letterlijk “moeilijk te dragen”. En dat is het ook. Het is voor velen een zwaar, verwarrend en vaak eenzaam lijden.

Maar de vraag is: waar ligt de oorzaak van dat lijden? In het lichaam, of in de beleving van het zelf? De medische wereld neigt ertoe om de beleving te bevestigen, alsof het lichaam de fout is. Toch is dat een opmerkelijke omkering. In geen enkel ander domein van de geneeskunde geldt: het lichaam liegt, het gevoel heeft gelijk.

Een meisje dat zichzelf te dik vindt maar ernstig ondervoed is, wordt niet geholpen door haar gevoel te bevestigen; ze wordt geholpen door haar waarneming te corrigeren. Waarom zou dat bij genderdysforie anders zijn?

De cijfers achter de emoties

Volgens meerdere longitudinale onderzoeken (onder meer American Journal of Psychiatry, 2020) blijkt dat het overgrote deel van de kinderen met genderdysforie — naar schatting 70 tot 90 procent — tegen de volwassen leeftijd weer vrede krijgt met hun biologische geslacht, vaak naarmate andere psychologische kwesties (zoals angst, depressie of sociale druk) worden behandeld.

Dat is cruciaal: die vervreemding ontspringt niet aan het lichaam, maar aan de ziel die haar orde verloren heeft. Desalniettemin wordt in westerse landen steeds vaker vroegtijdig medische interventie toegepast: puberteitsremmers, hormoontherapie en zelfs chirurgische ingrepen bij minderjarigen.

Puberteitsremmers: bevroren ontwikkeling

Puberteitsremmers, zoals leuproreline (ook wel bekend als Lupron), zijn medicijnen die de natuurlijke aanmaak van geslachtshormonen tijdelijk stilleggen. Ze blokkeren de werking van oestrogeen of testosteron, zodat de puberteit niet verder op gang komt.

Artsen noemen dit vaak een “pauzeknop”, bedoeld om jongeren met genderdysforie meer tijd te geven om na te denken. Maar in de praktijk blijkt het zelden een echte pauze: de meeste jongeren die met remmers beginnen, gaan later verder met hormonen van het andere geslacht. De pauze wordt zo een doorgang, een stap in één richting.

Wanneer de puberteit kunstmatig wordt stopgezet, stopt niet alleen de groei van borsten, baardgroei of stemverandering. Ook het brein, de botstructuur en de seksuele rijping worden beïnvloed. Die processen zijn belangrijk voor het ontwikkelen van een volwassen zelfbeeld; om te leren wie je bent en hoe je je voelt in je lichaam.

Een kind dat deze natuurlijke ontwikkeling niet doormaakt, mist de hormonale en sociale ervaring die nodig is om te leren wie het is. Identiteit rijpt niet in een laboratorium, maar in het leven zelf. Ze groeit zoals een boom groeit: langzaam, door tijd, door ervaring, door het leren omgaan met grenzen en door vallen en opstaan. Door pijn, door verdriet, maar ook door vreugde en ontdekking. Zonder die groeifasen blijft de mens onvoltooid, als een boom die vroegtijdig is gesnoeid en nooit zijn volle vorm bereikt.

De belofte “je kunt later nog kiezen” klinkt geruststellend, maar is vaak een illusie. Wie eenmaal de hormonale ontwikkeling heeft onderbroken, belandt meestal in een traject van permanente medische afhankelijkheid: regelmatige injecties, levenslange hormoontherapie en vaak verlies van vruchtbaarheid.

De biologie laat zich niet eindeloos herschrijven zonder gevolgen. Het lichaam is geen project dat je kunt pauzeren en hervatten naar wens; het is een levend geheel met geheugen, dat gevormd en gedragen wil worden, en niet stilgezet.

Psychologische complexiteit

Psychologisch gezien is genderdysforie vaak verweven met andere aandoeningen: depressie, autismespectrumstoornissen, trauma of sociale afwijzing. Het lichaam wordt dan het toneel waarop een dieper innerlijk conflict wordt uitgevochten.

Wanneer men het lijden reduceert tot een probleem van geslacht (of gender), verengt men het tot biologie, terwijl het vaak over identiteit en geborgenheid gaat. De mens wil één zijn; in zichzelf, met anderen, met de wereld. En wie die eenheid mist, probeert haar soms te herscheppen via het lichaam.

Maar het hart dat zichzelf niet kent, vindt geen rust in operaties. De ziel die zichzelf ten diepste niet aanvaardt, zal geen vrede vinden in een nieuw paspoort warain zijn geslacht is veranderd.

Een jongere zit met het hoofd in de handen op bed; in de spiegel verschijnt een vage, donkere schaduw van zichzelf — symbool voor innerlijke depressie en verwarring over identiteit.
Een jongere in stil gevecht met zichzelf: de spiegel toont niet een ander lichaam, maar een schaduw. Depressie en zelfvervreemding kunnen het gevoel wekken dat men “in het verkeerde lichaam” leeft, terwijl het in wezen om een roep naar heling en herkenning gaat. / Bron: Martin Sulman

Medische ethiek en waarheid

De klassieke regel van de arts — primum non nocere, “ten eerste geen kwaad doen” — krijgt in onze tijd een ongekende scherpte. Want wat betekent ‘geen kwaad doen’ in een cultuur waarin het gevoel tot hoogste norm is verheven? Wanneer een arts een gezond lichaam verandert om een innerlijke beleving te bevestigen, verlaat hij het terrein van de geneeskunde en betreedt dat van de ideologie. Hij geneest niet, hij verwondt. Lichamelijke verminking onder het mom van zorg is geen therapie, maar de dienstbaarheid van de wetenschap aan een nieuwe heidense ideologie, een geloof in de mens als eigen schepper.

De ware kracht van de geneeskunde ligt in haar trouw aan de werkelijkheid van het lichaam. Zij is geen fabriek van wensen, maar een dienst aan de scheppingsorde. Ze bestrijdt wat ziek is, maar eerbiedigt wat gezond is. Calvijn noemde de schepping de spiegel van Gods goedheid; wie aan die spiegel tornt, tast de wijsheid van de Schepper aan. Zodra de geneeskunde zich losmaakt van die orde en zich buigt naar de grillen van beleving, verliest zij haar anker. Ze wordt dan niet langer een kunst van heling, maar een instrument van overtuiging, een seculier sacrament van identiteit.

Dat betekent niet dat het lijden van mensen met genderdysforie genegeerd mag worden. Hun pijn is reëel en vraagt om pastorale bewogenheid en psychologisch inzicht. Maar echte barmhartigheid durft de waarheid onder ogen te zien. Zorg die de werkelijkheid ontloopt, wordt bedrog; empathie zonder waarheid is als een arts die een wond toedekt zonder haar te reinigen.

📌 Voorbeeld
Een arts die een patiënt met anorexia vertelt dat zij inderdaad te dik is, lijkt op het eerste gezicht meelevend, maar bevestigt in feite haar ziekte. Zo ook bevestigt een arts die het lichaam aanpast aan een psychische verwarring geen identiteit, maar een illusie.

De Bijbel verbindt liefde en waarheid onlosmakelijk. “Gij zult de waarheid doen in liefde” (Efeze 4:15). Waarheid zonder liefde is hard, maar liefde zonder waarheid is leeg. De geneeskunde die zich door die wijsheid laat leiden, bewaart haar waardigheid: zij geneest niet alleen het lichaam, maar eert ook de Schepper van dat lichaam.

Het verschil tussen empathie en instemming

Ware empathie zegt niet: “Je hebt gelijk.” Zij zegt: “Ik zie dat je lijdt.” Dat onderscheid lijkt klein, maar het bepaalt of mededogen helend of misleidend wordt. In de moderne cultuur is empathie allengs verward geraakt met instemming; men denkt pas liefdevol te zijn wanneer men bevestigt wat de ander voelt of wil. Maar dat is geen barmhartigheid, het is angst vermomd als deugd.

De christelijke schrijfster Allie Beth Stuckey waarschuwt voor wat zij toxic empathy noemt: een empathie die alles beaamt, grenzen uitwist en zo de waarheid opoffert aan gevoelens. Zulke empathie klinkt zacht, maar maakt ziek; zij stelt gerust waar bekering nodig is.

Liefde die geen waarheid durft te spreken, is geen liefde maar lafheid. Empathie die enkel bevestigt, helpt niemand vooruit; zij wiegt de ander in zijn pijn zonder genezing te zoeken. De Bijbelse barmhartigheid doet het omgekeerde: zij heeft de mens lief in zijn gebrokenheid zonder die gebrokenheid te heiligen. Christus genas de melaatse; Hij zegende niet de melaatsheid. In dat verschil ligt het hart van ware zorg.

Waarheid, vrijheid en verzoening

De vrijheid die gevangen zet

De moderne mens roept luid dat hij vrij is; vrij om te kiezen, te vormen, te herscheppen. Maar die vrijheid is vaak een echo in een lege kamer. Want wie zichzelf losmaakt van orde, verliest richting. Vrijheid zonder waarheid wordt stuurloosheid; een schip zonder kompas dat zich verheft op de golven van zijn eigen wil.

“Mijn lichaam, mijn keuze” klinkt onafhankelijk, maar in werkelijkheid klinkt er een echo van wanhoop in mee. Want als ik het laatste gezag ben, wie bevrijdt mij dan van mijzelf? De mens die zichzelf tot maatstaf maakt, raakt gevangen in de voortdurende plicht om zichzelf te bevestigen, elke dag opnieuw, onder het oog van de wereld.

Ware vrijheid, zegt de Schrift, ligt niet in autonomie, maar in gehoorzaamheid: “U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.” (Johannes 8:32).

Waarheid als gave, niet als constructie

In de postmoderne denktrant is waarheid geen ontdekking, maar een constructie. “Wat voor mij waar is, is waar voor mij”. Die zin klinkt tolerant, maar ondergraaft uiteindelijk de mogelijkheid van waarheid zelf. Zodra waarheid wordt gereduceerd tot persoonlijke beleving, blijft er slechts voorkeur over. Ze verwordt tot smaak, tot stemming.

Filosofen als Michel Foucault en Jean-François Lyotard hebben dit relativisme bewust omarmd. Foucault zag waarheid als een product van machtsstructuren: elke waarheid, zei hij, is een “machtseffect”. Lyotard verklaarde het “einde van de grote verhalen” en daarmee van universele waarheid. Wat resteerde, was een mozaïek van kleine waarheden, elk begrensd door perspectief en taal.

Maar wie de waarheid tot menselijk maaksel herleidt, snijdt de tak af waarop hij zit. Want als waarheid slechts een sociaal construct is, geldt dat ook voor die stelling zelf en aldus verliest zij haar gezag. Zo ontstaat een cirkel van zelfopheffing: men spreekt met stelligheid over de afwezigheid van stelligheid.

Illustratie van een man die op een dikke tak zit en juist de tak vlak bij de stam afzaagt, met geconcentreerde blik, als metafoor voor het ondermijnen van de eigen rationaliteit of overtuiging.
 Wie de waarheid tot menselijk maaksel herleidt, snijdt de tak af waarop hij zit. / Bron: Martin Sulman

De Bijbel daarentegen beschouwt waarheid niet als uitvinding, maar als gave. Zij is geen product van consensus, maar een eigenschap van God Zelf: “Uw Woord is waarheid” (Johannes 17:17). Waarheid is niet wat wij maken, maar wat wij ontvangen. Zij wortelt in het zijn van God, niet in de wisselvalligheid van ons gevoel.

Filosofisch gezien is dit het onderscheid tussen ontologische waarheid — wat werkelijk is — en existentiële ervaring — hoe wij dat beleven. De moderne mens heeft die twee verward en is daardoor vervreemd van zichzelf.

In presuppositionele zin zou men zeggen: alle kennis, ook zelfkennis, veronderstelt de Schepper. De mens kent niet autonoom, maar participeert in een door God gegeven orde van rationaliteit. Ons vermogen tot denken, waarnemen en redeneren is niet een toevallige evolutionaire uitkomst, maar een afstraling van het imago Dei — het beeld van God in de mens. Wie die oorsprong ontkent, probeert de betekenis van licht te verklaren zonder het bestaan van de zon.

Wanneer men God uitsluit, probeert men te bouwen op een fundament dat men tegelijk wegzaagt. Men veronderstelt orde, logica en consistentie in een universum dat — zonder Schepper — niets garandeert behalve chaos. Zo wordt het moderne rationalisme ironisch afhankelijk van datgene wat het verwerpt: een transcendente grond voor rationaliteit zelf.

C.S. Lewis verwoordde dit op grootse wijze: “Ik geloof in het christendom zoals ik geloof dat de zon is opgegaan. Niet alleen omdat ik haar zie, maar omdat ik door haar alles zie.” (Lewis, 1944, The Weight of Glory). Die zin drukt meer uit dan poëtische bewondering; zij formuleert een epistemologisch axioma. Waarheid is niet het product van ons denken, maar het licht waarin denken überhaupt mogelijk wordt.

Zwart-wit foto van C.S. Lewis in 1947.
C.S. Lewis in 1947 / Bron: Wikimedia Commons

Zoals het oog niet zichzelf kan verlichten, zo kan de rede zichzelf niet funderen. Zij leeft van het licht dat zij niet voortbrengt. Daarom is kennis geen menselijke triomf, maar een genadegave; een deelname aan het goddelijk verstand dat de wereld ordent en begrijpelijk maakt. Zonder dat licht blijft de mens ziende blind: hij onderzoekt alles, maar begrijpt niets werkelijk.

De mens als geroepen wezen

De mens is niet autonoom, maar heteronoom. Dat wil zeggen: hij leeft niet naar zijn eigen wet, maar onder een wet die hem gegeven is. Heteros betekent “ander”, nomos “wet”. De mens leeft dus onder de wet van een Ander. Dat klinkt voor moderne oren beklemmend, want wij zijn gewend vrijheid te zien als het recht om zelf te bepalen wat goed is. Maar in bijbels licht is juist het tegenovergestelde waar: alleen wie zijn Schepper erkent, is werkelijk vrij.

Een roeping veronderstelt immers een Roepende. Zonder die stem uit de hoogte — zonder een doel buiten onszelf — verliest het bestaan richting. We kunnen dan wel bezig blijven, maar we weten niet meer waarvoor. Het resultaat is onrust zonder richting: men leeft druk, maar weet niet meer waartoe. Men jaagt succes, beleving en zelfontplooiing na, alsof betekenis maakbaar is. Maar achter al dat streven gaapt een leegte, want zonder doel buiten zichzelf weet de mens niet meer waarom hij leeft, alleen dát hij leeft.

De Bijbel leert dat de mens door God geschapen is naar Zijn beeld (Genesis 1:27). Dat betekent niet dat wij goddelijk zíjn, maar dat wij weerspiegelingen zijn van Zijn karakter: denkvermogen, liefde, rechtvaardigheid, verantwoordelijkheid. Zoals een spiegel het licht niet zelf voortbrengt, maar weerkaatst, zo leeft de mens niet uit zichzelf, maar in antwoord. Hij is een geroepen wezen — niet de bron van zin, maar de ontvanger ervan.

Imago Dei -- elke mens draagt de afdruk van zijn Maker (Genesis 1:27)
Imago Dei — elke mens draagt de afdruk van zijn Maker (Genesis 1:27) / Bron: Martin Sulman

Dat geldt ook voor het lichaam. In onze tijd denkt men vaak dat het lichaam slechts een omhulsel is, een soort instrument dat we naar believen kunnen aanpassen aan het gevoel. Maar in bijbels perspectief maakt het lichaam deel uit van de roeping zelf. Paulus zegt: “Verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn” (1 Kor. 6:20). Het lichaam is dus niet iets neutraals, maar drager van een bedoeling.

Die bedoeling komt ook tot uitdrukking in het verschil tussen man en vrouw. Dat verschil is geen toeval of sociale afspraak, maar een scheppingsorde. De man draagt — in zijn aanleg en roeping — het beeld van verantwoordelijkheid, leiding en bescherming. De vrouw draagt het beeld van ontvankelijkheid, koestering en leven. Niet als tegenstelling, maar als twee tonen in één akkoord. Samen weerspiegelen zij iets van de wederkerigheid binnen Gods eigen wezen: gezag en liefde, geven en ontvangen, recht en genade.

Wanneer men dat verschil probeert uit te wissen, gebeurt er iets dieps. Het is niet slechts een biologische vergissing, maar een geestelijke ontwrichting. De orde van de schepping wordt omgekeerd. Wat bedoeld was als harmonie, wordt strijd; wat bedoeld was als aanvulling, wordt concurrentie.

📌 Voorbeeld
Je kunt het vergelijken met een orkest waarin elke muzikant weigert zijn partij te spelen en liever solist wil zijn. De klank vervaagt tot chaos. Zo ook in de samenleving: wanneer man en vrouw niet langer elkaar aanvullen, maar elkaars plaats willen innemen, verdwijnt de melodie van de schepping.

Reformatorische theologie spreekt hier van de roeping in het ambt van het leven: ieder mens heeft een door God bepaalde plaats, taak en verantwoordelijkheid. Calvijn begint zijn Institutie met de woorden dat “alle ware wijsheid bestaat uit twee delen: de kennis van God en de kennis van onszelf” (I.1.1). De volgorde is wezenlijk, want zelfkennis ontstaat pas in het licht van Gods kennis. Wie zijn Schepper vergeet, begrijpt ook zichzelf niet meer; hij probeert zijn identiteit te bouwen zonder fundament.

De mens is daarom niet vrij van roeping, maar vrij tot roeping. Hij leeft niet om zichzelf te scheppen, maar om te beantwoorden aan Degene die hem schiep. In die afhankelijkheid ligt geen vernedering, maar juist waardigheid. Want vrijheid is niet het ontbreken van gezag, maar het leven in overeenstemming met de bedoeling van de Schepper. Pas wie weet van Wie hij is, weet ook wie hij is.

Silhouet van een mensfiguur in schaduw op donkergroene achtergrond, met het citaat “Pas wie weet van Wie hij is, weet ook wie hij is” in witte letters.
Symbolische illustratie van de reformatorische gedachte dat ware identiteit pas zichtbaar wordt in het licht van de Schepper: wie zijn oorsprong kent, herkent ook zichzelf. / Bron: Martin Sulman

Verzoening met het geschapene

De christelijke verlossing begint niet met verzet tegen het lichaam, maar met verzoening. In Christus wordt het lichaam niet afgewezen, maar geheiligd. Zijn opstanding is de ultieme bevestiging van het vlees: wat eens vergankelijk stof was, wordt verheerlijkt. Het Evangelie is dus geen ontsnapping uit de materie, maar haar verlossing; geen vlucht uit het aardse, maar de herstelling van wat goed geschapen was.

Voor wie zich vervreemd voelt van zijn lichaam ligt daarin diepe troost. Verzoening betekent niet dat alle gevoelens verdwijnen of plotseling in harmonie komen, maar dat ze worden geplaatst onder een groter licht. Je identiteit ligt niet opgesloten in je wisselende beleving, maar verankerd in Gods scheppende trouw. Je bent niet gevangen in je lichaam; je bént lichaam en ziel tegelijk; geroepen om dat geheel te aanvaarden als het instrument waardoor God Zich zichtbaar maakt in de wereld.

Dat vraagt moed, want het betekent dat je de illusie van zelfschepping moet loslaten. De christelijke weg is geen project van zelfontwerp, maar een weg van herschepping. Zoals Paulus schrijft: “Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden” (2 Kor. 5:17). In dat licht wordt het lichaam niet een last om te ontvluchten, maar een gave om te heiligen.

De theologie van aanvaarding

Het moderne adagium “wees wie je wilt zijn” klinkt als bevrijding, maar het evangelie spreekt een dieper woord: “wees wie je gemaakt bent.” Dat is geen oproep tot berusting, maar tot vertrouwen; het geloof dat je Schepper beter weet wie je bent dan jijzelf.

De Heidelberger Catechismus verwoordt het met sobere majesteit:

“Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, niet van mijzelf ben, maar het eigendom van mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus.” (Zondag 1).

In die ene zin ligt een hele antropologie besloten: de mens is geen autonoom project, maar een toevertrouwd wezen. Hij is niet vrij tegenover God, maar vrij in God. Dat is geen beknotting van vrijheid, maar haar vervulling; want vrijheid is niet de afwezigheid van grenzen, maar de aanwezigheid van bestemming. Dat is geen beknotting van vrijheid, maar haar vervulling; want ware vrijheid ligt niet in het doen van wat men wil, maar in het willen van wat goed is. Jezus zegt: “Indien de Zoon u vrijgemaakt zal hebben, zult gij waarlijk vrij zijn” (Johannes 8:36). Pas wie zichzelf weet geborgen in Iemand die groter is, leeft niet langer onder de dwang om zichzelf te rechtvaardigen. Hij hoeft niet meer te bewijzen dat hij bestaat, want hij kent Degene Die hem bij name geroepen heeft (Jesaja 43:1).

De mens die zijn lichaam aanvaardt als gave, hervindt vrede met zichzelf. Hij hoeft niet meer te vechten met wat hij is, noch te vluchten in wat hij zou willen zijn. Hij hoeft niet langer te concurreren met zijn Schepper, maar mag rusten in Zijn bedoeling. In die overgave wordt aanvaarding geen zwakte, maar aanbidding: het stille besef dat genade groter is dan zelfbeschikking.

Waarheid en barmhartigheid: een onlosmakelijke eenheid

De cultuur van vandaag dwingt tot een valse keuze: óf je bent liefdevol, óf je bent trouw aan de waarheid. Maar in Christus vallen die twee niet uiteen; zij zijn één. Waarheid zonder liefde verhardt tot koude moraal; liefde zonder waarheid vervliegt tot sentimentele leegte.

Daarom is het christelijke antwoord op genderverwarring geen veroordeling, maar ook geen bevestiging. Het is een roep tot verzoening: verzoening met het lichaam dat God gegeven heeft, met de Schepper Die roept, en met de werkelijkheid zoals Hij die heeft bedoeld. Barmhartigheid sluit de ogen niet voor waarheid; zij opent ze om die in liefde te zien.

De kerk mag niet zwijgen omdat ze bang is iemand te kwetsen. Zwijgen lijkt vriendelijk, maar het helpt niemand echt. Ze moet durven spreken. Niet uit hoogmoed, maar uit liefde. Niet om te oordelen, maar om te wijzen op vergeving.

Jezus zei tegen de vrouw die overspel had gepleegd: “Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer” (Johannes 8:11). Hij sprak de waarheid, maar deed dat met barmhartigheid. Hij keurde de zonde af, maar niet de zondaar.

Daar, in dat evenwicht tussen liefde en waarheid, ligt de kern van het christelijk geloof: een waarheid die geneest in plaats van breekt, en een liefde die reinigt in plaats van toegeeft.

Slotbeschouwing

De moderne overtuiging “ik hoor in een ander lichaam” is, in diepste zin, geen biologische uitspraak maar een geestelijke noodkreet; een heimwee naar heelheid. Achter het verlangen om anders te zijn schuilt het besef dat er iets gebroken is. De Bijbel noemt dat geen vergissing van de natuur, maar de wond van de zondeval: de scheiding tussen Schepper en schepsel, tussen ziel en lichaam, tussen willen en zijn.

Die heelheid is niet in onszelf te vinden. Zij ligt buiten ons, in Christus, de volmaakte Mens, in Wie ziel en lichaam, geest en gehoorzaamheid één waren. Zijn opstanding is het antwoord op ons verdeelde bestaan: wat in Hem hersteld werd, wordt ook ons beloofd.

De waarheid die bevrijdt is dus niet de vrijheid om jezelf telkens opnieuw te maken, maar de vrijheid om tot rust te komen in Degene door Wie je gemaakt bent. Dat is thuiskomen.

Wie dat inziet, ontdekt iets verbluffend eenvoudigs: het lichaam dat je draagt was nooit een vergissing. Het is een gave, een uitnodiging om te leven als wie je werkelijk bent; een schepsel van God, geroepen om te worden wat je al bent in Zijn ogen.

Lees verder

Wie verder wil nadenken over de culturele en morele context van dit onderwerp, vindt op Mens & Gezondheid verschillende verwante artikelen. Zo bespreek ik in ChristenUnie stemt vóór het ondersteunen van uitbreiding van transgenderklinieken hoe een partij met christelijke wortels meebuigt met de tijdgeest en zo het onderscheid tussen zorg en ideologie vervaagt. In Detransitie: zij kwam terug op het transgender-zijn vertel ik het indringende verhaal van spijt en herstel, zoals het door Allie Beth Stuckey wordt besproken in haar Relatable-podcast. Voor de onderliggende psychologie verwijs ik naar Autogynefilie: betekenis van deze parafilie, waarin de complexe interactie tussen identiteit, seksualiteit en zelfbeeld wordt uitgelegd. In Alle decadentie verflauwt de grenzen en verzwakt de onderscheidingen leg ik met Jordan Petersons analyse bloot hoe moreel relativisme de categorieën van man en vrouw allengs uitwist. En wie dit wil plaatsen binnen een bredere geestelijke strijd, leze Rosaria Butterfield over De Vijf Leugens van Onze Tijd, waar de voormalige genderactivist getuigt van bekering, waarheid en genade.

Geraadpleegde bronnen

  • American Journal of Psychiatry. (2020). Reduction in mental health treatment utilization among transgender individuals after gender-affirming surgeries. American Journal of Psychiatry, 177(8), 727–734. https://doi.org/10.1176/appi.ajp.2019.19010080
  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (5e ed., tekstrev.). Washington, DC: Author.
  • Augustinus. (397–398/2019). Belijdenissen (vert. A. Sizoo). Kampen: KokBoekencentrum.
  • Augustinus. (426/1998). De civitate Dei (Het Godsrijk) [Vertaling van het 21e boek]. Ambo.
  • Bavinck, H. (1908/2019). Gereformeerde Dogmatiek, Deel 2: De Mens. Kampen: KokBoekencentrum.
  • Bijbel (Herziene Statenvertaling). (2010). Heilige Schrift: Herziene Statenvertaling. Stichting HSV. https://herzienestatenvertaling.nl
  • Calvijn, J. (1536/2009). Institutie van de Christelijke Religie (vert. A. Sizoo). Kampen: KokBoekencentrum.
  • Cohen-Kettenis, P. T., & Pfäfflin, F. (2010). The DSM diagnostic criteria for gender identity disorder in adolescents and adults. Archives of Sexual Behavior, 39(2), 499–513. https://doi.org/10.1007/s10508-009-9562-y
  • Descartes, R. (1641/1996). Meditaties over de eerste filosofie (vert. J. W. N. Watkins). Boom.
  • Foucault, M. (1975/2002). Surveiller et punir: Naissance de la prison [Discipline, toezicht en straf]. Gallimard.
  • Galvin, S. (z.d.). Rainbow Redemption Project. https://rainbowredemptionproject.com
  • Genetics Home Reference (NIH). (2020). Sex chromosomes and sex determination. National Library of Medicine. https://medlineplus.gov/genetics
  • Heilman, S. G., & Kreukels, B. P. C. (2021). Gender dysphoria and psychosexual development in adolescence: Current evidence and controversies. European Child & Adolescent Psychiatry, 30(8), 1189–1201. https://doi.org/10.1007/s00787-021-01769-9
  • Keller, T. (2013). Kruistocht: het leven van koning Jezus. Franeker: Uitgeverij Van Wijnen.
  • Lewis, C. S. (1944/2001). The Weight of Glory. HarperOne.
  • Lewis, C. S. (1947). Mere Christianity. HarperOne.
  • Lyotard, J.-F. (1979/1984). La condition postmoderne: Rapport sur le savoir [Het postmoderne weten]. Les Éditions de Minuit.
  • Meyer-Bahlburg, H. F. L. (2010). From mental disorder to iatrogenic hypogonadism: Dilemmas in conceptualizing gender identity variants as psychiatric conditions. Archives of Sexual Behavior, 39(2), 461–476. https://doi.org/10.1007/s10508-009-9532-4
  • Nicolosi, J. (2009). Shame and Attachment Loss: The Practical Work of Reparative Therapy. Downers Grove, IL: InterVarsity Press.
  • Rösler, A., & Walfisch, S. (1997). The androgen insensitivity syndrome (testicular feminization): A model for sex hormone action. American Journal of Medical Genetics, 70(4), 354–367. 
  • Stuckey, A. B. (2019, 4 april). Toxic Empathy Is Killing Us. The Conservative Woman. 
  • Taylor, C. (1989). Sources of the Self: The Making of the Modern Identity. Harvard University Press.
  • Universiteit Utrecht. (z.d.). Richtlijn inclusief taalgebruik. Geraadpleegd op 8 november 2025, van https://www.uu.nl/organisatie/huisstijl/schrijfwijzer/richtlijn-inclusief-taalgebruik
  • World Health Organization. (2019). International Classification of Diseases, 11th Revision (ICD-11): Gender incongruence and health of transgender people. Genève: WHO. https://icd.who.int

Reacties en ervaringen

Hieronder kun je reageren op dit artikel. Je kunt bijvoorbeeld je gedachten of ervaringen delen over thema’s als genderidentiteit, lichamelijke aanvaarding en de spanning tussen waarheid en barmhartigheid. Ook kun je reageren op wat je herkent uit de andere artikelen over detransitie, de Bijbelse visie op het lichaam of de invloed van cultuur op ons zelfbeeld.

Wij stellen reacties zeer op prijs. Reacties worden niet automatisch (direct) gepubliceerd; ze worden eerst door de redactie gelezen om spam of ongepaste inhoud te voorkomen. Dit kan soms enkele uren duren.