Wat atheïsten lenen van het christelijke geloof dat ze verwerpen

Last Updated on 5 juni 2025 by M.G. Sulman

We leven in een tijdsgewricht waarin de naam ‘God’ voor velen enkel nog klinkt als een echo uit lang vervlogen tijden. Steeds meer mensen beschouwen de Bijbel als een oud boek — historisch misschien fascinerend, maar moreel volstrekt irrelevant. Geloof wordt afgedaan als privéproject of als overblijfsel van een prewetenschappelijk tijdperk. En toch… in zowel het publieke als het persoonlijke discours wemelt het van woorden als liefde, rechtvaardigheid, waarheid, waardigheid en hoop. Ironisch genoeg behoren dit juist tot de meest geladen begrippen binnen het christelijk denkkader. Ze zijn, in hun diepste betekenis, geen autonome ideeën; ze zijn verankerd in het karakter en handelen van een persoonlijke God. Neem ‘waarheid’. Dat concept veronderstelt niet slechts coherentie of functionaliteit, maar overeenstemming met een objectieve werkelijkheid. De Schrift stelt dat waarheid niet slechts een idee is, maar een Persoon: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven,” zegt Christus (Johannes 14:6). Evenzo is liefde niet gereduceerd tot biochemie of sentiment, maar tot het wezen van God zelf (1 Johannes 4:8). Rechtvaardigheid is geen maatschappelijk compromis, maar een afspiegeling van Gods heilige aard. En hoop — niet de vage wens dat dingen beter zullen gaan, maar de vaste verwachting van herstel en vernieuwing — is fundamenteel eschatologisch verankerd: “Op U, HEERE, is mijn hoop” (Psalm 71:5). Vanuit het presuppositionalisme — de gedachte dat elk wereldbeeld rust op vooronderstellingen — is het dus geen triviale observatie dat atheïsten deze termen blijven gebruiken. Ze bouwen hun overtuigingen op fundamenten die ze formeel verwerpen. Ze spreken in morele en existentiële categorieën die hun eigen metafysische raamwerk niet kan dragen. In dit artikel verkennen we hoe het christelijke wereldbeeld — ofschoon verworpen of vergeten — nog altijd functioneert als onderstroom van het moderne denken. Niet met de toon van triomfalisme, maar met de ernst van iemand die opmerkt: je leent, vaak onbewust, uit een huis dat je dacht verlaten te hebben. En wie weet, als je aandachtig leest — tussen de regels door, in de spanning tussen verlangen en rede — ontdek je dat dat huis misschien altijd al je thuis is geweest.

Wat atheïsten lenen van het christelijke geloof dat ze verwerpen / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Inhoud

De verborgen erfenis van het christelijke wereldbeeld

Een apologetische beschouwing over onbewuste leningen.

Waarheid veronderstelt een fundament

Wanneer men de moderne westerse mens observeert — de denker op het terras, de technicus in zijn labjas of de beleidsmaker in het Haagse — dan valt iets opmerkelijks op. Zelfs zij die zich nadrukkelijk niet met het christelijk geloof identificeren, ademen ongewild concepten in die diep verankerd zijn in het Bijbelse wereldbeeld. Deze culturele en intellectuele erfenis is subtiel, vaak ongezien, doch fundamenteel. En het zou een ernstige omissie zijn om haar invloed te negeren.

De gedachte die dit hoofdstuk draagt is tegelijk eenvoudig én diepzinnig: niemand denkt neutraal. Hoe rationeel of objectief iemand zichzelf ook waant — elke manier van denken, redeneren of oordelen vertrekt altijd vanuit bepaalde uitgangspunten. Vanuit geloof, dus. Niet per se religieus geloof, maar wél geloof in bepaalde aannames die je niet eerst bewijst, maar waarvan je uitgaat.

Dat is precies waar het presuppositionalisme (vooronderstellingenleer) de vinger bij legt. Denkers als Cornelius Van Til en Greg Bahnsen hebben dat scherp verwoord: alle kennis, logica, moraliteit en waarheid staan of vallen uiteindelijk met je diepste uitgangspunt — je axioma. En volgens het christelijk geloof is dat ultieme uitgangspunt niet een vaag “iets hogers” of de mening van de meerderheid, maar de concrete, persoonlijke God die Zich openbaart in de Schrift.

Met andere woorden: denken is nooit zomaar “denken”. Achter elk wereldbeeld — religieus of atheïstisch — zit een hartslag. Een geloof. Een basisvertrouwen. En de vraag is nooit óf je vanuit geloof redeneert, maar altijd welk geloof de motor is achter je denken.

Daarom zegt God in Jesaja 1:18 zo prachtig: “Kom toch, en laat ons samen een rechtsgeding voeren, zegt de HEERE.” God nodigt mensen uit tot nadenken, tot redeneren — maar altijd binnen de werkelijkheid die Híj geschapen heeft. Waar waarheid, logica, goed en kwaad niet zweven in het luchtledige, maar geworteld zijn in Hemzelf.

Kortom: de vraag is niet of je gelooft… maar wat je gelooft. En of dat geloof werkelijk het gewicht kan dragen van de woorden en waarden waarmee je leeft.

Van Til en Bahnsen: denkers op het scherpst van de wereldbeschouwing

Cornelius Van Til (1895–1987), de scherpzinnige Nederlands-Amerikaanse theoloog en filosoof, introduceerde een apologetische benadering die fundamenteel brak met het idee van Weltanschauung-neutrale dialoog. In zijn visie is er geen intellectueel niemandsland waar gelovige en ongelovige op ‘objectieve’ gronden tot consensus kunnen komen. Integendeel: alle menselijke redenering vindt plaats binnen een bestaand wereldbeeld, met reeds aangenomen vooronderstellingen (presuppositions). De kern van Van Tils gedachtegoed is eenvoudig en radicaal tegelijk: de vrees des HEEREN is niet slechts het begin van wijsheid (Spreuken 1:7), maar ook de voorwaarde voor elke vorm van geldige kennis. Zonder een persoonlijke, scheppende, openbarende God die orde en betekenis garandeert, vervalt de mens in epistemologische willekeur. Rationaliteit, moraal, logica — ze hebben allemaal wortels nodig die dieper reiken dan het autonome individu. En juist daar, in die wortels, openbaart zich de onvermijdelijkheid van het christelijk geloof.

Greg L. Bahnsen (1948–1995), Van Tils intellectuele erfgenaam, wist diens presuppositionalisme niet slechts te bewaren, maar te belichamen in het publieke debat. Zijn stijl was helder, zijn argumentatie bijtend precies. Bahnsens beroemd geworden debat met atheïst Gordon Stein toonde hoe het atheïsme, ironisch genoeg, steunt op categorieën die alleen betekenisvol zijn binnen een theïstisch universum. De wetmatigheid van logica, bijvoorbeeld, vereist een immateriële, universele en onveranderlijke grond — precies wat het naturalisme ontbeert. Bahnsen toonde dat wie God ontkent, tegelijkertijd steunt op het wereldbeeld dat hij verwerpt. Zijn apologetiek was niet louter defensief, maar offensief in de diepste zin: gericht op de blootlegging van wat men onbewust geleend heeft uit het huis van de waarheid, terwijl men pretendeert het verlaten te hebben. En dat alles niet als intellectuele sport, maar met het oog op wat werkelijk telt: de kennis van de waarheid, die vrijmaakt (Johannes 8:32).

Greg Bahnsen / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Wetenschap kan zichzelf niet funderen

Laat ons beginnen bij de notie van waarheid. De atheïst beroept zich vaak op empirische wetenschap als zijn gids tot kennis, alsof deze methode autonoom is — zelfvoorzienend, zuiver en ongebonden. Maar deze wetenschappelijke onderneming is slechts mogelijk onder de aanname dat de werkelijkheid begrijpelijk, ordelijk en consistent is. Dat roept de vraag op waarom een rationeel universum überhaupt zou bestaan, tenzij het is voortgebracht door een rationeel Wezen?

De Bijbel leert dat “alle dingen in Hem hun bestaan hebben” (Kolossenzen 1:17). Dit impliceert dat de voorspelbaarheid van natuurwetten, de uniformiteit van tijd en ruimte⬇️, en de betrouwbaarheid van ons redeneringsvermogen niet op zichzelf staande evidenties zijn, maar geschenken — afgeleid van Gods scheppende en onderhoudende karakter. Anders gezegd: wetenschap kan alleen bestaan in een wereld die door God gedragen wordt. Zonder dat fundament — zonder de Logos (Johannes 1:1), het Woord dat orde en samenhang geeft — zou ons denken geen houvast hebben. Logica, oorzaak en gevolg, wetten van de natuur: ze zouden nergens op steunen. Alles zou uiteenvallen in willekeur, in chaos, in een wereld waarin betekenis en consistentie verdwijnen.

➡️ De uniformiteit van tijd en ruimte houdt in dat natuurwetten overal en altijd hetzelfde werken — bijvoorbeeld dat zwaartekracht vandaag net zo functioneert als gisteren, en hier hetzelfde doet als in een ander land. Deze aanname is cruciaal voor wetenschap, maar zelf niet wetenschappelijk te bewijzen; het is een geloofsvooronderstelling.

Moraal zonder God verliest haar tanden

Wat te denken van moraliteit? De postmoderne mens beweegt zich graag binnen het comfortabele domein van moreel relativisme⬇️, totdat hij onrecht ziet — een oorlog, een misbruikzaak, een corrupte politicus. Dan schreeuwt zijn geweten. Maar als goed en kwaad slechts sociale constructen zijn, kunnen zulke oordelen geen normatieve kracht bezitten.

Het is ironisch: de atheïst die de Holocaust veroordeelt, leunt daarmee op het morele absolute dat hij formeel ontkent. Hij “leent kapitaal”, zoals Bahnsen het zou zeggen, uit een wereldbeeld dat hij tegelijkertijd probeert te ontmantelen. Die moraal voelt wel écht, maar is zonder God niet te verantwoorden. Dan blijft alleen over: smaak, voorkeur of machtsdynamiek. En zoals Dostojewski schreef: “Als God niet bestaat, is alles geoorloofd.” Met andere woorden, de morele verontwaardiging van de atheïst verraadt een hoger richtsnoer — één dat niet uit de mens zelf voortkomt.

➡️ Moreel relativisme is het idee dat goed en kwaad niet absoluut zijn, maar afhankelijk van persoonlijke mening, cultuur of tijdsgeest. Wat de één goed vindt, kan de ander fout vinden — en beide zouden dan even waar zijn. Er is dus geen vaste maatstaf buiten de mens zelf om. Dit klinkt misschien tolerant, maar ondergraaft tegelijk ieder stevig gesprek over recht of onrecht. Want als alles relatief is, verdwijnt uiteindelijk de basis om écht kwaad of onrecht te benoemen.

Dostojewski schreef: “Als God niet bestaat, is alles geoorloofd.” / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

De menselijke waardigheid is geen evolutionair bijproduct

Zelfs het alledaagse geloof in menselijke waardigheid — denk aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens — is doordrenkt met een theologisch residu. De overtuiging dat ieder mens waardevol is, onafhankelijk van zijn functie, afkomst of prestaties, komt niet voort uit Darwins natuurlijke selectie, maar uit Imago Dei — de leer dat de mens geschapen is naar Gods beeld (Genesis 1:27).

De seculiere mens wil de vruchten behouden, maar zaagt tegelijk de wortel door. De onmiskenbare waarde van de mens wordt zonder God een leugenachtige constructie, een soort opgepoetste illusie om de westerse beschaving een goed gevoel te geven. Maar wie het Bijbelse fundament afwijst, moet ook eerlijk durven toegeven dat menselijke waarde dan willekeurig wordt. Een bittere pil, nietwaar?

Geen beschuldiging, maar een uitnodiging

Dit is echter geen aanklacht. Het is een uitnodiging tot herwaardering. Het (h)erkennen van deze christelijke fundamenten betekent niet dat elke wetenschapper of ethicus een vrome gelovige moet zijn. Maar het vraagt wel om intellectuele eerlijkheid: als men redeneert, moreel oordeelt of waarheid zoekt, doet men dat in een universum dat reeds gegrond is in de Logos — het Woord dat bij God was en dat God is.

De wereld is geen neutraal terrein, maar heilig bezit. Zij die menen los te staan van religie, leven nochtans binnen een denkkader dat gevormd werd door het christendom. Niet toevallig, niet marginaal, maar wezenlijk. Die Luft zum Atmen, zou Bonhoeffer gezegd hebben.

Een knipoog tot besluit

Misschien denk je nu: ja maar… kunnen mensen dan helemaal niks goeds bedenken zonder God? Natuurlijk wel. Iedereen kan eerlijk zijn, liefde tonen of opkomen voor rechtvaardigheid — ook zonder gelovig te zijn. Maar de vraag is niet of mensen goed kunnen doen. De vraag is: waarom zou iets goed zijn? En voor wie geldt dat dan?

Want zonder iets of Iemand bóven de mens, wordt moraal uiteindelijk iets heel persoonlijks. Wat voor de één goed is, kan voor de ander slecht zijn. Denk maar aan discussies over abortus, euthanasie of vrijheid van meningsuiting. Wie beslist dan wat echt goed of kwaad is? De meerderheid? De wet? Het gevoel?

En dat wringt. Want tegelijk gebruiken we allemaal woorden als rechtvaardigheid, gelijkheid, liefde, waarheid — alsof die altijd en overal gelden. Maar zonder God zijn dat eigenlijk losse meningen zonder vaste bodem.

En precies dat is de knipoog. En precies dat is de knipoog. Want juist dat diepe verlangen naar wat écht goed, waar en rechtvaardig is, verraadt misschien wel iets. Het laat zien dat we diep vanbinnen op zoek zijn naar meer dan meningen of toevallige afspraken. We zoeken naar een vaste maatstaf. Naar een fundament dat groter is dan wijzelf. Naar de God die niet alleen zegt wat goed is — maar die zelf het goede ís.

“Er is een God-vormige leegte in het hart van elk mens, die niet gevuld kan worden door enig geschapen ding, maar alleen door God, de Schepper, bekendgemaakt door Jezus.”
— Blaise Pascal​

Schilderij van Blaise Pascal dat in 1691 gemaakt is door François II Quesnel voor Gérard Edelinck / Bron: Wikimedia Commons

Goed en kwaad zonder handleiding

Waarom morele verontwaardiging niet neutraal is – en waarom zelfs de meest seculiere activist op oude, Bijbelse grond loopt zonder het te beseffen

De morele reflex: een echo van Eden

Te midden van het rumoer van publieke debatten, activisme en maatschappelijke verontwaardiging, klinken de begrippen rechtvaardigheid, gelijkheid, menselijke waardigheid en morele plicht als vanzelfsprekende noties. De moderne mens hanteert ze met volle overtuiging – ja, zonder schroom en soms zelfs met een vurigheid die doet denken aan profetische ijver – en dat vaak zonder enige verwijzing naar transcendente gronden. Maar wie deze termen probeert te verankeren in een louter naturalistische wereldbeschouwing, zal al spoedig vastlopen in een moeras van relativisme. Want wat betekent het morele ‘moeten’ in een universum waarin geen hogere wil spreekt?

Als de mens niets meer is dan een toevallig geëvolueerd resultaat van biologische processen, is de ethiek dan niet per definitie een sociaal pragmatisch construct – een tijdelijke overeenkomst tussen zelfbewuste overlevers? De mens blijkt zich echter op een dieper niveau aangesproken te voelen. Er is, zelfs bij de uitgesproken atheist, een besef dat bepaalde daden werkelijk verwerpelijk zijn – niet slechts ongepast, maar intrinsiek fout. Zoals de profeet Micha al aangaf: “Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is…” (Micha 6:8). Met andere woorden: moraal is geopenbaard, niet bedacht.

Moraal zonder oorsprong is zwevend

Wanneer de seculier verontwaardigd reageert op racisme, uitbuiting of ecologische onverschilligheid — wat op zichzelf zowel begrijpelijk als moreel prijzenswaardig is — dringt zich onvermijdelijk de vraag op: welke uiteindelijke grond biedt zijn wereldbeeld voor deze morele oordelen? Waarom zou de ene cultuur, of zelfs het ene individu, gelijk hebben boven een ander? In de evolutieleer is geen plaats voor morele zeggingskracht; de natuur selecteert, maar oordeelt niet. Nature is red in tooth and claw⬇️, zoals Tennyson het ooit verwoordde.“ De natuurlijke wereld kent geen ‘rechtvaardigheid’ – enkel kracht en voortplanting.

Het idee dat ieder mens inherent waarde bezit, kan zonder een metafysisch fundament geen standhouden. Enkel binnen het bijbelse kader van Imago Dei – dat elke mens geschapen is naar Gods beeld (Genesis 1:27) – is universele menselijke waardigheid houdbaar. Zonder dat goddelijke referentiekader wordt moraliteit gereduceerd tot collectieve voorkeur. Het klinkt misschien hard, maar wie moraal losmaakt van haar Bron, ontdoet haar van autoriteit.

➡️Nature is red in tooth and claw” betekent dat de natuur hard, meedogenloos en gewelddadig kan zijn. Het verwijst naar het idee dat overleven vaak gepaard gaat met strijd, pijn en het verslinden van de zwakkeren. Geen romantisch plaatje, maar een rauw inkijkje in hoe de natuurlijke orde werkt

Alfred Tennyson, portret door P. Krämer / Bron: Wikimedia Commons

De publieke ruimte als seculier preekgestoelte

De hedendaagse cultuur is doordrenkt met morele oordelen. Van de talkshowtafel tot de protestmars; van X (voorheen: Twitter) tot televisie – iedereen heeft een visie op wat ‘goed’ en ‘fout’ is. Maar zodra men de vraag stelt: “Waarom precies is dit fout?”, raakt het discours al gauw in verlegenheid. Biologische overleving? Cultuur? Subjectieve empathie? Geen van deze antwoorden draagt de universele normatieve kracht waar men zich op beroept.

Wat opvalt, is dat de seculiere wereld graag de toon van het profetische overneemt, maar de Schrift achterwege laat. Alsof men wel wil preken, maar zonder de preekstoel. Het doet denken aan Friedrich Nietzsche, die reeds in de negentiende eeuw zag dat het “doden van God” niet zonder gevolgen zou blijven. Als God werkelijk dood is, dan is ook moraal slechts een machtsmiddel – en rest enkel de wil tot macht.⬇️

➡️Friedrich Nietzsche introduceerde het idee van de wil tot macht (Wille zur Macht) als de diepste drijfveer van de mens. Volgens Nietzsche draait het leven niet in de eerste plaats om overleven of moraal, maar om het uitstrekken naar kracht, invloed en zelfverwerkelijking. Goed en kwaad zijn daarin niet absoluut, maar ontstaan uit menselijke machtsverhoudingen. Wat vroeger als ‘goed’ gold, was vaak simpelweg wat de sterken oplegden aan de zwakken. In een wereld zonder God blijft volgens Nietzsche uiteindelijk vooral de wil tot macht over als motor achter menselijk handelen.

Friedrich Nietzsche in 1882 / Bron: Wikimedia Commons

De echo van een vergeten verhaal

Toch ervaren mensen hun morele overtuigingen zelden als willekeurig. De verontwaardiging over onrecht, het verlangen naar gerechtigheid, het mededogen met de kwetsbare – het voelt als méér dan gewoon een handige evolutionaire eigenschap. Het voelt… als waarheid. Als een roeping. En precies daarin ligt de apologetische kracht van het morele bewustzijn: het wijst voorbij zichzelf.

C.S. Lewis beschreef dit treffend in Mere Christianity. Hij merkte op dat, hoe hard mensen ook twisten over goed en kwaad, ze het nooit betwisten dat er überhaupt zoiets bestaat als goed en kwaad. Er is iets universeels aan onze verontwaardiging. Dat wijst op een objectieve morele orde – een wetgever. En die wetgever, zo stelt Paulus in Romeinen 2:15, heeft Zijn wet geschreven in de harten van mensen, zelfs van hen die Hem niet erkennen. Dat morele kompas, die reflex bij onrecht, is geen menselijke vinding – het is een echo van Eden.⬇️

➡️De uitdrukking echo van Eden verwijst naar het diepe, vaak onbewuste verlangen van de mens naar hoe het ooit bedoeld was: volmaakt, goed, heel. Zelfs in een gebroken wereld horen we daar nog flarden van — in ons verlangen naar liefde, vrede, schoonheid en recht. Het is alsof het paradijs, dat we verloren hebben, nog nazindert in ons hart. Die echo van Eden herinnert ons eraan dat we gemaakt zijn voor meer dan dit.

Morele kompas / Bron: Pixabay

Atheïsme leent, maar bouwt niet

De moderne mens is moreel bewogen — hij strijdt tegen onrecht, komt op voor de zwakke, verdedigt liefde, vrijheid en gelijkheid. En dat siert hem. Maar tegelijk wringt er iets. Want juist het seculiere wereldbeeld waarin God buitenspel is gezet, biedt geen fundament voor die moraal. Er is geen uiteindelijke reden waarom liefde beter zou zijn dan haat, of rechtvaardigheid beter dan willekeur — behalve persoonlijke voorkeur of culturele afspraak.

Toch gebruiken atheïsten en secularisten volop woorden als goed, kwaad, recht, waarheid en liefde. Dat kan — maar het zijn geleende woorden. Ze zijn geboren in een wereldbeeld dat rekent met een goede, rechtvaardige en persoonlijke God. Het is als iemand die bij het licht van een kaars een boek wil lezen, maar tegelijk volhoudt dat de kaars niet bestaat. Vroeg of laat dooft dan het licht. En wat overblijft, is duisternis — of de noodzaak om toch weer ergens een kaars op te steken.

Het christelijk geloof doet precies dat: het steekt het licht aan bij de Bron. Hier is moraal niet zomaar verzonnen, maar geworteld in het karakter van God zelf. Hier is rechtvaardigheid geen vrome wens, maar een belofte. En liefde geen chemische reactie, maar het wezen van God.

In Christus zien we dat recht en genade geen tegenpolen zijn, maar samenkomen aan het kruis. Daar wordt het kwaad niet ontkend of weggepraat, maar werkelijk overwonnen. En in de opstanding klinkt Gods ja over het leven. Gerechtigheid is in het christelijk geloof geen fragiele droom, maar een gegarandeerde toekomst: “En God zal alle tranen van hun ogen afwissen” (Openbaring 21:4). Dat is geen poëzie. Dat is belofte. Dat is houvast.

“En God zal alle tranen van hun ogen afwissen” (Openbaring 21:4) / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

De wetenschap die op geloof drijft

Waarom logica, natuurwetten en oorzaak-gevolg niet uit het niets kunnen komen – en hoe de atheïst de orde van God gebruikt om God te ontkennen.

Het geloof achter het labjasje

De moderne wetenschap baadt in een aura van neutraliteit en zelfverzekerde objectiviteit. Onderzoekers in steriele laboratoria, wiskundige formules op whiteboards, meetinstrumenten die met precisie hun bevindingen prijsgeven – het is een wereld waarin men zegt: “Wij geloven niet, wij weten.” Maar die zelfverzekerdheid, hoe indrukwekkend ook, rust op fundamenten die niet door wetenschap zelf worden geleverd. De ogenschijnlijke autonomie van de wetenschap blijkt bij nadere beschouwing een façade. Onder het gladde oppervlak schuilt een complex weefsel van metafysische aannames, die — bij gebrek aan een theïstisch fundament — in feite drijven op geleend geloof.

Elke wetenschappelijke onderneming begint met een aantal onbewijsbare aannames:

  • dat de werkelijkheid bestaat en kenbaar is;
  • dat de natuurwetten universeel en consistent zijn;
  • dat logica geldig is;
  • dat zintuiglijke waarneming toegang verschaft tot iets buiten het bewustzijn.

Deze aannames zijn niet herleidbaar tot observatie, noch experimenteel verifieerbaar. Ze worden, met een zekere vanzelfsprekendheid, aangenomen. Men gelooft erin. Of zoals de reformatorische theologie zou zeggen: men vertrekt vanuit een geloofspositie (fides quaerens intellectum — geloof dat het verstand zoekt, om Anselmus aan te halen). Alleen, in het geval van de atheïst is het een geloof zonder grond.

De atheïst als onbewuste theïst

Neem het vertrouwen in de uniformiteit van de natuur. Een chemicus die vandaag een stof tot 100°C verhit, verwacht met recht dat die morgen onder gelijke omstandigheden exact hetzelfde gedrag vertoont. Maar waarom? Wat garandeert dat de natuur zich morgen precies zo gedraagt als vandaag? Niet de wetenschap zelf, maar een geloofsaanname waarop zij stilzwijgend leunt. David Hume, de Schotse skepticus, onderkende dit al in de 18e eeuw: inductie is gebaseerd op het herhalen van patronen uit het verleden, maar biedt geen absolute garantie voor de toekomst. En toch leeft iedereen — gelovige en ongelovige — alsof die garantie wél bestaat. De christen beroept zich op een betrouwbare Schepper, die in Zijn voorzienigheid de orde bewaart (vgl. Hebreeën 1:3: “Hij draagt alle dingen door het woord van Zijn kracht”). De atheïst? Die vertrouwt op… een patroon. En noemt dat dan wetmatigheid.

Hier wringt de schoen: de wetenschapper die Gods bestaan ontkent, blijft gebruikmaken van de door God gestructureerde werkelijkheid. Hij beroept zich op logica, regelmaat, causaliteit — eigenschappen van een schepping die diep doordrenkt is van rationele orde. De atheïst staat, om het beeld van Van Til te gebruiken, op Gods erf, kijkt naar de vruchten van Gods boom, en zegt dan: “God is niet nodig.” Het is filosofisch inconsistent, want men gebruikt de bouwstenen van het theïstisch wereldbeeld om datzelfde wereldbeeld te ondermijnen.

David Hume, portret door Allan Ramsay, 1766 / Bron: Wikimedia Commons

Logica als geesteskind van de Logos

Ook de logica zelf — die onzichtbare structuur van redeneren die wetenschappers dagelijks gebruiken — is niet vanzelfsprekend. Ze is universeel, immaterieel en onveranderlijk. Maar hoe kan een materialistisch wereldbeeld ruimte bieden aan immateriële universele wetten? Een wereld die volgens naturalistische opvattingen bestaat uit louter atomen, energie en beweging biedt geen plaats aan abstracte concepten die overal en altijd gelden.

Voor de christen daarentegen is de logica geen vreemde eend in de bijt, maar een afspiegeling van Gods eigen denken. In Johannes 1:1 wordt Christus aangeduid als de Logos — het Woord dat bij God was en zelf God is. Deze term omvat meer dan taal: het verwijst ook naar rede, orde en het fundamentele beginsel van alle dingen. De wereld is begrijpelijk omdat zij voortkomt uit de Rede van God. Het rationele karakter van de schepping weerspiegelt de rationele aard van haar Maker. De mens, geschapen naar Zijn beeld, is daardoor in staat om die structuur te begrijpen en te benoemen.

Dat logica functioneert, is dus geen toeval, maar theologisch noodzakelijk. Zonder de Logos geen logica.

Het probleem van de vooraf uitgesloten conclusie

In het publieke discours wordt wetenschap vaak voorgesteld als waardenvrij — objectief, onbevooroordeeld, puur gericht op waarheid. Maar deze bewering is ten diepste illusoir. Elk onderzoek begint met een bepaald uitgangspunt, een vooringenomenheid die de interpretatie van de data stuurt. Een atheïstisch wereldbeeld sluit bij voorbaat het bovennatuurlijke uit, en verklaart vervolgens dat het niets bovennatuurlijks heeft aangetroffen. De redenering is cirkelvormig.

De Britse bioloog Richard Lewontin gaf dit ooit treffend toe: “We nemen het materialisme aan niet omdat de wetenschappelijke methode ons dat oplegt, maar vanwege onze voorafgaande verplichting aan materialistische verklaringen.” Hier wordt duidelijk: het is geen neutrale zoektocht naar waarheid, maar een zelfopgelegde beperking van het speelveld. De uitkomst ligt al besloten in de methode.

Wetenschap: een erfgenaam met geheugenverlies

Dat de moderne wetenschap historisch is ontstaan binnen een christelijk referentiekader, wordt vaak vergeten — of erger: verzwegen. Figuren als Newton, Pascal, Boyle, Kepler en Faraday waren niet slechts gelovig uit gewoonte; hun geloof was de motor achter hun onderzoek. Zij verwachtten orde in de natuur omdat zij geloofden in een ordelijk God. Ze onderzochten de schepping niet om haar in plaats van God te aanbidden, maar om Zijn majesteit te herkennen in het werk van Zijn handen (Psalm 19:2: “De hemelen vertellen Gods eer”).

Wetenschap, in haar oorsprong, was een uitdrukking van aanbidding. En nu — eeuwen later — werkt zij nog altijd met dezelfde aannames, maar is zij allengs haar oorsprong vergeten. Het is een kind dat zich van zijn vader heeft afgekeerd, maar nog steeds leeft van diens erfenis.

Michael Faraday, ca. 1850 / Bron: Wikimedia Commons

Het onzichtbare fundament

De ironie is pijnlijk: wie zich beroept op ‘puur rationeel denken’ zonder God, zit in feite op de schouders van een christelijk wereldbeeld. Zonder God geen reden om te geloven dat het universum begrijpelijk is. Zonder God geen garantie dat logica werkt. Zonder God geen grond voor de uniformiteit van de natuur⬇️. En toch leeft men alsof die zekerheden vanzelf spreken.

De presuppositionalistische benadering houdt de atheïst daarmee een spiegel voor: je kunt geen wetenschap bedrijven zonder een God die de wereld heeft geordend en kenbaar heeft gemaakt. De hand die het gereedschap hanteert, rust op een fundament dat zij weigert te erkennen. En zo gebeurt het — dag in, dag uit — dat men het huis van de Rede binnengaat via een deur die men zelf niet heeft gebouwd.

➡️De uniformiteit van de natuur is het idee dat de natuurwetten overal en altijd hetzelfde blijven. We gaan er bijvoorbeeld vanuit dat water morgen nog steeds bij 100°C kookt, net als gisteren. Dit principe ligt aan de basis van wetenschappelijk onderzoek en technologie. We noemen het ook wel het inductieprincipe: op basis van herhaalde waarnemingen in het verleden trekken we conclusies voor de toekomst. Maar strikt genomen kunnen we dit niet bewijzen — we gaan er simpelweg van uit. Het is dus een geloofsaanname, zelfs in een wetenschappelijke context. Zonder dit uitgangspunt zou wetenschap onmogelijk worden, omdat experimenten dan geen voorspellende waarde meer zouden hebben. De grote vraag is dus: waar komt die betrouwbaarheid van de natuur eigenlijk vandaan, en waarom zou de toekomst lijken op het verleden?

De mens als maat van alle dingen?

Hoe menselijke waardigheid diep geworteld is in Genesis – en waarom er zonder Schepper geen poot is om op te staan.

Mensonterend? een woord vol theologie

Wanneer mensen spreken over onmenselijkheid — over het mishandelen van kinderen, het verdrinken van vluchtelingen die op een bootje Europa proberen te bereiken, of het vernederen van kwetsbaren — wordt al snel het woord “mensonterend” gebruikt. En terecht. Maar wie iets dieper graaft, stuit al gauw op een ongemakkelijke vraag: wat bedoelen we eigenlijk wanneer we zeggen dat iets ‘mensonterend’ is? En vooral: waarom is het mens-zijn dan zo waardevol, dat het onteren daarvan een morele aanklacht verdient?

In een wereldbeeld waarin God geen plaats heeft, rest ons weinig meer dan het biologische. De mens als complex biologisch organisme — een tijdelijk georganiseerde verzameling cellen, gevormd door miljarden jaren natuurlijke selectie. Maar als dat zo is, dan wordt menselijke waardigheid — hoe men het ook wendt of keert — gereduceerd tot een evolutionair bijproduct. En bijproducten, hoe ingenieus ook, dragen geen inherente waarde. Ze zijn nuttig zolang ze werken. Zodra dat nut vervaagt, verdampt hun bestaansrecht.

En toch, wanneer we geconfronteerd worden met diep onrecht, reageren we niet met koel pragmatisme. We schreeuwen vanbinnen. Iets in ons zegt: dit mag niet. Niet omdat het inefficiënt is, maar omdat het verkeerd is — fundamenteel verkeerd. Die overtuiging is opvallend… en theologisch veelzeggend.

Van wie is de mens?

In het seculiere discours hoort men vaak de stelling dat “mensenrechten universeel zijn.” Maar dat is, strikt genomen, een geloofsuitspraak. Want universele rechten vereisen een universele grond — een gezag dat boven cultuur, tijd en voorkeur uitstijgt. Als mensenrechten slechts voortkomen uit sociaal contract, zijn ze principieel herzienbaar. Wat vandaag ‘recht’ is, kan morgen worden ingetrokken. Net als een verkeersregel of een modevoorschrift.

Zonder transcendente ankergrond blijft er van moraliteit enkel consensus over — of erger: macht. En zodra een samenleving besluit dat een bepaalde groep mensen minder rechten heeft, is er in dat kader geen objectieve grond om hen te beschermen. Slavernij? Eugenetica? Apartheid? In een puur naturalistisch wereldbeeld zijn dat geen misdaden tegen de menselijkheid, maar sociale systemen die op dat moment ‘functioneerden’. De walging die zulke systemen oproepen, verraadt dus een morele intuïtie die de grenzen van het materialisme overstijgt.

Zonder hoger fundament zijn mensenrechten net als mode: tijdelijk, wisselend, en altijd vatbaar voor herziening / Bron: Advertentie. “Maassluische courant”. Maassluis, 25-06-1924, p. 4. Geraadpleegd op Delpher op 10-04-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMMAAS01:210222051:mpeg21:p00004

Het Bijbelse fundament: Imago Dei

Tegenover dit filosofisch drijfzand biedt de Schrift een robuuste en heldere visie: de mens is geschapen naar het beeld van God (Genesis 1:27). Imago Dei — het is een term die niet slechts poëtisch klinkt, maar existentiële diepte heeft. Het betekent dat ieder mens — ongeacht ras, geslacht, status, capaciteiten of levensfase — een weerspiegeling draagt van de Schepper zelf. Niet als symbool, maar als realiteit.

Deze fundamentele waarheid verklaart waarom we geraakt worden door lijden, waarom we spreken over gerechtigheid, en waarom liefde meer is dan chemie. Wáár een mens zich ook bevindt, wát hem of haar ook overkomt — de waardigheid blijft. Niet omdat de samenleving die toekent, maar omdat God die gaf. En wat God geeft, is geen subjectieve gemoedstoestand, maar een objectieve orde.

Imago Dei — elke mens draagt de afdruk van zijn Maker (Genesis 1:27) / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Atheïsme: moraal zonder metafysisch huis

Het is opmerkelijk hoeveel seculiere denkers zich met hart en ziel inzetten voor mensenrechten. Zij organiseren protesten, schrijven manifesten, lobbyen in parlementen — en dat verdient oprecht waardering. Maar zodra men de onderliggende filosofie onder de loep neemt, wringt het onvermijdelijk. Want als de mens niets meer is dan een geëvolueerd dier, en moraal uiteindelijk slechts het resultaat is van gedragingen die de overleving van de soort bevorderen, dan resteren mensenrechten als louter pragmatische constructie. Het ‘werkt’ — zolang het werkt. Maar zelfs dan blijft de vraag: so what? Wat maakt het moreel noodzakelijk om vast te houden aan iets dat slechts toevallig functioneert? Waarom zou efficiënt groepsgedrag ook moreel verplichtend zijn? Wat als morgen een andere sociale dynamiek effectiever blijkt? Waarom zou het voortbestaan van de mens, laat staan diens waardigheid, enig gewicht hebben in een doelloos universum?

Zonder verwijzing naar een hogere, objectieve bron — zonder Imago Dei (Genesis 1:27), zonder Schepper die zegt “Ik eis rechtvaardigheid” (Micha 6:8) — vervaagt moraal tot gebruiksvoorwerp. Dan blijft ethiek iets functioneels: handig, voorlopig, voor zolang het uitkomt. Maar een ethiek die alleen ‘werkt’ is fundamenteel iets anders dan een moraal die waar is.

Elke atheïst die werkelijk eerlijk nadenkt, moet het vroeg of laat erkennen: “Ik geloof in menselijke waardigheid, maar ik weet niet waarom.” Hij voelt het morele vuur branden — soms fel, soms pijnlijk scherp — maar heeft geen haard waarin het thuishoort. Dat is precies de tragiek van moreel bewustzijn zonder metafysische bedding: je wéét dat er licht is, je leeft ervan, je hebt het nodig — maar je kunt geen zon aanwijzen.

De mens als maat? een gevaarlijke illusie

De Griek Protagoras stelde: “De mens is de maat van alle dingen.” Dat klinkt zelfverzekerd, autonoom, modern bijna. Maar het roept onmiddellijk de vraag op: welke mens dan? De meerderheid? De elite? De technocraat? De staat? De geschiedenis leert dat, telkens wanneer de mens zélf de maatstaf wordt, de meest kwetsbaren de prijs betalen. Denk aan de vernietigingskampen van Nazi-Duitsland, de slavenmarkten van het kolonialisme, de stille ramp van abortus op verzoek.

De les is oud, maar wordt zelden geleerd: wie menselijke waarde wil bewaren, moet haar funderen in iets buiten de mens. In Iemand die hoger is dan cultuur, sterker dan de staat, ouder dan de tijd. De Schrift noemt deze Iemand de Schepper van hemel en aarde — en stelt dat Hij de mens heeft gekroond met heerlijkheid en eer (Psalm 8:6). Geen biologisch toeval, maar een koninklijk ontwerp.

Zonder God verdampt de menselijkheid

Hier raakt de presuppositionalistische analyse aan haar meest ongemakkelijke waarheid. Een wereldbeeld zonder God kan menselijke waardigheid niet verklaren, niet verantwoorden, niet funderen — slechts veronderstellen. Morele idealen blijven bestaan, maar hangen als het ware in de lucht: indrukwekkend in hun schoonheid, maar zonder wortels in de werkelijkheid. Het atheïstisch humanisme leeft noodgedwongen op geleend kapitaal. Het gebruikt de taal van de christelijke ethiek, maar heeft geen metafysische bankrekening waaruit het die waarden kan blijven betalen.

Het resultaat is wat men zou kunnen noemen: ethiek op krediet. Men beleeft liefde, rechtvaardigheid, barmhartigheid en menselijke waardigheid als onmisbaar — en terecht. Maar zonder de levende God, zonder Imago Dei (Genesis 1:27), zonder Schepper die deze dingen waar heeft verklaard, blijft moreel besef een toevallige bijwerking van evolutionaire processen, een handige illusie — zolang het werkt. Maar wat als het niet meer werkt? Wat als een andere machtsorde winstgevender blijkt? Wat als de cultuur verschuift?

Vroeg of laat komt dan de afrekening. Niet in getallen, niet in spreadsheets — maar in moreel failliet. Want hoewel veel atheïsten hun idealen met hartstocht verdedigen — gerechtigheid, medemenselijkheid, gelijkwaardigheid — kunnen zij niet verklaren waarom deze idealen noodzakelijkerwijs geldig zouden zijn in een koud, doelloos heelal. Het leeft boven zijn metafysische stand: de moraal is geleend, de taal is gestolen, de afzender zorgvuldig weggegumd. Men blijft dapper spreken over mensenrechten, maar doet dat — of men het wil of niet — met inkt uit de inktpot van het christendom.

Mensenrechten zonder God? Je kunt het proberen — maar je schrijft nog steeds met inkt uit de inktpot van het christendom. / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

De echo van het verlorene

Toch is er hoop. Want dat morele kompas, dat hartstochtelijke besef van wat juist is, is geen vergissing. Het is de echo van een stem die nog steeds spreekt. De Stem van de Ene die zei: “Laat Ons mensen maken naar Ons beeld.” (Genesis 1:26). En hoewel de mensheid gevallen is, is dat beeld niet vernietigd. Het is gebroken, vervormd misschien — maar niet verdwenen.

Daarom huilen we bij onrecht. Daarom hopen we op herstel. Daarom voelen we instinctief dat liefde, zorg en waardigheid niet optioneel zijn, maar noodzakelijk. We zijn, met alle gebreken, nog steeds dragers van iets goddelijks.

Rede, ratio en het mysterie van het brein

Kan een toevallig geëvolueerd brein betrouwbare kennis opleveren? En waarom denken zonder God een recept is voor verwarring.

Denken: een wonderlijk gegeven

Er is iets eigenaardigs — bijna sacraals — aan het feit dat wij überhaupt kunnen denken. Terwijl je deze zinnen leest, zetten miljarden neuronen hun elektrische dans voort, fluisterend in biochemische codes, razendsnel en ononderbroken. Gedachten ontstaan, worden gewogen, bekritiseerd, verbonden. En dat alles — hoe triviaal het soms ook lijkt — is diep mysterieus. Want denken is niet slechts hersenactiviteit; het is bewust denken. Het is zelfreflectie, redenering, twijfel, deductie — kortom: het is méér dan chemie.

Maar hier ontstaat een prangende vraag: hoe kunnen we vertrouwen op ons denken, als het — volgens de naturalistische visie — het toevallige product is van onpersoonlijke natuurkrachten? Is het redelijk om aan te nemen dat een proces dat nooit de waarheid als doel had, toch een waarheidproducerend instrument oplevert?

De denker in het toeval

Volgens het gangbare materialistisch-naturalisme zijn onze hersenen gevormd door mutaties en natuurlijke selectie. Niets werd ontworpen, alles ontstond. Maar dan rijst de vraag: waarom zou een systeem dat gericht is op overleving, geschikt zijn om waarheid te kennen? De waarheid is immers niet noodzakelijkerwijs bevorderlijk voor overleven. Een illusie die toevallig werkt, kan evolutionair efficiënter zijn dan een waar inzicht dat risico’s blootlegt.

Dit idee werd, ironisch genoeg, al geformuleerd door Darwin zelf, die schreef:

“Maar dan overvalt mij telkens weer de huiveringwekkende twijfel of de overtuigingen van het menselijk verstand — dat zich immers heeft ontwikkeld uit het verstand van lagere dieren — wel enige waarde hebben, of überhaupt betrouwbaar kunnen zijn. Zou iemand werkelijk vertrouwen stellen in de overtuigingen van het verstand van een aap, aangenomen dat zo’n verstand al overtuigingen kan hebben?”

(Charles Darwin, in een brief aan William Graham, 3 juli 1881)

Een gedachte-experiment in epistemologisch pessimisme. Als onze geest een toevalstreffer is, wat rechtvaardigt dan het vertrouwen in zijn uitkomsten?

Stel je voor: iemand vindt een rekenmachine in een sloot, legt hem aan het werk, en vertrouwt blindelings op de uitkomsten — zonder ooit te verifiëren of het ding juist functioneert. Zou je je belastingaangifte aan zo’n apparaat toevertrouwen?

Charles Darwin in 1869 / Bron: Wikimedia Commons

Ratio als afspiegeling van de Logos

Binnen het christelijk theïsme is de menselijke rede geen evolutionaire bijzaak, maar een noodzakelijk gevolg van het feit dat de mens is geschapen naar Gods beeld (Imago Dei). Zoals God zelf een redelijke, sprekende en relationele Persoon is, zo is ook de mens begiftigd met verstand, taal en een drang tot betekenis. Johannes 1:1 noemt Christus de Logos — het Woord, maar ook: de Rede. In Hem is de oorsprong van alle logica, orde en rationaliteit.

Vanuit dit perspectief is denken geen willekeurige hersenfunctie, maar een weerspiegeling van Gods wezen. Onze capaciteit tot logisch redeneren is niet toevallig, maar intentioneel. Niet willekeurig, maar doelbewust. En dat maakt denken tot een daad van vertrouwen — niet in onszelf, maar in Degene die denken mogelijk maakte.

Het wereldbeeld wringt

De atheïst beroept zich graag op de rede. Denken, analyseren, logisch argumenteren — het zijn de kroonjuwelen van het moderne secularisme. Maar precies daar ontstaat, bij nadere beschouwing, een ongemakkelijke spanning. Want binnen een wereldbeeld dat geen plaats heeft voor intentioneel ontwerp, geen persoonlijke Schepper kent, en de mens reduceert tot het toevallige product van blinde natuurkrachten, is rede eigenlijk een onverklaarbaar wonder. Waarom zou een brein dat louter gevormd is door evolutionaire overlevingsdruk — gericht op voortplanting, niet op waarheid — betrouwbare kennis opleveren? Wat garandeert dat de gedachten van een chemisch brein in een toevallig heelal ook werkelijk corresponderen met de werkelijkheid?

Het is een wereldbeeldcrisis in optima forma: men wil de vruchten van rede en logica plukken, maar heeft intussen de wortels doorgesneden. De atheïst vertrouwt op rede, maar zijn eigen ontstaansgeschiedenis verklaart niet waarom rede überhaupt zou werken. Presuppositionalistisch bezien is dit geen toevallige spanning — het is precies de achilleshiel van het naturalistische denken. De mens gebruikt de gaven van God — rede, taal, logica — maar weigert de Gever te erkennen. Hij betreedt het huis van het denken, gebruikt het meubilair, maakt dankbaar gebruik van het licht, maar beweert vervolgens dat het huis vanzelf uit het niets is ontstaan.

Het is denken met geleend gereedschap. Redeneren met kapitaal dat het eigen wereldbeeld niet kan leveren. Intellectueel leeft men op krediet — vaak briljant, vaak creatief, maar diep vanbinnen afhankelijk van de God die men officieel ontkent.

Denken als teken van de Denker

Wat als het vermogen om te denken juist getuigt van de Schepper? Wat als elk logisch verband, elke redenering die opgaat, elke ‘aha!’-ervaring een echo is van de God die zegt: “Kom toch, en laat ons samen een rechtsgeding voeren” (Jesaja 1:18)? De uitnodiging tot redelijkheid is geen menselijke uitvinding, maar een goddelijke oproep.

En hier ontstaat een diepere laag: wie werkelijk denkt, ontdekt allengs dat denken zelf een mysterie blijft zonder God. Het is niet slechts een functie van het brein, maar een reflectie van een groter ordenend principe. Niet iets wat uit chaos oprees, maar iets wat voortkomt uit de Logos, uit de Ordegever zelf.

De rationele rebel

Het probleem laat zich eenvoudig illustreren. Stel: een atheïst voert een kritisch betoog tegen het christelijk geloof. Zijn redenering is scherp, gestructureerd, logisch. Hij beroept zich op rede, op consistentie, op bewijsvoering. Maar juist daar, midden in zijn intellectuele aanval, rijst de onvermijdelijke vraag: waarom mag hij, binnen zijn eigen wereldbeeld, vertrouwen op de geldigheid van logica? Wat rechtvaardigt — in een universum zonder God, voortgekomen uit toeval en blinde materie — het bestaan van universele, immateriële en onveranderlijke wetten van denken?

Binnen het christelijk theïsme is deze grondslag niet alleen aanwezig, maar zelfs onmisbaar. In het hart van de christelijke openbaring klinkt immers het getuigenis van de Logos — het Woord, maar tegelijk: de Rede, de Structuur, het Principiële — door Wie en tot Wie alle dingen geschapen zijn (Johannes 1:1-3). Rationeel denken is daarom geen toevallig neveneffect van biologische evolutie, maar een afspiegeling van Gods eigen rationele natuur. Hij is niet slechts de oorzaak van het bestaan (causa efficiens), maar ook de grond van de orde en structuur ervan (causa formalis). Wat bestaat, bestaat niet alleen door Hem, maar ook in een door Hem geordend verband. Zoals Kolossenzen 1:17 zegt: “In Hem bestaat alles” — niet alleen fysiek, maar ook rationeel, moreel en metafysisch.

Maar in het atheïstisch-naturalistische model ontbreekt precies dit dragende kader. Daar is het universum doof, blind en onverschillig. Logische wetten bestaan dan niet als objectieve realiteiten, maar hoogstens als pragmatische afspraken: handige beschrijvingen van regelmaat, zolang die zich toevallig voordoet. In laatste instantie zijn zij niets meer dan patronen in een toevallig geëvolueerd brein — breinen die gevormd zijn, niet om waarheid te kennen, maar om te overleven. Rede wordt daar gereduceerd tot chemie. Logica tot gewoonte. Waarheid tot functionele illusie.

En toch — en precies daar wringt het — leeft en redeneert de atheïst alsof dat alles niet waar is. Hij spreekt, denkt, betoogt, weerlegt — alsof de werkelijkheid moet gehoorzamen aan universele structuren van consistentie en waarheid. Maar juist dát veronderstelt wat zijn wereldbeeld hem onthoudt: een objectief geordende, kenbare, rationeel gestructureerde werkelijkheid.

Dat is, klassiek presuppositionalistisch gezien, de onvermijdelijke ironie: men bestrijdt het theïsme met de wapens die alleen het theïsme kan leveren. Men leeft van de vruchten van Gods schepping, terwijl men de wortels weigert te erkennen. Zoals Cornelius Van Til het treffend formuleerde:

“In other words, the non-Christian needs the truth of the Christian religion in order to attack it. As a child needs to sit on the lap of its father in order to slap the father’s face, so the unbeliever, as a creature, needs God the Creator and providential controller of the universe in order to oppose this God. Without this God, the place on which he stands does not exist. He cannot stand in a vacuum.”
— Cornelius Van Til, Essays on Christian Education (Phillipsburg, NJ: Presbyterian and Reformed Publishing Company, 1979), 81.

Of in gewone woorden: de ongelovige kan God alleen bestrijden door te leven van alles wat God hem juist gegeven heeft. Zoals een kind op de schoot van zijn vader moet zitten om die vader in het gezicht te kunnen slaan, zo is ook de atheïst volledig afhankelijk van de God die hij ontkent. Zonder deze God bestaat zelfs de grond waarop hij staat niet. Niemand kan zweven in het luchtledige.

Wat resteert is — hoe men het ook wendt of keert — geloof. Niet uitgesproken in religieuze termen, maar geloof niettemin: vertrouwen dat denken werkt, dat logica geldt, dat waarheid bestaat. Presuppositionalistisch beschouwd is dat precies het punt van onthulling: de rationele rebel strijdt met geleende wapens. Rede zonder Schepper is gereedschap zonder gereedschapskist. Argumentatie zonder fundament. Het is — ten diepste — geloof zonder bron.

Cornelius Van Til (1895-1987) / Bron: Wikimedia Commons

De echo van het geweten

Over innerlijke aanklacht, moreel besef en waarom het geweten méér zegt dan biologie alleen toestaat.

Een innerlijke stem die zich niet laat negeren

Er zijn van die momenten — stil, scherp, onontkoombaar — waarop de mens, gewild of ongewild, oog in oog komt te staan met zichzelf. Een onrechtvaardig woord. Een laffe keuze. Een verborgen daad waarvan niemand weet, maar waarvan het hart des te luider getuigt. In zulke ogenblikken klinkt de stem van het geweten. Niet als een vriendelijk advies, maar als een stille aanklacht. Niet met geweld, maar met hardnekkigheid. Het is een stem die zich niet laat overschreeuwen, niet laat relativeren, niet laat wegredeneren — hoe vindingrijk het innerlijk zelfverweer ook is.

Deze ervaring is, hoe opmerkelijk ook, universeel. Ze houdt zich niet aan religieuze grenzen of spirituele voorkeuren. Ze openbaart zich bij atheïst én gelovige, bij cynicus én zoeker, bij moderne mens net zo goed als bij oude heilige. Zelfs wie elke gedachte aan het transcendente verwerpt, merkt vroeg of laat: schuld laat zich niet eenvoudig afschudden. Het geweten is, theologisch gezien, een intrigerend gegeven — want het spreekt, zelfs waar men de Spreker weigert te erkennen.

De seculiere verklaring wringt

Binnen een naturalistisch wereldbeeld probeert men het geweten te verklaren als een evolutionair mechanisme: een overblijfsel van groepsdynamiek, een biologisch waarschuwingssysteem dat sociale cohesie bevordert. Maar deze verklaring snijdt niet diep genoeg. Het geweten functioneert namelijk ook buiten de groep. Het spreekt niet alleen wanneer er sociale repercussies dreigen, maar juist wanneer niemand kijkt, niemand weet, niemand oordeelt.

Sterker nog, het geweten gaat in tegen het nuttige. Het dringt aan op het doen van het juiste — zelfs ten koste van veiligheid, status of gemak. Het lijkt zich niet te bekommeren om overlevingskansen, maar om waarheid. Dat is geen adaptief voordeel. Dat is moreel absolutisme. En dat roept de vraag op: waar komt deze normatieve kracht vandaan?

Romeinen 2 en de ingebouwde wet

De apostel Paulus biedt in zijn brief aan de Romeinen een indringend inzicht. Hij stelt dat de wet van God geschreven is in de harten van alle mensen, ook van hen die nooit Gods openbaring ontvangen hebben: “Zij tonen dat het werk van de wet geschreven is in hun hart, terwijl hun geweten mee getuigt en hun gedachten elkaar onderling beschuldigen of ook verontschuldigen” (Romeinen 2:15).

Het geweten is dus geen cultureel artefact, geen psychologisch product, maar een morele antenne die ons verbindt met een hogere orde. Het herinnert ons eraan dat we verantwoording verschuldigd zijn — niet slechts aan anderen, maar aan Iemand. Het is niet ons brein dat spreekt, maar onze ziel die resoneert met de Schepper.

Het schuldgevoel dat niet wil wijken

Neem het waargebeurde voorbeeld van een man die, decennia na het stelen van een simpele hamer, besluit deze terug te brengen. Hij werd nooit betrapt, niemand herinnerde zich het incident — behalve hijzelf. De schaamte verdween niet. Het schuldgevoel nestelde zich diep, als een onuitgewiste vlek op het binnenste doek van zijn ziel.

Waarom bleef dit wegen? Waarom zou een evolutionair gestuurd brein — primair gericht op zelfbehoud — zo langdurig worstelen met een daad die geen consequentie meer heeft? De enige zinnige verklaring is: omdat er meer is dan chemie. Omdat het geweten geen algoritme is, maar een echo van heiligheid.

Schaamte als verloren profeet

In een cultuur waarin zelfexpressie het hoogste goed is geworden, is schaamte taboe. Ze wordt gezien als schadelijk, onderdrukkend, achterhaald. Maar deze hedendaagse afkeer van schaamte verraadt een verkeerde diagnose. Schaamte is geen ziekte; ze is een symptoom. Ze wijst op een conflict tussen wie wij zijn en wie wij hadden moeten zijn. En dat is pijnlijk — maar ook noodzakelijk.

Schaamte herinnert ons aan het bestaan van goed. Zij is, paradoxaal genoeg, een teken van morele vitaliteit. Ze is als een rookmelder die, hoe hinderlijk ook, een brand signaleert die anders alles verteert. Wie geen schaamte meer kent, is niet vrij, maar afgestompt. Schaamte is — mits juist verstaan — genade.

Het atheïstisch tekort

Zonder God verliest het geweten zijn verankering. Men voelt zich schuldig, maar weet niet tegenover wie. Men verlangt naar vergeving, maar heeft geen adres om die op te vragen. Er is morele verwarring: men zoekt verlichting via therapie, via zelfacceptatie, via afleiding — maar het hart blijft onrustig. De ziel blijft kloppen aan een deur waarvan men het bestaan ontkent.

En dat is precies wat Augustinus bedoelde toen hij schreef: “Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.” Het geweten verlangt niet slechts naar opluchting, maar naar rechtvaardiging. Niet naar een excuus, maar naar een Rechter die tegelijk ook een Redder is.

“Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.” Augustinus / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Het kruis: de plek van reiniging

Binnen het christelijk wereldbeeld krijgt het geweten zijn rechtmatige plaats. Het beschuldigt terecht — want de mens heeft daadwerkelijk gezondigd. Maar het wijst niet slechts op schuld; het wijst, via de Schrift, op de oplossing. In Christus wordt niet alleen de overtreding erkend, maar ook weggedragen.

“Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen” (Hebreeën 9:14).

Geen verdringing. Geen verdoving. Geen zelfbedrog. Maar reiniging — werkelijk, radicaal, diepgaand. Niet het verbergen van schuld, maar het wegnemen ervan. Niet vluchten voor je geweten, maar vrijgemaakt worden om God te dienen. Hier geen leugen, maar waarheid. Hier geen kramp, maar genade. Hier geen slavernij, maar vrijheid.

Rembrandt: Christus aan het kruis / Bron: Wikimedia Commons

Zin zoeken in een betekenisloos universum

Over de paradox van de atheïst die betekenis verlangt in een wereld die, naar eigen zeggen, geen betekenis biedt.

Het onuitroeibare verlangen naar betekenis

Het menselijke verlangen naar zin en betekenis is zo fundamenteel, dat het zich laat vergelijken met de noodzaak van zuurstof voor de longen. Zelfs zij die zich nadrukkelijk positioneren als atheïst of naturalist — zij dus die formeel uitgaan van een universum zonder bedoeling, zonder persoonlijke oorsprong en zonder transcendente bestemming — blijken dit verlangen niet eenvoudig te kunnen afleggen. Integendeel: het manifesteert zich in hun zoeken, creëren en streven. Zij reizen, zij schrijven, zij bouwen, zij scheppen kunst, zij formuleren idealen, zij wijden zich aan activisme of wetenschap. Het menselijk bestaan wordt geleefd alsof het méér is dan een toevallige verzameling atomen in tijdelijke beweging. Alsof het doelgericht is. Alsof het ergens vandaan komt — en ergens heen moet.

Juist hier treedt een fundamentele spanning aan het licht. Binnen het atheïstisch-naturalistische raamwerk is betekenis per definitie subjectief. Het universum kent, in deze visie, geen stem; slechts beweging. Geen bedoeling; slechts causaliteit. Wat wij als ‘zin’ ervaren is, strikt genomen, niets anders dan een projectie van het menselijke brein — een evolutionair bijproduct dat ons gedrag richting geeft, maar zonder enig werkelijk referentiepunt buiten onszelf.

En toch blijft de vraag zich opdringen. Niet als een oppervlakkige nieuwsgierigheid, maar als een existentieel appel: waarom? Waarom ben ik hier? Waarom verlang ik naar wat mijn wereldbeeld mij ontzegt? Dat verlangen, hardnekkig en universeel, is op zichzelf reeds theologisch veelzeggend. Het functioneert als een echo — een schaduw van een oorspronkelijke stem. De mens leeft, onvermijdelijk, als pelgrim. Maar een kosmologie waarin geen oorsprong en geen bestemming bestaan, kan hem slechts laten dwalen. Geen route. Geen gids. Geen thuis.

Een oorsprong zonder bedoeling

Volgens de atheïstische interpretatie van het bestaan begon alles met niets. Of met iets, maar dan iets ongerichts, onpersoonlijks, zonder reden. Geen Logos (Woord), geen telos (doel), geen agapè (liefde). Een ontploffing zonder auteur, een geschiedenis zonder richting, een mensheid zonder plan. In dat kader is elk idee van levensdoel een evolutionaire illusie — handig wellicht, maar vals.

En toch blijft het verlangen. Men wil betekenis vinden, ook al zegt men met de mond dat er geen is. Dit noemt men met een term van Jean-Paul Sartre la nausée — de existentiële weerzin of walging die ontstaat wanneer men de leegheid van het bestaan aanvaardt, maar het gevoel niet kwijt kan dat het ergens om gáát. Een dissonantie tussen hoofd en hart.

Jean-Paul Sartre in 1965 / Bron: Wikimedia Commons

De absurde poging tot zelf-gecreëerde zin

Om dit innerlijk conflict te sussen, probeert men het anders te formuleren: “Je hoeft geen objectieve zin te ontvangen, je kunt zelf betekenis geven aan je leven.” Het klinkt nobel, maar bij nader inzien is het een vorm van metafysische zelfbedrog. Want betekenis is per definitie iets wat je ontvangt — niet iets wat je uit het niets tovert. Als het leven géén bedoeling heeft, dan is jouw subjectieve zingeving als een stempel op een mistbank. Het oogt stevig, maar lost op.

De Franse filosoof Albert Camus wees terecht op de absurditeit van dit menselijk pogen. Hij beschreef het leven als een mythische Sisyphus (of: Sisyphos) die eindeloos een steen de berg opduwt, slechts om hem telkens weer te zien terugrollen. En Camus’ ‘held’ kiest ervoor om zich daar toch in te verheugen. Maar dat is geen oplossing; dat is esthetisering van wanhoop.

Sisyphus (1548–49) by Titian, Prado Museum, Madrid, Spanje / Bron: Wikimedia Commons

Betekenis is per definitie ontvangen — niet gemaakt

In wezen is betekenis niet iets wat de mens autonoom kan produceren, maar iets wat hij ontvangt. Dat lijkt in eerste instantie misschien contra-intuïtief in een cultuur die individualiteit en zelfexpressie tot hoogste waarden heeft verheven. Toch is het filosofisch onvermijdelijk: betekenis veronderstelt altijd een referentie buiten jezelf.

Immers, zodra iemand zegt: “Ik geef mijn eigen leven betekenis”, rijst onmiddellijk de vraag: waaraan? Wat maakt die ‘betekenis’ werkelijk geldig, als zij volledig zelf-gegenereerd is? Zonder een referentiekader buiten de mens blijft elk zinsbegrip circulair: ik verklaar mijn bestaan zinvol, omdat ik dat zelf zo wens. Maar dat is precies wat betekenis onderscheidt van projectie of subjectief gevoel: ware betekenis komt van buitenaf, vanuit iets of Iemand die gezaghebbend genoeg is om betekenis te geven, niet slechts te verklaren.

Dit is waarom in het klassieke theïsme — en in het bijzonder binnen het christelijk geloof — betekenis nooit een puur menselijke constructie is, maar altijd geschenk. Imago Dei betekent: wij hebben waarde omdat wij het beeld dragen van Degene die ons gemaakt heeft (Genesis 1:27). Wij bestaan niet als autonome zelfdefinitie, maar als reflectie van God. Betekenis is dus relationeel: zij wortelt niet in het ik, maar in het Gij.

Binnen een naturalistisch wereldbeeld daarentegen ontbreekt precies deze externe ankerplaats. Daar rest slechts subjectieve betekenis — functioneel misschien, troostend wellicht, maar metafysisch leeg. Zoals de atheïst Jean-Paul Sartre het zelf — met bewonderenswaardige eerlijkheid — erkende: “Man is nothing else but what he makes of himself.” Maar als dat zo is, dan is ‘betekenis’ niets meer dan een spiegel in een gesloten kamer. Zonder venster. Zonder horizon.

In het christelijk denken daarentegen is betekenis een gave, geen constructie. Zij wordt niet bedacht, maar ontvangen. Niet gecreëerd, maar ontdekt. Zoals Prediker het zo oudtestamentisch kernachtig zegt: “Hij heeft de eeuwigheid in hun hart gelegd” (Prediker 3:11). Wat de mens werkelijk zoekt, is niet zijn eigen stem, maar die van zijn Maker.

Het verdriet dat het wereldbeeld tegenspreekt

Een veelzeggende illustratie van de innerlijke spanning binnen het atheïstisch-naturalistische wereldbeeld betreft de confrontatie met existentieel verlies. Neem, ter illustratie, het voorbeeld van een uitgesproken atheïstisch denker die zich in zijn publieke optredens consequent beriep op een strikt materialistische visie op de werkelijkheid. Liefde, zo stelde hij, was niet meer dan een chemisch bijproduct van evolutionaire processen. Morele waarden waren, in zijn optiek, louter sociaal-culturele constructies, zonder objectieve grondslag of transcendente oorsprong. Intellectueel bezien was hij consistent: in een universum zonder God rest uiteindelijk slechts toeval, materie en overleving.

Maar het werd pijnlijk stil toen deze denker geconfronteerd werd met de dood van zijn moeder. Zijn verdriet bleek intens, rauw en diep menselijk. In interviews sprak hij — ongeremd en kwetsbaar — over leegte, gemis, de ervaring van onrecht en het verlangen naar betekenis. En toen hem werd gevraagd: “Waarom eigenlijk, als het leven per definitie zonder bedoeling of zin is?” — zweeg hij. Niet uit onwil, maar omdat de vraag de fundamentele breuklijn in zijn wereldbeeld blootlegde.

Want precies hier wordt zichtbaar wat de apologetiek al eeuwen benoemt: een wereldbeeld kan logisch consistent lijken, maar existentieel onhoudbaar blijken. Het verstand mag overtuigd zijn van nihilisme; het hart weigert mee te buigen. Er is een protest van binnenuit. Verdriet, liefde, trouw, gemis — het zijn ervaringen die weigeren zich te laten reduceren tot toevallige biochemie. Zij gedragen zich als getuigen van een werkelijkheid die het naturalisme niet kan bevatten. Zoals de Duitsers het treffend uitdrukken: Tränen lügen nicht — tranen liegen niet. Zij verraden wat het menselijk hart allang weet: de werkelijkheid is méér dan materie.

Tranen liegen niet / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Het geleende narratief

In praktijk leven velen alsof ze zich in een verhaal bevinden. Ze verlangen naar hoofdstukken met ontwikkeling, naar morele richting, naar een happy ending. Ze willen dat hun pijn iets oplevert, dat hun keuzes ertoe doen, dat hun liefde eeuwigheidswaarde heeft. Maar dat zijn geen categorieën van het atheïsme — dat zijn echo’s van het christelijke metaverhaal.

Het zijn in feite leningen uit een wereldbeeld dat men officieel heeft verlaten. Begrippen als roeping, hoop, goedheid en vergeving worden moeiteloos gebruikt, maar hun oorsprong — in de levende God — is buiten spel gezet. Men spreekt met woorden die ergens vandaan komen, maar weigert de Bron te erkennen. Zo ontstaat een fundamentele discrepantie: de rijkdom van het menselijke bestaan wordt beleefd alsof zij vanzelfsprekend is, terwijl het wereldbeeld dat men belijdt diezelfde rijkdom tot leegte reduceert. De levensstructuur waarin men zich beweegt — met liefde, betekenis, moraal en verantwoordelijkheid — past niet binnen de platgeslagen, gesloten werkelijkheid waarin uiteindelijk slechts atomen, tijd en toeval het laatste woord zouden hebben.

Het christelijke antwoord: geroepen tot zin

Daar tegenover staat het christelijke wereldbeeld, waarin zin niet verzonnen wordt, maar gegeven is. De Bijbel presenteert de mens niet als kosmisch ongeluk, maar als schepsel — gewild, geliefd, geroepen. De mens leeft niet in een gesloten kosmos, maar in een verhaal dat begint met schepping, gebroken wordt door zonde, en hersteld wordt door genade.

“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid” (Romeinen 11:36).

Binnen dat narratief krijgt het bestaan richting. Lijden krijgt gewicht, liefde krijgt eeuwigheidswaarde, sterven is geen afgrond maar doorgang. Zingeving is niet een vlucht voor de leegte, maar een resonantie met de werkelijkheid zoals die werkelijk is — doordrenkt van doel.

De ziel weet meer dan het hoofd wil toegeven

Wie niet kan leven met leegte, moet zich afvragen waarom. Waarom voelt zinloosheid ondraaglijk? Waarom verlang je naar een groter geheel, naar thuis, naar een bestemming? C.S. Lewis formuleerde het indringend:

“If I find in myself a desire which no experience in this world can satisfy, the most probable explanation is that I was made for another world.”

Dat verlangen is geen evolutionaire ruis. Het is, zoals Augustinus het zei, het hart dat rusteloos blijft totdat het rust vindt in God.

“If I find in myself a desire which no experience in this world can satisfy, the most probable explanation is that I was made for another world.” C.S. Lewis / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Liefde, trouw en vriendschap in een toevallig universum

Over waarom woorden als ‘liefde’ en ‘vertrouwen’ niet zomaar passen in een wereld zonder God.

Een woord dat we overal horen, maar zelden doorgronden

‘Liefde’ — wellicht het meest misbruikte én tegelijkertijd het meest verheerlijkte woord van onze tijd. We strooien ermee, overal en altijd. Het prijkt op koffiemokken en Instagram-profielen, in tattoos en popliedjes, als universele slogan of moreel excuus. En ja, in de gebroken stem van een stervende moeder of in de schuchtere woorden van een kind blijft het woord onverminderd indringend. Maar zelden — verbazingwekkend zelden — stellen wij de vraag die filosofisch het meest voor de hand ligt: wat bedoelen we eigenlijk wanneer wij “liefde” zeggen?

In het dagelijks spreken behandelen we liefde alsof zij vanzelf spreekt — alsof haar bestaansgrond geen verdere uitleg behoeft. Maar dat is een illusie. Zodra men liefde probeert te reduceren tot chemische reacties in een toevallig geëvolueerd brein — een kortstondige vonk in een schedel die ronddrijft op een toevallige planeet — wordt liefde niet verklaard, maar leeggehaald. Zij verschrompelt dan tot sentiment zonder substantie, tot een handige illusie in dienst van voortplanting of sociaal voordeel.

Maar dat is niet de liefde die mensen werkelijk kennen — de liefde die blijft, lijdt, vergeeft, wacht, trouwt, sterft. Juist deze liefde past niet in een wereldbeeld waarin het universum doof, blind en betekenisloos is. Zij verzet zich tegen reductie. Zij ademt iets onverwoestbaars. Iets dat niet van beneden komt, maar van boven.

Want zelfs in haar meest kwetsbare, gebroken aardse gestalte draagt liefde een weerbarstig aroma van transcendentie. Zij verwijst — altijd — weg van zichzelf. Zij laat zich ervaren, maar niet verklaren binnen het kader van toeval en materie.

In theologisch perspectief is dat volstrekt begrijpelijk. Liefde is geen toevallig neveneffect van evolutie, maar weerspiegeling van de God die haar in Zijn eigen wezen draagt. Niet voor niets getuigt 1 Johannes 4:8: “God is liefde.” Niet: God heeft liefde — maar: God is liefde. Liefde behoort tot Zijn eeuwige identiteit, in de levende gemeenschap van Vader, Zoon en Heilige Geest. Dáárom bestaat liefde. Dáárom is zij wezenlijk. Dáárom heeft zij gewicht.

Daarom is de diepste betekenis van liefde nooit in de liefde zelf te vinden, maar altijd in haar oorsprong. Liefde bestaat niet bij de gratie van ons gevoel of onze biologie. Zij leeft omdat zij geworteld is in God. Zij is geen toevallige trilling in een brein, maar de weerklank van een Stem. Geen menselijke projectie, maar een afdruk van Gods eigen hart. Geen chemisch bijproduct van evolutie, maar een gave — ontvangen genade uit de Bron die liefde is.

Liefde vraagt om oorsprong / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Chemische storm of goddelijk geschenk?

Binnen het atheïstisch-naturalistisch wereldbeeld wordt liefde doorgaans gereduceerd tot een biochemisch verschijnsel: een samenspel van hormonen, neurochemicaliën en evolutionair handige gedragingen, gericht op hechting en overleving. Oxytocine bevordert verbondenheid, serotonine beloont nabijheid, dopamine motiveert herhaling — en zo, zo beweert men, ontstaat wat wij liefde noemen.

Maar deze verklaring, hoe verfijnd ook, strandt zodra zij botst op de rauwe werkelijkheid van echte liefde.

Waarom blijft een echtgenoot met onvermoeibare toewijding zorgen voor zijn dementerende vrouw, die hem allang niet meer herkent? Waarom rouwt een ouder niet om verloren genetisch materiaal, maar om dit ene kind — uniek, onvervangbaar, geliefd? Waarom blijft een mens liefhebben wanneer het niets oplevert, niets teruggeeft, niets evolutionair ‘rendement’ heeft?

Juist in zulke liefde — de liefde die blijft zonder winst, lijdt zonder uitzicht, geeft zonder tegenprestatie — wordt zichtbaar wat het naturalisme niet verklaren kan: liefde vindt haar oorsprong niet in nut, maar in oorsprong. Niet in chemie, maar in de Schepper. Niet in overleving, maar in God, die Zelf liefde is (1 Johannes 4:8).

Dit soort liefde is geen uitzondering. Zij is overal. Zij ademt in duizenden alledaagse gebaren: zorg, trouw, opoffering, vergeving. Niet omdat het moet. Niet omdat het loont. Maar omdat liefde — echte liefde — terugwijst. Zij draagt de geur van een Ander.

Zoals de apostel Johannes het samenvat: “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad” (1 Johannes 4:19). Liefde bestaat uiteindelijk niet omdat het werkt, maar omdat zij geworteld is in God — de levende Bron van alle liefde, vóór er ooit een mens was om lief te hebben.

De stille rebellie van trouw

Trouw is, in de huidige tijdgeest van individualisme en tijdelijke contracten, bijna subversief geworden. In een cultuur die roept: “Kies wat goed voelt voor jou,” zegt trouw: “Ik kies voor jóu, ook als het zwaar wordt.” Het is een houding die niet zoekt naar ‘winst’, maar zichzelf wegcijfert ten bate van de ander. En dat is theologisch gezien geen toeval: trouw weerspiegelt de covenantele liefde van God — een liefde die standhoudt, zelfs wanneer de ander faalt (vgl. Hosea 3, waarin God Israël vergelijkt met een ontrouwe bruid, maar toch opnieuw tot zich neemt).

Wanneer iemand in liefde blijft, ondanks ziekte, onbegrip of verwerping, getuigt hij — soms zonder het zelf te beseffen — van Iemand die zo ook met ons omgaat. Elke daad van volhardende liefde is een miniatuurverkondiging van Gods genade.

Elke daad van volhardende liefde — liefde die blijft wanneer het moeilijk wordt, die vasthoudt waar alles schreeuwt om loslaten — weerspiegelt in het klein wat God in het groot heeft geopenbaard. Liefde die niet rekent, niet opgeeft, niet zichzelf zoekt, maar zichzelf geeft, ademt iets uit van Gods karakter. Want juist daarin schittert genade: trouw aan wie kwetsbaar is, vergeving aan wie tekortschiet, nabijheid aan wie niets verdient. In zulke liefde wordt, zonder woorden maar glashelder, iets zichtbaar van het hart van het Evangelie: “Want terwijl wij nog zondaars waren, is Christus voor ons gestorven” (Romeinen 5:8). Iedere menselijke liefde die blijft, waar zij had kunnen breken, predikt — in miniatuur — de grote genade van God.

“Elke daad van volhardende liefde is een miniatuurverkondiging van Gods genade.” (Martin Sulman) / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Vriendschap: meer dan sociaal gemak

Ware vriendschap laat zich niet reduceren tot gedeelde interesses of wederzijds voordeel. Zij wortelt dieper. Echte vriendschap is zielsverbondenheid — presentie zonder voorwaarden, trouw dwars door breuklijnen, nabijheid die blijft wanneer alle andere stemmen zwijgen. De Schrift spreekt opmerkelijk hoog over dit menselijke wonder. Christus Zelf verheft vriendschap tot de sfeer van openbaring wanneer Hij Zijn discipelen zegt: “Ik noem u niet meer slaven, maar vrienden” (Johannes 15:15). En de oude wijsheid van Spreuken vat het eenvoudig maar onvergetelijk samen: “Een vriend heeft te allen tijde lief” (Spreuken 17:17).

Toch schuurt hier het naturalistische wereldbeeld. Want laten we eerlijk zijn: als je puur materialistisch kijkt, is vriendschap niet meer dan slimme samenwerking. Een soort sociaal overlevingsmechanisme — handig om samen sterker te staan, veiliger te zijn, hulp te krijgen, te overleven. Maar zo beleef je vriendschap toch niet?

Als een vriend ’s avonds laat nog even langskomt omdat je wereld in puin ligt. Als hij blijft zitten terwijl jij niets meer weet te zeggen. Als hij je niet laat vallen — ook niet in je zwakte, je fouten, je rommel. Dan denk je geen seconde: “Ah, kijk, een evolutionair voordeel.”

Nee, dan proef je iets anders. Iets wat groter is dan tactiek of biologie. Dan voel je iets van trouw, van genade, van kennen én blijven. Van ontmaskeren én vasthouden. Van weten hoe je bent — en toch niet weggaan.

Dát is vriendschap in haar mooiste vorm. En ergens… is dat niet zomaar. Dat is een echo. Een glimp. Een spoor van het hart van God zelf.

Liefde als geleend licht

Wie God afwijst maar tegelijk vasthoudt aan liefde als hoogste waarde, leeft — vaak onbewust — op geleend licht. Hij benut moreel kapitaal dat zijn eigen wereldbeeld niet voortbrengt. Binnen het christelijk theïsme is liefde immers niet slechts een gevoel, noch een cultureel construct, maar een afstraling van Gods eigen wezen. “God is liefde” (1 Johannes 4:8) — dat is geen dichterlijke hyperbool, maar een ontologische stellingname: liefde is wat God in Zichzelf eeuwig ís, nog vóór er schepping, mens of relatie bestond. Zij is geen uitvinding binnen de tijd, maar een eeuwige realiteit binnen de Drie-ene God.

En precies daarom is liefde in het christelijk wereldbeeld méér dan sentiment. Zij heeft gewicht, bestaansrecht, waarheid. Zij komt niet uit de mens op, maar komt van boven (vgl. Jakobus 1:17). Zonder deze oorsprong vervluchtigt liefde tot biochemie — een toevallig samenspel van neuronen, oxytocine en evolutionair voordeel. In een strikt naturalistisch universum is liefde niet wezenlijker dan honger of dorst: nuttig, tijdelijk, functioneel.

Maar — en hier wordt de spanning voelbaar — niemand leeft alsof dat waar is. Niemand troost een stervend kind met de woorden: “Je hersenen geven nu prettige signaalstofjes vrij.” Niemand schrijft poëzie over dopamine. Niemand huilt bij het graf van een geliefde omdat genetische voortplanting is mislukt. Liefde wordt beleefd, gevierd en beleden als iets absoluuts — als iets dat verwijst, draagt, overstijgt.

Dat is het onuitgesproken conflict: men leeft uit het morele erfgoed van het christendom, terwijl men de Bron daarvan verwerpt. Men warmt zich aan licht dat men formeel niet erkent. Het is precies dat geleende licht — prachtig, onvermijdelijk, maar uiteindelijk onverklaarbaar zonder God.

Een illustratie: de weduwe en haar tweede kopje koffie

Een weduwe zet, tien jaar na het overlijden van haar man, nog altijd twee kopjes koffie. Eén voor zichzelf, één voor hem. Ze weet heus dat hij er niet meer is. En toch doet ze het. Elke ochtend. Is dat logisch? Evolutionair verstandig? Biochemisch verklaarbaar?

Nee. Maar het is liefde. En liefde, op haar diepst, laat zien dat we geschapen zijn voor méér dan efficiëntie of overleving. We zijn geschapen om lief te hebben, en daarmee — al is het in flarden — iets van Gods hart zichtbaar te maken.

Een weduwe zet, tien jaar na het overlijden van haar man, nog altijd twee kopjes koffie. Eén voor zichzelf, één voor hem. / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Het probleem van het kwaad – en de atheïstische worsteling

Waarom lijden een groter probleem vormt voor de atheïst dan voor de christen, en hoe elke klacht over onrecht onbedoeld getuigt van een absolute morele orde.

Het kwaad als existentieel scharnierpunt

Geen mens ontkomt eraan. Of het zich nu manifesteert als rauwe rouw, als stille wanhoop, als structureel onrecht of als brute willekeur — het kwaad dringt zich op. Ziekte, verlies, misbruik, oorlog, geestelijke duisternis: het komt op duizend manieren, maar altijd ongelegen. En telkens weer komt dan de vraag — oud als Job, scherp als een mes: “Als er een goede God is, waarom dan dit?”

Dat is geen onzinnige vraag. Het is een oprechte worsteling, geboren uit pijn. En wie de Bijbel serieus neemt, zal haar niet wegwuiven met oppervlakkige troost of goedkope theologie. Het lijden snijdt. En het mag uitgesproken worden. Denk aan de Psalmen, waar David zijn vuisten heft naar de hemel, of aan Christus zelf, die uitroept: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” (Psalm 22:2; Mattheüs 27:46).

Maar paradoxaal genoeg is diezelfde vraag – waarom is er kwaad? – alleen logisch als men al uitgaat van een morele standaard. En daarin zit het filosofische keerpunt: zonder een absolute maatstaf voor goed, valt het begrip ‘kwaad’ uiteen.

“Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” (Psalm 22:2; Mattheüs 27:46) / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Kwaad veronderstelt goed – en goed veronderstelt God

Wanneer iemand zegt: “Dit is onrechtvaardig,” impliceert hij dat er zoiets bestaat als gerechtigheid. Net zoals men geen kromming kan waarnemen zonder een rechte lijn als referentie, zo kan men geen kwaad benoemen zonder een normatief kader waarin ‘goed’ bestaat. En hier wringt het atheïstische wereldbeeld: als alles voortkomt uit ongerichte natuurkrachten, dan bestaan er geen objectieve morele normen. Dan zijn ‘goed’ en ‘kwaad’ slechts subjectieve voorkeuren, biologisch ingegeven of cultureel aangeleerd. Maar niemand leeft zo.

De diepe verontwaardiging die mensen voelen bij misbruik, uitbuiting of zinloos geweld verraadt een intuïtief besef dat er wél zoiets is als recht en onrecht. En dat morele besef past naadloos binnen het Bijbelse beeld van de mens als beelddrager van God, wiens wet geschreven is in het hart (Romeinen 2:15). De atheïst die zich oprecht boos maakt over het kwaad in de wereld, getuigt — zij het onbedoeld — van een realiteit die zijn wereldbeeld niet kan verklaren.

De woede van een atheïst is niet neutraal

Neem het aangrijpende voorbeeld van een vader die zijn kind verliest aan een agressieve ziekte. Zijn woede is begrijpelijk. Maar wanneer hij roept: “Als er een God is, dan is Hij een monster,” dan stelt hij impliciet dat God moreel tekortschiet — dat God had moeten ingrijpen. Maar waarom? Waarop baseert hij dat oordeel? Als het leven betekenisloos is, als alles slechts toeval en chemie is, waarom zou God — als Hij al zou bestaan — zich aan onze moraal moeten houden?

De waarheid is dat deze woede voortkomt uit een verborgen verwachting: dat het leven rechtvaardig zou móeten zijn, dat liefde duurzaam en betrouwbaar hoort te zijn, en dat het kwaad uiteindelijk niet mag triomferen. Maar precies deze verwachtingen zijn diep theologisch van aard. Ze verraden een verlangen naar een rechtzetting die dit leven overstijgt — een hunkering naar wat de Bijbel de ‘nieuwe hemel en nieuwe aarde’ noemt (Openbaring 21:1), waar God alle tranen afwist en gerechtigheid voorgoed zegeviert. Het zijn geen logische conclusies van atheïstisch naturalisme; het zijn echo’s van eschatologisch hoopdenken — verlangen naar een toekomst waarin God zelf recht doet.

Lijden zonder God is lijden zonder richting

In een naturalistisch wereldbeeld wordt lijden vaak gereduceerd tot een toevallige, zinloze samenloop van biologische en fysische processen. Het is een ‘defect’ in een onverschillig universum, zonder doel of betekenis. Maar deze visie botst met onze diepste intuïties. Niemand staat bij het graf van een geliefde en denkt: ‘Dit is slechts een thermodynamische gebeurtenis.’ Ons verdriet en onze verontwaardiging getuigen van een besef dat lijden meer is dan een biologisch ongemak; het voelt als een schending van iets dat goed en juist zou moeten zijn.

Presuppositionele apologeten, zoals Greg Bahnsen, stellen dat het bestaan van kwaad en lijden alleen begrijpelijk is binnen het kader van een moreel geordende werkelijkheid, zoals die wordt geboden door het christelijk theïsme. Bahnsen schrijft:

“Als de christen veronderstelt dat God volmaakt en volledig goed is… dan is hij verplicht alles binnen zijn ervaring te evalueren in het licht van die veronderstelling. Dienovereenkomstig, wanneer de christen kwade gebeurtenissen of dingen in de wereld waarneemt, kan en moet hij consistent blijven met zijn veronderstelling over Gods goedheid door nu af te leiden dat God een moreel goede reden heeft voor het bestaan van het kwaad.”
Greg Bahnsen, Always Ready, pp. 171–172.

Zonder het bestaan van een goede en soevereine God, ontbreekt er een ultieme maatstaf om lijden als ‘slecht’ of ‘onrechtvaardig’ te beoordelen. In een atheïstisch-naturalistisch universum is er geen objectieve basis voor morele oordelen; alles is uiteindelijk het resultaat van blinde natuurkrachten. Toch ervaren we lijden als iets dat niet zou moeten zijn, wat suggereert dat we intuïtief geloven in een hogere orde of bedoeling.

Deze ervaring van lijden wijst dus niet weg van God, maar juist naar Hem. Het roept de vraag op: waarom voelen we dat lijden onrechtvaardig is, als er geen hogere rechtvaardigheid bestaat? Het christelijk wereldbeeld biedt een kader waarin lijden betekenis krijgt, niet als zinloos ongeluk, maar als deel van een groter verhaal waarin God uiteindelijk recht en herstel brengt.

Het christelijke antwoord kijkt het kwaad recht aan

Wat het christelijk geloof uniek maakt, is dat het het kwaad noch ontkent, noch bagatelliseert. Het spiritualiseert het niet weg, noch beschouwt het als illusionair. Het stelt daarentegen dat het kwaad werkelijk is — een inbreuk op Gods goede schepping. Maar het gaat nog verder: het zegt dat God Zelf zich niet onttrekt aan dat kwaad, maar het in Christus is binnengestapt.

Het kruis is het hart van deze visie. Daar hangt de Zoon van God — gemarteld, verraden, vernederd. Niet als slachtoffer van zinloos geweld, maar als Degene die het kwaad draagt, om het uiteindelijk te vernietigen (vgl. Jesaja 53:5). In het kruis komt de rechtvaardige toorn van God samen met Zijn onpeilbare genade. Geen God die op afstand blijft, maar een God die lijdt, voor ons en met ons.

Atheïsme laat woede verdampen tot stof

Zonder God is het kwaad tragisch, maar betekenisloos. Woede wordt dan chemie, verdriet wordt data, hoop wordt illusie. Men kan protesteren, maar er is niemand tegen wie men werkelijk protesteert. Men kan roepen om recht, maar er is geen Rechter. Lijden wordt herleid tot fysica; tranen tot biologie.

Richard Dawkins, een van de bekendste pleitbezorgers van het atheïstisch-naturalistisch wereldbeeld, verwoordde dit messcherp — en tegelijk onthutsend koud — in River Out of Eden (1995):

“Het universum dat wij waarnemen heeft precies de eigenschappen die we zouden verwachten als er, in de kern, geen ontwerp, geen doel, geen kwaad en geen goed is, niets dan blinde, meedogenloze onverschilligheid.”

Dat is, met recht, de stille leegte van het atheïsme tegenover het kwaad. Geen antwoord. Geen rechtzetting. Geen uiteindelijke troost. Hooguit esthetisering: men noemt het “de tragiek van het mens-zijn,” maar weigert te erkennen dat deze tragiek slechts als tragisch aanvoelt omdat wij — diep vanbinnen — weten dat het anders zou moeten zijn. Omdat we, met Augustinus, heimwee dragen naar een verloren orde. Een orde die, theologisch gesproken, alleen kan bestaan als er Iemand is die goedheid werkelijk belichaamt en kwaad werkelijk oordeelt.

Richard Dawkins in 2010 / Bron: Wikimedia Commons

Met God: lijden als tussenstation

Het christendom minimaliseert de pijn niet, maar plaatst haar in een groter narratief. Het lijden heeft geen laatste zeggenschap. “En God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal er niet meer zijn…” (Openbaring 21:4). Er komt een dag van recht. Van herstel. Van nieuw begin.

Tot die dag blijft het kruis het kompas: het herinnert ons eraan dat God niet afwezig is in het lijden. Integendeel. Hij is erdoorheen gegaan. Voor ons. In Christus.

Wat blijft er over?

Wanneer het christelijke wereldbeeld wordt afgebroken, blijven er slechts echo’s over van de werkelijkheid die men heimelijk erkent.

De ontmanteling van het fundament

In de moderne, geseculariseerde cultuur ziet men vaak een merkwaardig fenomeen: morele overtuigingen, ethische idealen en diepgevoelde waarheidsclaims worden met grote stelligheid uitgesproken, terwijl de theologische en metafysische onderbouwing die deze claims mogelijk maakt, systematisch wordt verworpen. Wat overblijft is een reeks morele en existentiële categorieën die schijnbaar in de lucht hangen — indrukwekkend, maar ontheemd. Alsof men een huis bewondert waarin de draagmuren allengs zijn verwijderd, maar men zich verwondert dat het nog niet instort.

Dit probleem is geen karikatuur. Het is filosofisch tastbaar. Denk aan begrippen als “waarheid”, “liefde”, “gerechtigheid”, “menselijke waardigheid” — woorden die een enorme gewichtskracht dragen, maar in een naturalistisch wereldbeeld geen ontologische basis hebben. Ze bestaan dan slechts als subjectieve voorkeuren of evolutionair bruikbare illusies. Het gevolg is dat men leeft van wat een noëtische erfenis⬇️ genoemd kan worden: de intellectuele en morele kaders die men overhoudt na de verwerping van hun transcendente oorsprong.

➡️Noëtisch (afgeleid van het Griekse nous, νοῦς) betekent letterlijk betrekking hebbend op het denken of het verstand. Met noëtische erfenis bedoelt men de blijvende invloed van christelijke denkvormen en morele intuïties in een cultuur die formeel afscheid heeft genomen van God. Mensen denken, voelen en oordelen nog steeds alsof de wereld door God geschapen, zinvol en moreel gestructureerd is — ook wanneer hun eigen wereldbeeld daar feitelijk geen ruimte meer voor laat.

Morele ontlening en metafysische leegte

De moderne atheïst zegt wellicht: “Liefde is het hoogste goed.” Of: “Rechtvaardigheid is essentieel.” Maar zodra men doorvraagt, blijkt dat deze waarden in zijn wereldbeeld slechts pragmatisch zijn — evolutionair functioneel of sociaal geconditioneerd — en daarom in laatste instantie contingent⬇️. Er is niets dat universeel waarborgt dat “liefde” werkelijk te verkiezen is boven “dominantie”, of dat “rechtvaardigheid” meer is dan een tijdelijke voorkeur binnen een bepaalde cultuur.

Dat is het dilemma: een wereld zonder God kent geen uiteindelijke reden waarom liefde te verkiezen zou zijn boven zelfzucht, of waarom rechtvaardigheid intrinsiek beter zou zijn dan willekeur. Er is geen objectieve maatstaf die de ene voorkeur boven de andere stelt. Wat overblijft, is subjectief sentiment in een onverschillig universum.

Het is, met andere woorden, morele ontlening zonder metafysische grond. Men vraagt de boom vrucht te dragen nadat men zijn wortels heeft doorgesneden. Men eist de gloed van het vuur — terwijl men de haard heeft afgebroken.

➡️Contingent betekent: niet-noodzakelijk, oftewel afhankelijk, toevallig of anders denkbaar; iets dat bestaat, maar evengoed niet had kunnen bestaan.

Waarheid zonder Waarachtige?

De claim dat waarheid bestaat — dat sommige dingen werkelijk zo zijn, los van ons gevoel of voorkeur — is op zichzelf een ingrijpende metafysische stelling. Zij veronderstelt een wereld die rationeel gestructureerd is, én een menselijke geest die — althans in principe — betrouwbaar is in haar waarnemen, denken en redeneren. Maar precies deze twee pijlers — een geordend universum en cognitieve betrouwbaarheid — vergen méér dan louter natuurkunde en toeval. Zij vragen om een oorsprong waarin waarheid en rede niet toevallig zijn ontstaan, maar wezenlijk verankerd zijn. En dat is nu precies wat het christelijk theïsme — specifiek in haar trinitarische belijdenis — biedt: de mens als beelddrager van de Waarachtige God (Genesis 1:27), geschapen door de Logos zelf (Johannes 1:1-3).

Binnen het atheïstisch-naturalistische wereldbeeld daarentegen, dat de mens reduceert tot het product van blinde natuurprocessen, raakt juist dat vertrouwen in denken problematisch. Zoals de filosoof Thomas Nagel (zelf geen christen) het scherp verwoordt:

“De evolutionaire geschiedenis laat de autoriteit van de rede in een veel zwakkere positie achter. … Evolutionair naturalisme impliceert dat we geen van onze overtuigingen serieus zouden moeten nemen, inclusief het wetenschappelijke wereldbeeld waarop het evolutionair naturalisme zelf berust.”
— Thomas Nagel, Mind and Cosmos (2012)

Het probleem is niet dát de atheïst denkt, voelt of hoopt — het probleem is dat hij dat doet met middelen die zijn eigen wereldbeeld hem principieel niet kan verschaffen. Zijn denken leeft op geleend kapitaal. Zijn vertrouwen in logica, zijn morele intuïtie, zijn verlangen naar waarheid — het zijn stuk voor stuk gaven die slechts bestaan en functioneren binnen een werkelijkheid die gegrond is in een persoonlijke, rationele en sprekende God.

Maar juist die God — Vader, Zoon en Heilige Geest — wordt binnen het atheïstisch-naturalistische denken stelselmatig buitengesloten. Dat is niet zonder gevolgen. Want precies deze Drie-enige God vormt de noodzakelijke voorwaarde voor alles wat de mens in praktijk voor vanzelfsprekend houdt: waarheid, rationaliteit, gemeenschap, liefde. In God als Drie-enige — niet een kille monade, noch een onpersoonlijke energie, maar een eeuwige gemeenschap van Personen — bestaan liefde en communicatie niet als latere toevoegingen, maar als wezenlijke realiteit van het Zijn zelf. Hij is geen eenzame Almacht, maar van eeuwigheid de Vader die liefheeft, de Zoon die antwoordt, en de Geest die verbindt.

Daarom kan waarheid binnen het christelijk theïsme nooit gereduceerd worden tot toeval of menselijke projectie. Zij is geworteld in Gods eigen karakter — in Hem “bij wie geen verandering is of schaduw van omkeer” (Jakobus 1:17). Waarheid is uiteindelijk Persoonlijk: zij bestaat omdat God bestaat, zij spreekt omdat God spreekt, zij blijft omdat God is wie Hij is. Buiten Hem rest slechts epistemologisch drijfzand. Binnen Hem vindt waarheid haar anker, haar bedding, haar thuis.

Leven met geleende meubels

De mens die de christelijke God verwerpt, leeft opvallend vaak nog tussen de meubels van Zijn huis. Hij houdt van zijn kinderen. Hij hunkert naar gerechtigheid. Hij verlangt naar waarheid. Hij spreekt over liefde, waarde, vrijheid, vergeving — stuk voor stuk prachtige woorden, diep-menselijke idealen, krachtig en onmiskenbaar echt in de ervaring.

Maar die meubels staan daar niet vanzelf. Ze zijn niet neutraal. Ze behoren bij een huis, een Architect, een verhaal. Ze zijn ontworpen, niet toevallig ontstaan. Want begrippen als liefde, rechtvaardigheid of menselijke waardigheid zweven niet los door de kosmos als spontane producten van moleculaire botsingen. Ze veronderstellen Iemand — een Wetgever, een Ontwerper, een Schepper die het menselijke hart gevormd heeft en het universum doordrenkt heeft met zin, orde en schoonheid.

Haal je die Basis weg, sloop je de dragende muren, dan blijven de meubels nog even staan — herinneringen aan een ander huis, sporen van een ander verhaal — maar vroeg of laat beginnen ze te wankelen. Zonder de God van de Bijbel blijven moraal, schoonheid en betekenis decorstukken zonder draagbalk. Wat men liefheeft, wat men verdedigt, wat men koestert… dat alles behoort tot een theïstisch erfgoed. Men leeft — soms prachtig, soms heroïsch — in een huis waarvan men het fundament weigert te erkennen. Maar zoals elke bouwkundige weet: zonder fundament zakt vroeg of laat alles scheef.

Morele waarden zonder God zijn als meubels zonder vloer: herkenbaar in vorm, maar zonder fundament. Ze blijven even hangen — tot de zwaartekracht van de werkelijkheid haar werk doet. / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

De presuppositionele spiegel

Presuppositionalisme stelt dat elk wereldbeeld vertrekt vanuit bepaalde (vaak onbewuste) aannames (presupposities) die zelf niet bewezen kunnen worden, maar wel de voorwaarden vormen voor kennis, moraal en betekenis. De centrale bewering luidt: alleen het christelijke wereldbeeld biedt de noodzakelijke voorwaarden voor intelligibiliteit.

Met andere woorden: de reden dat iemand überhaupt kan zeggen “dit is waar” of “dit is verkeerd”, is omdat hij — al dan niet bewust — leeft vanuit aannames die passen bij het Bijbels-theïstisch kader.

Dat is geen arrogante claim, maar een uitnodiging tot eerlijkheid. Als je zegt: “Ik geloof in rechtvaardigheid”, vraag dan: waarom? Als je zegt: “Mensen zijn waardevol”, vraag dan: waar komt die waarde vandaan? Als je zegt: “Het leven moet zinvol zijn”, vraag dan: wie garandeert dat?

Terug naar de Architect

De Bijbel stelt dat het huis van de mens enkel blijft staan als het gebouwd is op de Rots (Mattheüs 7:24–27). Wanneer stormen komen — ziekte, verlies, onrecht, verwarring — blijkt waar je fundament ligt. En velen merken dan dat hun levenshuis gebouwd is op zand. Dat de muren wel staan, maar geen draagkracht hebben.

De uitnodiging is dan ook geen dreiging, maar een belofte. Een open deur. Christus zegt:

“Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden” (Openbaring 3:20).

En nu?

Misschien herken je de contouren van het huis waarin je leeft. Misschien merk je dat je zinnen spreekt die ten diepste geen thuis meer hebben in je overtuigingen. Misschien leef je met waarden die je hart beroeren, maar je verstand niet kan verantwoorden.

Dan is de vraag niet óf je gelooft, maar: past jouw geloof bij de wereld zoals ze is — en zoals jij haar ervaart?

Misschien is het tijd om terug te keren naar de Architect. Niet om alles opnieuw te verzinnen, maar om te ontdekken dat de Structuur nog steeds staat. Dat de Waarheid geen theorie is, maar een Persoon. En dat Zijn uitnodiging nog steeds klinkt:

“Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” (Mattheüs 11:28)

“Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” (Mattheüs 11:28 / Bron: Martin Sulman m.b.v. AI Drawing Image Generator

Reacties en ervaringen

Hieronder kun je reageren op dit artikel. Wij stellen reacties zeer op prijs. Reacties worden niet automatisch (direct) gepubliceerd. Dit gebeurt nadat ze door de redactie gelezen zijn. Dit om ‘spam’ of anderszins ongewenste c.q. ongepaste reacties eruit te filteren. Daar kunnen soms enige uren overheen gaan.