Is bewustzijn meer dan het brein? Bijbelse en filosofische kritiek op het reductionisme

Last Updated on 8 november 2025 by M.G. Sulman

In deze verhandeling staat Bart Klinks essay Dualisme, reductionisme en the hard problem of consciousness centraal. Zijn tekst vormt een uitgesproken pleidooi voor ontologisch reductionisme: de overtuiging dat bewustzijn niets anders is dan hersenactiviteit en dat het klassieke onderscheid tussen geest en lichaam op een misleidende intuïtie berust. In wat volgt wordt dat betoog zorgvuldig ontleed. Ik zal de filosofische structuur van Klinks redenering reconstrueren, de vooronderstellingen van zijn naturalisme expliciteren, de gevolgen voor kennis, identiteit en moraal doordenken, en ten slotte laten zien hoe een reformatorisch-presuppositioneel perspectief deze gesloten wereldvisie op haar grenzen terugwijst.

Illustratie van een menselijke hand die omhoog reikt naar een straal van licht tegen een sterrenhemel, symbool voor bewustzijn, rede en verlangen naar transcendentie.
Een mens die reikt naar het licht – beeld van het bewustzijn dat zoekt naar betekenis voorbij de materie. / Bron: Martin Sulman

Inhoud

Inleiding – het mysterie van het bewustzijn gereduceerd

Bart Klink opent zijn essay Dualisme, reductionisme en the hard problem of consciousness (2019) met een intrigerend contrast tussen de tastbare biologie van het brein en de ongrijpbare beleving van bewustzijn. Hij schrijft:

“De dieprode kleur van een roos, de bittere smaak van een glas bier, het prachtige kleurenspel van een zonsondergang en de tinteling op je arm van een koel briesje op een warme zomerdag.”

Deze reeks zintuiglijke beelden illustreert wat in de filosofie bekendstaat als qualia – de kwalitatieve, subjectieve aspecten van ervaring. Klink stelt dat deze qualia moeilijk te verenigen zijn met het fysische wereldbeeld van de neurowetenschappen, maar dat juist díe neurowetenschappen aantonen dat “de hersenen een belangrijke rol vervullen bij dergelijke ervaringen en al ons andere geestelijk leven (denken, herinneren, voelen enz.)”. Toch, zo vraagt hij, “hoe kan de elektrochemische communicatie tussen neuronen ervoor zorgen dat wij ervaringen hebben met een bepaalde kwaliteit, de qualia?”

Vanaf dit punt kiest Klink zijn positie resoluut. Tegenover elk dualisme – het idee dat er twee onderscheiden werkelijkheden zijn, geestelijk en stoffelijk – plaatst hij een uitgesproken reductionistisch fysicalisme. Zijn kernstelling luidt:

“Het bewustzijn is een breintoestand.”

En iets verder, in samenvattende vorm:

“The mind is what the brain does.”

Deze identiteit tussen geest en brein – in de traditie van de identiteitstheorie binnen de analytische filosofie – vormt het zwaartepunt van zijn betoog. Volgens Klink is elk beroep op een immateriële ziel, of zelfs een aparte ‘mentale eigenschap’, niet slechts onnodig maar wetenschappelijk steriel. Hij stelt dat het “substantiedualisme” – het klassieke idee dat geest en lichaam als twee substanties bestaan – “niet meer serieus genomen [wordt]” en dat “de moderne psychologie en neurowetenschappen deze volkspsychologie stukje bij beetje ontmanteld” hebben.

Met deze woorden voert hij een epistemologische verschuiving door: onze intuïtieve ervaring van innerlijkheid, de vanzelfsprekende scheiding tussen ik en mijn hersenen, is volgens hem niet een inzicht in de werkelijkheid, maar een evolutionair gevormde illusie. Daarmee verklaart Klink het klassieke hard problem of consciousness – de vraag waarom hersenactiviteit überhaupt gepaard gaat met bewustzijn – tot een schijnprobleem. Hij schrijft:

“Er is helemaal geen probleem, al lijkt dat wel zo. Het probleem is een illusie, gevoed door onze intuïtie en volkspsychologie.”

De stap is radicaal: wat eeuwenlang gold als het diepste mysterie van de menselijke ziel, wordt nu herleid tot een denkfout. De ervaring van innerlijkheid is volgens hem slechts een “user illusion”, een nuttige maar misleidende interface tussen brein en wereld, zoals Daniel Dennett het eerder omschreef.

Daniel Dennett met witte baard en bril tijdens een conferentie over wetenschap en bewustzijn in Venetië, 2006.
Filosoof Daniel Dennett tijdens de Second World Conference on the Future of Science in Venetië (2006), waar thema’s als bewustzijn, evolutie en vrije wil werden besproken. / Bron: Wikimedia Commons

Filosofische inzet

Klinks positie is niet louter een beschrijving van hersenprocessen; ze is een metafysische keuze. Hij beweert expliciet:

“Ontologisch reductionisme is vaak onderdeel van een breder fysicalisme (ook wel ‘naturalisme’ of ‘materialisme’ genoemd), het idee dat alles wat bestaat materie-energie in ruimte-tijd is en zich gedraagt volgens natuurwetten.”

Deze zin onthult de onderliggende Weltanschauung: de werkelijkheid is uitsluitend fysisch; wat niet in ruimte en tijd bestaat, bestaat eenvoudigweg niet. Daarmee verschuift de discussie over bewustzijn van een empirische naar een ontologische: niet de vraag hoe bewustzijn werkt, maar wat het is – en vooral, wat er überhaupt bestaat.

Klink concludeert dat dualisme, of het nu substantieel of eigenschap-dualisme is, “veel meer vragen en problemen oproept dan reductionisme, en reductionisme geen extra, niet-fysieke ontologie nodig heeft.” Bewustzijn is dus geen tweede werkelijkheid, geen vonk van een immateriële ziel, maar de dynamiek van neurale patronen.

De inzet van dit artikel

De analyse die volgt onderzoekt niet de empirische details van de neurowetenschap, maar de filosofische vooronderstellingen die Klink hanteert. Want zijn these – dat “de geest identiek is aan hersentoestand” – is geen uitkomst van meting, maar een vooraf aangenomen principe. De vraag is dus niet of Klink wetenschappelijk zorgvuldig redeneert (dat doet hij), maar of zijn uitgangspunt epistemisch houdbaar is.

Vanuit een presuppositioneel en reformatorisch perspectief zal ik laten zien dat Klinks fysicalisme niet de neutraliteit bezit die hij eraan toeschrijft. Zijn wereldbeeld veronderstelt reeds wat het wil bewijzen: dat er geen geestelijke werkelijkheid bestaat buiten de fysische orde. Daarmee verwordt zijn reductionisme tot een vorm van metafysisch naturalisme – een geloof in de zelfgenoegzaamheid van de materie.

In de volgende hoofdstukken zal blijken dat dit geloof niet empirisch bewezen, maar filosofisch gepostuleerd is. Het “hard problem” dat Klink illusoir acht, keert in een andere gedaante terug: niet als probleem van het bewustzijn, maar als probleem van de kennis zelf. Want wie zegt dat de geest slechts hersenactiviteit is, ontkent stilzwijgend het bestaan van het subject dat denkt, redeneert en gelooft. Daarmee snijdt het reductionisme in de wortel van zijn eigen rationaliteit.

Volgend hoofdstuk: De epistemische vooronderstelling van het reductionisme – over de vraag hoe Klink zijn naturalistische uitgangspunt zelf rechtvaardigt.

De epistemische vooronderstelling van het reductionisme

Bart Klink presenteert zijn fysicalisme als een nuchter gevolg van empirische vooruitgang. Hij schrijft:

“Dit ontologisch reductionisme is gemeengoed in de neurowetenschappen, impliciet of expliciet. Het is zo evident en empirisch goed onderbouwd dat dit het uitgangspunt vormt voor vrijwel al het moderne onderzoek naar bewustzijn, waarneming, cognitie, emoties, lichaamsbesef, besluitvorming, leren en ziektebeelden, maar ook onderzoek naar computersimulaties en kunstmatige intelligentie.”

Het woord uitgangspunt verraadt echter precies wat filosofisch op het spel staat. Want wat hier als conclusie klinkt, is in feite een axioma: de werkelijkheid is volledig fysiek; alles wat niet meetbaar is, behoort niet tot het domein van het reële. Klink maakt van een methodologisch principe – onderzoek de natuur alsof ze gesloten is – een ontologische stelling: de natuur is gesloten.

In zijn eigen woorden:

“Ontologisch reductionisme is vaak onderdeel van een breder fysicalisme (ook wel ‘naturalisme’ of ‘materialisme’ genoemd), het idee dat alles wat bestaat materie-energie in ruimte-tijd is en zich gedraagt volgens natuurwetten.”

Deze zin is cruciaal. Ze legt bloot dat Klink niet slechts een methode verdedigt (zoals methodologisch naturalisme doet), maar een wereldbeeld. En dat wereldbeeld is metafysisch – het stelt namelijk een uitspraak over het zijn zelf, niet over een manier van onderzoeken.

De epistemische cirkel

Het probleem van dit uitgangspunt is niet dat het onzinnig zou zijn, maar dat het zichzelf niet kan bewijzen zonder in een cirkel te belanden. De aanname dat alle kennis fysisch is moet zelf fysisch verklaard kunnen worden. Maar dat kan ze niet; het is een epistemologische vooronderstelling, geen empirische observatie.

Klink erkent impliciet dat het reductionisme geen bewijs is, maar een keuze. Hij schrijft namelijk:

“Wie dit niet inziet, is niet op de hoogte van de relevante literatuur.”

Een beroep op autoriteit vervangt hier de logische rechtvaardiging: wie de literatuur leest, zal reductionist worden. Toch is dat geen argument, maar een retorisch schild. Het veronderstelt dat kennis die niet past in het naturalistische raamwerk per definitie onwetend is.

Het presuppositionele punt is hier eenvoudig: de naturalist begint met wat hij wil aantonen. Hij neemt aan dat er enkel materie-energie bestaat, en concludeert dan dat bewustzijn niets anders kan zijn dan materie-energie. De cirkel is netjes gesloten, maar epistemisch ondeugdelijk.

De impliciete metafysica

Klink verklaart dat “bovennatuurlijke zaken als geesten, zielen, goden, demonen en een leven na de dood niet bestaan.” Deze uitspraak is niet empirisch, want er bestaat geen experiment dat dit kan bevestigen. Ze is metafysisch exclusief: een voorafgaande ontkenning van alles wat de fysica overstijgt.

Hier treedt een onderscheid op dat in de geschiedenis van de wetenschap vaak genegeerd wordt: de scheiding tussen methodologisch naturalisme (de praktische beperking van de wetenschap tot natuurlijke oorzaken) en ontologisch naturalisme (de filosofische bewering dat er enkel natuurlijke oorzaken bestaan). De eerste is een regel van onderzoek; de tweede is een geloofsartikel.

Wanneer Klink schrijft dat reductionisme “het uitgangspunt vormt voor vrijwel al het moderne onderzoek”, beschrijft hij een sociologisch feit – niet een metafysisch bewijs. Dat iets gebruikelijk is, betekent niet dat het waar is.

De cirkel van waarneming

De reformatorische traditie heeft dit probleem vroeg onderkend. Wie de werkelijkheid uitsluitend leest door de lens van de materie, zal in die werkelijkheid nooit iets anders aantreffen dan materie. Het is het oude principe van autonomie: de mens stelt zelf de grenzen van het kenbare vast.

De Schrift daarentegen begint elders: “In Uw licht zien wij het licht” (Psalm 36:10). Kennis is niet autonoom, maar afhankelijk. Vanuit dat perspectief is de geest geen bijproduct van hersenstof, maar een gegeven van Goddelijke schepping – een spiegel waarin kennis en betekenis mogelijk worden.

In epistemologische termen: het reductionisme berust op een zelfbevestigende hermeneutiek. Het verklaart bewustzijn als hersenactiviteit, maar doet dat via een brein dat zelf slechts hersenactiviteit zou zijn. De kenner en het gekende vallen samen in een gesloten fysische keten, waarin geen ruimte meer is voor waarheid, slechts voor causale beschrijving.

Illustratie van een man die door een lens kijkt waarin een netwerk van neuronen zichtbaar is, als symbool voor de manier waarop waarneming onze kennis van de werkelijkheid vormt.
De mens ziet de wereld door een eigen lens van vooronderstellingen. Wat men aanneemt als werkelijk, bepaalt wat men kan waarnemen. / Bron: Martin Sulman

De rationaliteit die zichzelf ondergraaft

Wie stelt dat denken louter het resultaat is van neuronale activiteit, moet erkennen dat ook zijn eigen redenering niet op waarheid gericht is, maar op causale noodzaak. In dat geval is een overtuiging niet waar of onwaar, maar slechts het eindpunt van een elektrochemisch proces. Klink lijkt zich van die implicatie niet bewust. Toch is dit precies de achilleshiel van het naturalisme: wie de rede tot biologie reduceert, maakt haar epistemisch ongeloofwaardig.

De filosoof Alvin Plantinga heeft dit uitgewerkt in zijn Evolutionary Argument Against Naturalism (1993). Als onze denkvermogens het product zijn van evolutie, gericht op overleving in plaats van waarheid, dan hebben we geen reden om die vermogens te vertrouwen. De stelling dat het naturalisme waar is, wordt dan zelf een toevallig neuraal bijverschijnsel, niet een rationeel inzicht. Rationaliteit, losgemaakt van haar transcendente oorsprong, ontmantelt zichzelf.

Klink komt hier terecht in iets zeer fundamenteels: een zelfondermijnende cirkel. Hij probeert de betrouwbaarheid van zijn verstand te funderen met een verstand dat volgens zijn eigen wereldbeeld niets meer is dan hersenstof. Het denken probeert zichzelf te dragen, terwijl het zijn eigen grond ontkent.

Filosoof Alvin Plantinga glimlachend tijdens een lezing over wetenschap en religie aan de Mayo Clinic in Rochester, Minnesota.
Alvin Plantinga tijdens een lezing over wetenschap en religie aan de Mayo Clinic (Rochester, Minnesota). Plantinga staat bekend om zijn Evolutionary Argument Against Naturalism, waarin hij betoogt dat wie naturalisme en evolutie combineert, tegelijk reden heeft om aan de betrouwbaarheid van zijn eigen denken te twijfelen. / Bron: Wikimedia Commons

Naar het metafysische fundament

Het is daarom niet voldoende om – zoals Klink doet – te zeggen dat dualisme “intuïtief plausibel” is maar empirisch onhoudbaar. Want ook reductionisme berust op intuïtie: de intuïtie dat alleen het meetbare bestaat. Deze keuze is niet empirisch te bewijzen; ze is een a priori geloofsbeslissing.

Wat zich hier openbaart, is geen abstract filosofisch raadsel, maar een concreet probleem van orde en oorsprong. Hoe kan het brein dat de werkelijkheid onderzoekt, zelf volledig door die werkelijkheid worden verklaard? Kan een systeem dat reflectie, logica en zelfbewustzijn voortbrengt, werkelijk herleid worden tot blinde materie zonder bedoeling of inzicht?

De kerkvader Augustinus zag daarin al een grens van de zelfverklaring. Zijn uitspraak si fallor, sum – “als ik mij vergis, besta ik” – maakt duidelijk dat zelfs de twijfel aan het eigen bestaan dat bestaan juist bevestigt. Dit inzicht, later door Descartes omgevormd tot cogito, ergo sum, toont dat bewustzijn geen afgeleide van de wereld is, maar haar voorwaarde. Wie het denken reduceert tot hersenstof, gebruikt het denken om zijn eigen verdwijning te bewijzen.

De volgende stap in deze analyse zal laten zien hoe Klink, door bewustzijn tot hersenfunctie te verklaren, niet slechts het geestelijke reduceert, maar ook de metafysische diepte van het mens-zijn afsluit.

Volgend hoofdstuk: De metafysische contradictie van het materialisme – over de vraag hoe een wereld van louter materie een subject kan voortbrengen dat over waarheid nadenkt.

Het vroegst bekende portret van Sint-Augustinus in een fresco uit de 6e eeuw.
Het vroegst bekende portret van Sint-Augustinus in een fresco uit de 6e eeuw, Lateranen, Rome / Bron: Wikimedia Commons

De metafysische contradictie van het materialisme

Klink noemt zijn positie “ontologisch reductionisme”, wat volgens hem betekent dat “het bewustzijn een breintoestand is” en dat “the mind is what the brain does.” De geest is dus geen zelfstandige werkelijkheid, maar de activiteit van materie; een fysisch proces zonder rest. Hij schrijft:

“Er is geen extra, niet-fysisch, ingrediënt nodig naast de werking van de relevante mechanismes, niet voor leven en niet voor bewustzijn.”

Met die zin ontneemt hij de geest haar ontologische eigenheid. Alles wat denken, voelen en willen is, wordt herleid tot elektrochemische causaliteit. Er blijft niets over dat waarheidsgericht, intentioneel of moreel zou zijn, doch enkel neuronale correlaties.

De paradox van het denken

Het opmerkelijke is dat dit materialisme zichzelf ondermijnt op het moment dat het over waarheid spreekt. Want als al het denken slechts het resultaat is van fysische processen, dan geldt dat óók voor de gedachte dat al het denken slechts fysisch is. De uitspraak bijt in haar eigen staart.

De Engelse filosoof C.S. Lewis zag dit scherp toen hij met zoveel woorden schreef dat een zuiver naturalistische redenering de tak afsnijdt waarop zij zelf rust:

“If the solar system was brought about by an accidental collision, then the appearance of organic life on this planet was also an accident, and the whole evolution of Man was an accident too. If so, then all our present thoughts are mere accidents — the accidental by-product of the movement of atoms. And this holds for the thoughts of the materialists and astronomers as well as for anyone else’s. But if their thoughts — i.e. of Materialism and Astronomy — are mere accidental by-products, why should we believe them to be true?” (Lewis, 1947, p. 27–28)

Als onze overtuigingen slechts voortkomen uit de wetmatigheid van neuronen, dan zijn ze niet waar of onwaar, maar enkel het resultaat van biochemische noodzaak. Kortom: als ons denken slechts een toevallig product van atomen is, dan geldt dat ook voor het naturalistische denken zelf en dan is er geen reden om dat te vertrouwen.

Klink lijkt deze implicatie niet te zien, maar hij bevestigt haar impliciet wanneer hij stelt dat de menselijke geest “een breintoestand” is. Een breintoestand kan immers waar noch onwaar zijn, enkel bestaan. Chemische reacties kennen geen logische geldigheid; ze zijn, zoals elke fysische gebeurtenis, indifferent aan waarheid.

Daarmee raakt het materialisme in een metafysische contradictie: het gebruikt redelijke argumentatie om te bewijzen dat redelijkheid niet meer is dan biochemische beweging. Wie dat volhoudt, heeft alle rede ontkend in de daad van het redeneren zelf. In zo’n wereld kan men rationaliteit nog wel gebruiken, maar niet langer rechtvaardigen – de rede verdampt in de causaliteit die haar moest verklaren.

Zwart-wit foto van C.S. Lewis in 1947.
C.S. Lewis in 1947 / Bron: Wikimedia Commons

Intentionaliteit en betekenis

Een tweede tegenspraak binnen het reductionisme ligt in het verschijnsel van intentionaliteit – het vermogen van gedachten om ergens over te gaan. Wanneer ik denk aan een appel, speelt zich in mijn brein iets af, maar de inhoud van die gedachte reikt voorbij het brein; zij verwijst naar iets buiten mijzelf. Dat vermogen tot verwijzen is uniek voor het mentale domein. Een gedachte heeft betekenis – neuronen niet. Hersenen functioneren, maar ze betekenen niets; zij zijn enkel toestanden in beweging.

De filosoof Thomas Nagel wees daar al op in zijn beroemde essay What is it like to be a bat? (1974). Klink bespreekt dat artikel, maar stelt dat Nagel slechts een epistemologisch verschil beschrijft – een verschil in perspectief, niet in wezen. Toch is juist dat onderscheid beslissend. Want intentionaliteit behoort niet tot de orde van het meetbare, maar tot die van het betekenende.

Een gedachte is niet identiek aan het neuron dat vuurt; zij betekent iets. En betekenis is geen natuurkracht, maar een relationele werkelijkheid tussen subject en object, tussen denken en datgene waarover gedacht wordt. Zodra men dit reduceert tot chemie, heeft men het begrip betekenis zelf ontbonden.

Thomas Nagel (Belgrado, 4 juli 1937)
Thomas Nagel (Belgrado, 4 juli 1937) / Bron: Wikimedia Commons

Het geestelijke als categorie van zin

Door te stellen dat bewustzijn niets anders is dan hersenactiviteit, verwisselt Klink de orde van zijn met de orde van betekenis. Hij schrijft letterlijk:

“De bewustzijnstoestanden zijn de neuronale activiteit en er is slechts een correlatie in perspectieven (eerste- versus derdepersoons). De beste verklaring voor de empirisch gevonden correlatie is identiteit, niet causaliteit.”

Maar identiteit tussen een eerste-persoonservaring en een derde-persoonobservatie is niet denkbaar zonder een overstijgende categorie die beide kan omvatten. Zodra we zeggen dat ervaring en hersenactiviteit “hetzelfde” zijn, gebruiken we reeds een begrip van gelijkheid dat niet zelf materieel is. De vergelijking veronderstelt een rationele orde buiten het brein; een logische structuur die het brein niet kan voortbrengen, maar slechts veronderstellen.

Hetzelfde geldt voor de waarheid van Klinks eigen stelling. Dat twee toestanden identiek zijn, is geen fysisch proces, maar een logische relatie. Logica behoort tot de orde van betekenis, niet tot die van materie. De logica waarin Klink redeneert, kan dus niet door zijn eigen stelling worden omvat, want zij is niet materieel; zij transcendeert het brein dat haar gebruikt.

Het probleem van de gesloten wereld

Klink verdedigt het principe van causale geslotenheid: alle gebeurtenissen hebben een fysische oorzaak en laten “geen ruimte voor niet-fysiek ingrijpen”. Hij noemt dit “geen aanname, maar de meest waarschijnlijke conclusie gezien onze beste wetenschappelijke kennis.”

Maar de conclusie dat alle oorzaken fysisch zijn, is zelf geen fysische conclusie; zij is een metafysische universaliteit. Ze wordt niet afgeleid uit experiment, maar uit het vertrouwen dat experimenten alles kunnen omvatten. Het is een geloof in de totaliteit van de fysica en daarmee een metafysisch geloof.

De christelijke traditie noemt dat de ontologische geslotenheid van de schepping: het idee dat de werkelijkheid uit zichzelf volstaat. Maar het Bijbels getuigenis spreekt van een open werkelijkheid, waarin de Schepper niet slechts oorzaak is, maar grond van zijn. “Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij” (Handelingen 17:28).

De reductie van persoon tot proces

De praktische implicaties van Klinks visie zijn verregaand. Als de mens niets meer is dan een hersenproces, verliest het begrip persoon zijn inhoud. Hij schrijft:

“Een lichaamloze geest kan niet bestaan, en dat maakt het bestaan van God ook onwaarschijnlijk.”

Daarmee is het niet slechts de ziel die verdwijnt, maar ook het idee van persoonlijkheid als zelfstandige realiteit. Bewustzijn is geen centrum van verantwoordelijkheid meer, maar een emergent bijverschijnsel van moleculaire activiteit. In die wereld kan men nog spreken over gedrag, maar niet meer over schuld of lof, waarheid of dwaling.

Het is ironisch dat Klink zijn artikel eindigt met de conclusie dat dualisme “intuïtief plausibel” is, maar wetenschappelijk “illusoir.” Hij schrijft letterlijk:

“Wie deze illusie doorziet, ziet ook dat Chalmers’ hard problem slechts een schijnprobleem is.”

Maar de illusie ligt niet in de intuïtie van de geest, doch in het geloof dat de materie zichzelf kan verklaren. Een gesloten universum kan zijn eigen betekenis niet dragen; de verklaring veronderstelt steeds iets buiten zichzelf.

De reformatorische correctie

De reformatorische filosofie, in het bijzonder die van Herman Dooyeweerd, heeft deze contradictie scherp blootgelegd. De materiële orde is niet het fundament van de werkelijkheid, maar één van haar aspecten. Het denken zelf behoort tot een andere modale sfeer; de logische, die slechts kan bestaan bij gratie van de scheppingsorde.

Het materialisme maakt van de menselijke geest een bijverschijnsel van stof, terwijl de Schrift zegt: “En de HEERE God formeerde de mens uit het stof der aarde, en blies de adem des levens in zijn neusgaten; alzo werd de mens tot een levende ziel” (Genesis 2:7). De mens is stof én adem en niet twee substanties naast elkaar, maar één eenheid in relatie tot God.

De man op de foto is Herman Dooyeweerd, een Nederlandse filosoof en hoogleraar in de rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Herman Dooyeweerd, rond 1930 / Bron: Wikimedia Commons

Conclusie

Klinks materialisme is op empirisch niveau bewonderenswaardig consequent, maar op metafysisch niveau fundamenteel incoherent. Zijn beschrijving van het brein is indrukwekkend in detail, maar blijft gevangen binnen het domein van het meetbare. Wat hij verklaart, is hoe hersenactiviteit zich voltrekt; wat hij niet verklaart, is waarom die activiteit überhaupt betekenis heeft – waarom elektrische prikkels kunnen leiden tot kennis, bedoeling en moreel bewustzijn.

De reductionistische logica reikt slechts tot de grens van correlatie. Zij toont dat brein en bewustzijn samen optreden, maar niet waarom het ene het andere is of betekent. Ze kan activiteit beschrijven, maar niet intentionaliteit; beweging, maar geen bedoeling; proces, maar geen persoon.

Daarin schuilt het metafysische tekort van het fysicalisme: het verwart het voertuig van ervaring met de grond van ervaring. Het brein is ongetwijfeld de noodzakelijke voorwaarde van denken, maar niet zijn oorsprong. Wie denken volledig tot biochemie reduceert, verklaart niet het denken – hij verklaart slechts dat er iets denkt.

Het fysicalisme kijkt zo in zijn eigen spiegelbeeld: het onderzoekt het bewustzijn met datzelfde bewustzijn en verklaart zichzelf tot natuurverschijnsel. Het denkt over denken alsof denken een chemisch proces is – en vergeet dat chemie niet kan denken. Waar het brein signalen produceert, ontspringt betekenis aan een ander beginsel, een orde die het brein niet veroorzaakt, maar waarin het participeert.

Volgend hoofdstuk: Het presuppositionele probleem van bewustzijn – over de vraag hoe elk wereldbeeld, ook het naturalistische, rust op een vooronderstelling die buiten het brein ligt: een geloofsgrond die niet wordt afgeleid uit de rede, maar haar überhaupt mogelijk maakt.

Het presuppositionele probleem van bewustzijn

Wanneer Bart Klink het bewustzijn definieert als “een breintoestand”, en verklaart dat “er geen extra, niet-fysisch ingrediënt nodig [is] naast de werking van de relevante mechanismes”, doet hij meer dan een wetenschappelijke hypothese formuleren. Hij spreekt een wereldbeschouwelijke geloofsbelijdenis uit. Zijn betoog rust op een fundamenteel axioma: dat de werkelijkheid in haar geheel fysisch is.

Maar juist dat uitgangspunt — dat alle zijns- en kennistoestanden tot de natuur behoren — is niet natuurwetenschappelijk toetsbaar. Het is een presuppositie, een grondveronderstelling die voorafgaat aan elke empirische observatie. Wie reductionist is, begint reeds met een metafysisch geloof in de zelfgenoegzaamheid van de materie.

De onzichtbare wortel van het weten

De presuppositionele analyse begint met een onderscheid dat eenvoudig lijkt, maar allesbepalend is: het verschil tussen methode en metafysica. De methode van de wetenschap mag best naturalistisch zijn – zij richt zich op waarneembare oorzaken binnen de natuur. Maar dat wil nog niet zeggen dat de werkelijkheid zelf uitsluitend natuur is. Zodra men, zoals Klink, deze methodische beperking verheft tot een metafysische waarheid, verandert wetenschap ongemerkt in een geloofsartikel.

Klink schrijft letterlijk:

“Bovennatuurlijke zaken als geesten, zielen, goden, demonen en een leven na de dood bestaan dus niet.”

Dat is geen uitkomst van experiment of meting, maar een metafysisch oordeel over het zijn zelf. Geen enkel instrument kan “God” of “ziel” meten of falsifiëren; het ontbreken van empirisch bewijs bewijst slechts dat deze werkelijkheid niet via empirische middelen te vangen is. Anders gezegd: de stilte van het laboratorium zegt niets over het bestaan van wat buiten het laboratorium ligt.

Vanuit presuppositioneel perspectief is dit wat men epistemisch absolutisme noemt: de overtuiging dat menselijke waarneming en inductie de maat van alle werkelijkheid zijn. Maar de mogelijkheid om überhaupt iets te kennen, vraagt om een fundament dat zelf niet materieel is. Logica, waarheid en betekenis zijn geen producten van de fysica; ze vormen de voorwaarden waardoor de fysica mogelijk is.

Wie logisch redeneert, veronderstelt al een rationele orde die niet uit hersenstof kan ontstaan. Wie waarheid zoekt, beroept zich op een norm die niet door toevallige biochemie kan worden verklaard. En wie betekenis ervaart, veronderstelt een werkelijkheid die meer is dan atomaire botsing.

De reformatorische filosoof Cornelius Van Til vatte dat kernachtig samen:

“The Christian position maintains that the possibility of reasoning itself presupposes the existence of the triune God.”
(Van Til, 2008, p. 102)

De mens denkt dus niet vanuit een gesloten systeem van stof en neuronen, maar binnen een scheppingsorde waarin rede en werkelijkheid samenvallen onder één bron: God zelf. In die orde is kennis mogelijk, omdat waarheid niet uit de mens komt, maar hem voorafgaat.

De persoon op de afbeelding is Cornelius Van Til (1895-1987), een Nederlands-Amerikaanse theoloog en filosoof.
Cornelius Van Til (1895-1987) / Bron: Wikimedia Commons

Het probleem van de redelijke orde

In Klinks naturalisme verschijnt een fundamentele paradox. De wetenschap veronderstelt een rationele orde, maar ontkent een rationele oorsprong. Men wil verklaren waarom het brein kan redeneren, terwijl men tegelijk stelt dat redeneren slechts een bijverschijnsel van hersenactiviteit is.

Wanneer Klink schrijft dat “het ontologisch reductionisme de beste verklaring biedt voor de gevonden correlaties”, gebruikt hij een norm van redelijkheid – “beste verklaring” – die zelf niet materieel is. Wat maakt een verklaring beter dan een andere? Niet haar gewicht, kleur of chemische samenstelling, maar haar logische coherentie en waarheidsaanspraak. Zulke criteria zijn niet fysisch, maar normatief; ze behoren tot de orde van geldigheid, niet tot die van oorzaak en gevolg.

Een fysisch proces kan echter geen norm volgen. Atomen gehoorzamen aan natuurwetten, niet aan logische wetten. De gedachte dat waarheid een bijproduct van moleculen zou zijn, is even absurd als beweren dat zwaartekracht moreel goed kan zijn.

Daarmee raakt het naturalisme in een innerlijke tegenspraak: het gebruikt rationele argumenten om een wereld te beschrijven waarin rationaliteit geen grond heeft. Zodra waarheid wordt herleid tot chemie, verdwijnt zij als waarheid. De rede kan zichzelf niet voortbrengen; zij veronderstelt een oorsprong die haar draagt.

De afhankelijkheid van de ratio

Vanuit reformatorisch perspectief is rationaliteit geen autonoom vermogen, maar een afgeleid licht. Zoals Psalm 36:10 zegt: “In Uw licht zien wij het licht.” Denken is slechts mogelijk omdat de werkelijkheid zelf rationeel geordend is; een orde die haar oorsprong vindt in een Schepper die Logos is (Johannes 1:1).

Dat is geen poëtisch beeld, maar een epistemologische noodzaak. De uniformiteit van de natuur, de betrouwbaarheid van waarneming, de consistentie van logische wetten: ze kunnen niet worden gerechtvaardigd binnen een gesloten naturalisme. Ze zijn de voorwaarden van kennis, niet haar producten.

Klink vertrouwt op deze orde, maar kan haar binnen zijn eigen kader niet funderen. Hij gebruikt rationele categorieën die zijn wereldbeeld principieel uitsluit. Dat is het presuppositionele probleem: de naturalist leeft van het kapitaal van een transcendente orde die hij ontkent.

Art-deco-stijl illustratie van Johannes 1:1, met geometrische gouden lijnen op een diepblauwe achtergrond en de tekst: “In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
Symbolische art-deco-interpretatie van Johannes 1:1. De geometrische harmonie en het goud-blauwe kleurenspel verwijzen naar de orde, eeuwigheid en majesteit van de Logos — het Woord dat bij God was en zelf God is. / Bron: Martin Sulman

Het subject als residu

Wanneer Klink schrijft dat “bewustzijn een hersentoestand is”, maakt hij van de persoon die denkt een object dat slechts reageert op chemische prikkels. De denker verdwijnt in zijn eigen hersenactiviteit; er blijft geen “ik” over dat ervaart of oordeelt. In zijn model is er wel causale continuïteit – elk hersenproces volgt logisch uit het vorige – maar geen intentionele gerichtheid, geen persoonlijk bewustzijn dat iets bedoelt of waarneemt.

Toch kan het naturalisme die ervaring van het subject-zijn niet wegverklaren zonder zichzelf tegen te spreken. Want elke uitspraak, ook de uitspraak dat “het zelf een illusie is”, wordt gedaan door iemand die spreekt, denkt en redeneert. De gedachte dat er geen “ik” bestaat, wordt uitgedrukt door een “ik” dat blijkbaar bestaat. Hier verschijnt de zelfreferentie van het bewustzijn: het kan zichzelf niet uitschakelen zonder zichzelf te bevestigen.

De kerkvader Augustinus bracht dit al onder woorden met zijn beroemde inzicht “Si fallor, sum” – “als ik mij vergis, besta ik.” Daarmee bedoelde hij: zelfs als ik alles verkeerd zie, blijft het een feit dat ik degene ben die zich vergist. Het bestaan van het bewustzijn bewijst zichzelf in de daad van het denken.

Dat is geen mystiek, maar een logische grens. Geen enkel systeem kan zijn eigen rationaliteit volledig verklaren. Een computer kan berekeningen uitvoeren, maar niet de betekenis van berekenen begrijpen; daarvoor is een waarnemer nodig die het proces overziet. Zo ook kan het brein de bewustzijnservaring niet volledig verklaren zonder dat bewustzijn al te gebruiken om over zichzelf te reflecteren.

Het bewustzijn is dus niet slechts een gevolg van hersenactiviteit, maar de voorwaarde waaronder hersenactiviteit betekenis krijgt. Het is het perspectief waarin waarneming, denken en willen samenkomen tot één centrum van ervaring: het ik. Het naturalisme, dat dit centrum tot een bijverschijnsel van chemie verklaart, behoudt zijn coherentie slechts door datzelfde “ik” voortdurend te gebruiken – het instrument dat het probeert te ontkennen.

De antithese van geloof en ongeloof

De reformatorische denktraditie noemt dit de antithese: er bestaat geen neutraal terrein tussen geloof en ongeloof, tussen openbaring en autonomie. Klink beweegt zich niet boven deze tegenstelling, maar erin. Zijn naturalisme is niet vrij van geloof; het is een ander geloof.

De Schrift zegt niet dat de mens onredelijk is, maar dat hij de waarheid “in ongerechtigheid ten onder houdt” (Romeinen 1:18). Dat wil zeggen: hij gebruikt het verstand, maar keert het weg van zijn oorsprong. Het resultaat is een Weltanschauung waarin de ratio zichzelf tot oorsprong verklaart; een intellectuele zelfschepping.

Van illusie naar oorsprong

Klink noemt het dualistische besef van geest en lichaam een “illusie, gevoed door onze intuïtie en volkspsychologie.” Maar als het bewustzijn zelf een illusie is, wie ervaart dan die illusie? Een illusie veronderstelt een waarnemer die zich vergist. Als dat subject niet werkelijk bestaat, verdwijnt ook de mogelijkheid om van illusie te spreken.

Het presuppositionele punt is dus eenvoudig: alle ontkenning van bewustzijn als zelfstandige werkelijkheid maakt bewustzijn ondenkbaar. Het naturalisme vernietigt het subject dat het nodig heeft om te redeneren.

Slot

Het reductionisme dat Klink verdedigt, is geen empirische waarheid, maar een metafysische keuze. Het rust op een geloof in de autonomie van de mens en de zelfgenoegzaamheid van de natuur. Maar die keuze ondergraaft de mogelijkheid van kennis, waarheid en zelfbewustzijn.

De christelijke epistemologie daarentegen erkent dat kennis geen zelfgemaakte constructie is, maar een gave: het schepsel kent, omdat het gekend wordt.

In het volgende hoofdstuk wordt duidelijk hoe Klinks wereldbeeld, dat de geest tot brein herleidt, onvermijdelijk uitmondt in een antropologische reductie: de mens als biologisch algoritme. Daarmee komt niet slechts de ziel, maar ook de persoon en zijn morele verantwoordelijkheid in het geding.

Volgend hoofdstuk: De mens zonder ziel – het verlies van identiteit en moraal in het neuroreductionisme.

De mens zonder ziel: het verlies van identiteit en moraal in het neuroreductionisme

Aan het einde van zijn betoog trekt Bart Klink de consequentie van zijn eigen stelling. Hij schrijft:

“Als een lichaamloze geest immers niet kan bestaan, maakt dit het bestaan van God ook onwaarschijnlijk.”

Die zin sluit zijn cirkel. Het naturalisme, dat begon als methode, eindigt als metafysica. Wat begon met de vraag hoe het brein bewustzijn voortbrengt, eindigt met de conclusie dat er niets bestaat buiten het brein. Daarmee is niet alleen de ziel verdwenen, maar ook God, en in hun spoor betekenis, verantwoordelijkheid en morele orde.

De mens als product

Klink stelt dat bewustzijn “een breintoestand” is, en dat de geest niets anders is dan “de activiteit van neuronen.” In zijn visie “produceert het brein de geest zoals de nier urine produceert.” Het is een vergelijking die, hoe provocerend ook, onthult hoe ver de mens in dit model is teruggebracht tot zijn biologie.

De theoloog of filosoof herkent hier de echo van het negentiende-eeuwse positivisme: de mens als mechanisme, het denken als hersenfunctie, de vrijheid als bijverschijnsel. De menselijke persoon — drager van identiteit en verantwoordelijkheid — verdampt tot een fenomeen binnen de natuur.

Maar een wereld die slechts fysisch is, kent geen persoonlijke relaties; ze kent enkel processen. Er is geen ‘ik’ meer dat liefheeft, gelooft of kiest; er is slechts activiteit in een netwerk.

Het verdwijnen van verantwoordelijkheid

Klink noemt het dualisme een “intuïtieve illusie” en reductionisme “de meest plausibele positie.” Maar als de mens slechts brein is, dan geldt dat ook voor zijn overtuigingen, morele keuzes en waarheidsclaims.

Als gedachten voortkomen uit elektrochemische noodzaak, dan is er geen onderscheid meer tussen waarheid en dwaling, tussen rechtvaardigheid en misdaad. Een neuronale ontlading is moreel neutraal. Het maakt geen onderscheid tussen ‘gij zult niet doden’ en ‘gij zult’.

De filosoof J.P. Moreland noemde dit de tragedie van het neuroreductionisme: zodra de mens zijn ziel verliest, verliest hij ook de basis van moraal. De noties van plicht, schuld en vergeving veronderstellen een persoonlijke geest die kan kennen en kiezen. Zonder die geest is elke morele uitspraak slechts biochemie met een morele toon.

Portret van J.P. Moreland, christelijk filosoof, bekend om zijn kritiek op reductionistisch materialisme en zijn verdediging van het dualisme van lichaam en ziel.
J.P. Moreland – Amerikaanse filosoof en theoloog, auteur van The Recalcitrant Imago Dei, bekend om zijn betoog dat bewustzijn en rationaliteit niet kunnen worden gereduceerd tot hersenactiviteit. / Bron: Wikimedia Commons

Identiteit zonder drager

Klink schrijft dat “de neurowetenschappen laten zien dat elke oorzaak een fysieke oorzaak is en de natuurwetten geen ruimte laten voor niet-fysiek ingrijpen.” Maar als de mens volledig opgaat in causaliteit, wat betekent het dan om dezelfde persoon te zijn?

Identiteit impliceert continuïteit van bewustzijn. De persoon die gisteren liefhad en vandaag spijt voelt, herkent zichzelf als dezelfde. Die zelfherkenning is geen neuronale correlatie, maar een narratief; een geestelijke samenhang die de tijd overbrugt. Het brein verandert voortdurend; de persoon blijft.

Het materialisme heeft daar geen categorie voor. Het verklaart gedrag, maar niet zelfbewustzijn als continuïteit. Als elk moment slechts een hersentoestand is, wie of wat overziet dan de reeks?

De Schrift biedt een ander antwoord. Zij spreekt van de mens als “ziel” (Hebreeuws nephesh), een levende eenheid van lichaam en adem. Niet twee gescheiden substanties, maar één bestaansvorm in relatie tot God. Wanneer dat verband wordt losgelaten, blijft slechts stof. “Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren” (Genesis 3:19).

De leegte van betekenis

Klink besluit dat dualisme “meer vragen oproept dan reductionisme.” Dat mag opgaan binnen de grenzen van experimentele eenvoud — het streven naar verklaringen met zo min mogelijk aannames — maar wetenschap is niet enkel een oefening in spaarzaamheid. De diepere vraag is niet welke theorie minder vragen stelt, maar welke meer van de werkelijkheid verklaart.

Het reductionisme is indrukwekkend in zijn verklaringskracht op het niveau van biologie en chemie: het kan de werking van neuronen beschrijven, de overdracht van signalen, het ontstaan van emoties in het brein. Maar het blijft steken zodra de vraag opduikt waarom de mens überhaupt vraagt. Het verklaart gedrag, maar niet betekenis; het kan de chemie van pijn ontleden, maar niet waarom lijden tragisch is.

De cognitiewetenschapper Stanislas Dehaene, een van de meest gezaghebbende onderzoekers naar bewustzijn, stelt dat David Chalmers’ zogenaamde hard problem — de vraag waarom hersenactiviteit gepaard gaat met subjectieve ervaring — uiteindelijk “zal verdwijnen zodra onze intuïtie is opgevoed door cognitieve neurowetenschap.” In zijn woorden: “Once our intuition is educated by cognitive neuroscience and computer simulations, Chalmers’s hard problem will evaporate.” (Dehaene, 2014, p. 262).

Dat klinkt als een nieuwe vorm van Verlichting: de mens moet leren zijn eigen innerlijk niet meer letterlijk te nemen. Bewustzijn wordt herleid tot illusie, moraal tot genetische aanpassing en liefde tot dopamine. Dit alles is de moderne catechismus van de neurofilosofie. Maar wat overblijft, is een universum waarin alles verklaard is, behalve de betekenis van de verklaring zelf. Daarmee bedoelen we dat het reductionistische wereldbeeld weliswaar alle mechanismen kan beschrijven — hoe iets werkt, waarom iets beweegt, welke chemische reacties eraan ten grondslag liggen — maar niet meer kan verklaren waarom die kennis ertoe doet of wat haar betekenis is.

Een zuiver naturalistische verklaring kan beschrijven hoe gedachten ontstaan, maar niet waarom waarheid verkieslijk is boven dwaling; hoe liefde ontstaat, maar niet waarom liefde goed is; hoe moraal functioneert, maar niet waarom iets moreel behoort te zijn. Met andere woorden: het reductionisme verklaart de voorwaarden van betekenis, maar niet de werkelijkheid van betekenis zelf. Het kan het licht van het bewustzijn analyseren, maar niet de reden waarom dat licht schijnt.

De Franse existentiefilosoof Gabriel Marcel sprak van een faim ontologique — een ontologische honger, “a thirst for being which nothing objective or technical can satisfy” (Marcel, 1950, p. 16). Het diep menselijke verlangen naar betekenis die niet in materie past. Wanneer die honger wordt genegeerd, rest slechts wat hij noemde “de wereld van het hebben”, waarin de mens zichzelf beschouwt als bezit, als functie, als product van chemie. Het reductionisme verlicht de wereld met kennis, maar dooft haar innerlijk licht.

Wat rest, is een mechanisch universum waarin de mens alles kan verklaren, behalve waarom hij die verklaring zoekt. Dat is niet enkel een tekort aan kennis, maar een verlies aan zin — een stille leegte in het hart van een verlicht brein.

Prins Bernhard schudt de hand van de Franse filosoof Gabriel Marcel tijdens een bijeenkomst in 1969.
Prins Bernhard begroet de Franse existentiefilosoof Gabriel Marcel op 27 oktober 1969 — een denker die het moderne materialisme bekritiseerde en sprak over de faim ontologique, de menselijke honger naar zin en betekenis. / Bron: Wikiemdia Commons

De reformatorische antropologie

De reformatorische theologie biedt een ander mensbeeld, niet dualistisch in Griekse zin, maar relationeel. De mens is geen geest die in een lichaam woont, maar een schepsel dat in zijn totaliteit geestelijk is, omdat hij voor God leeft. De ziel is geen los deel, maar de levensadem waarin lichaam en geest samenkomen.

Dat mensbeeld kan noch tot chemie, noch tot mechaniek worden herleid. Het verklaart waarom kennis, liefde, zonde en vergeving werkelijk zijn: omdat ze wortelen in een werkelijkheid die meer is dan materie; in een Persoon die “de Vader der geesten” genoemd wordt (Hebreeën 12:9).

Slotbeschouwing

Klink eindigt zijn artikel met de zin:

“De identiteitstheorie, die het bewustzijn ziet als een hersentoestand, blijft daarmee nog steeds de meest plausibele positie.”

Maar plausibel voor wie? Alleen voor wie de werkelijkheid reeds heeft beperkt tot wat we kunnen meten. De ziel is niet minder waar omdat ze onmeetbaar is; ze is juist de voorwaarde waaronder meten zinvol wordt.

Zodra de mens tot brein wordt gereduceerd, verdwijnt niet alleen God uit het beeld, maar ook de mens zelf. De homo sapiens blijft over — een denkend dier zonder betekenisvolle wereld. Wat Klink ‘plausibel’ noemt, is daarom in diepste zin onmenselijk: een theorie waarin de mens zijn eigen innerlijk ontkent.

Het volgende en laatste hoofdstuk onderzoekt hoe deze ontkenning van de geest niet slechts een antropologisch verlies betekent, maar ook een metafysische kortsluiting: een wereldbeeld dat de gronden van kennis, moraal en bestaan in zichzelf vernietigt.

Volgend hoofdstuk: De gesloten wereld en haar grens – waarom reductionisme zijn eigen rationaliteit ondergraaft.

De gesloten wereld en haar grens – waarom reductionisme zijn eigen rationaliteit ondergraaft

Aan het slot van zijn betoog verklaart Bart Klink dat the hard problem of consciousness — de vraag waarom hersenactiviteit gepaard gaat met ervaring — in feite een illusie is. Hij schrijft:

“Er is helemaal geen probleem, al lijkt dat wel zo. Het probleem is een illusie, gevoed door onze intuïtie en volkspsychologie.”

Bewustzijn, zo stelt hij, is geen raadsel maar een misvatting. Zodra de neurowetenschap onze intuïtie “heeft opgevoed”, zal het mysterie verdwijnen als ochtendmist in het licht van de zon. Hij citeert goedkeurend Stanislas Dehaene:

“Once our intuition is educated by cognitive neuroscience and computer simulations, Chalmers’s hard problem will evaporate.”

Maar de poging om de geest te ontmaskeren als illusie leidt tot een tegenspraak. Wie zegt dat het bewustzijn niet werkelijk is, moet zich eerst van dat bewustzijn bedienen om het te ontkennen.

De paradox van zelfopheffing

In zijn uiterste consequentie vernietigt het reductionisme zijn eigen fundament. Als denken louter chemische activiteit is, dan geldt dat ook voor de gedachte dat het zo is. Er resteert een kring van oorzaken zonder waarheid: het brein vuurt, maar kent niet. Rationaliteit wordt dan herleid tot biologie, en biologie tot chemie. Maar chemische processen kunnen niet waar of onwaar zijn; zij zijn slechts. De uitspraak “het bewustzijn is een illusie” is dan zelf niets meer dan een stroom impulsen zonder betekenis.

Zo ondermijnt het naturalisme de voorwaarde voor kennis: het zelfbewuste subject dat naar waarheid vraagt. De filosoof Alvin Plantinga werkte dit — zoals hierboven reeds opgemerkt — consequent uit in zijn Evolutionary Argument Against Naturalism (EAAN): als ons denken slechts is ontwikkeld om te overleven in plaats van om waarheid te kennen, hebben we geen reden om onze overtuigingen — inclusief het naturalisme — te vertrouwen.

De epistemische grens

Klink verwijt dualisten dat zij “meer vragen oproepen dan reductionisme”. Maar het aantal vragen bepaalt geen waarheid. De vraag is of reductionisme zijn eigen aannames kan rechtvaardigen.

De wetenschap berust op logica, causaliteit en de uniformiteit van natuurwetten. Dit zijn principes die niet uit de natuur zelf zijn af te leiden, maar haar vooronderstellen. Wie beweert dat denken hersenactiviteit is, gebruikt tegelijk logica om te bewijzen dat logica slechts hersenactiviteit is. Dat is als het afzagen van de tak waarop men zit: de rationalist ontkent in zijn daad van redeneren de grond waarop zijn redenering rust.

Illustratie van een man die op een dikke tak zit en juist de tak vlak bij de stam afzaagt, met geconcentreerde blik, als metafoor voor het ondermijnen van de eigen rationaliteit of overtuiging.
Symbolische illustratie van zelfondermijning: de mens die de tak afzaagt waarop hij zit — beeld voor het reductionisme dat de rede gebruikt om de rede zelf te ontkennen. / Bron: Martin Sulman

De vergeten transcendentie

De reformatorische wijsbegeerte herinnert eraan dat rationaliteit niet tegenover geloof staat, maar eruit voortvloeit. Rede is geen autonoom vermogen van de mens, maar een gave die wortelt in Gods scheppingsorde. Zoals Johannes schrijft: “In het begin was het Woord (Logos)” (Johannes 1:1). Het Griekse Logos betekent tegelijk ‘woord’, ‘rede’ en ‘orde’. De wereld is dus rationeel omdat zij ontspringt aan Rede zelf; zij is niet toevallig begrijpelijk, maar structureel verstaanbaar.

Het reductionisme daarentegen verklaart de werkelijkheid binnen een gesloten keten van oorzaken, zonder verwijzing naar een oorsprong buiten die keten. Alles is gevolg van iets anders, tot in het oneindige terug. Maar een reeks van afleidingen kan haar eigen grond niet dragen. Wie alles wil verklaren vanuit het systeem zelf, verklaart uiteindelijk niets; de verklaring implodeert in haar eigen geslotenheid.

De klassieke metafysica noemde de noodzakelijke oorsprong van al het zijnde het ens a se — het “zijnde uit zichzelf”. Dat is geen toevoeging aan de keten, maar haar voorwaarde. Zonder zo’n transcendente grond valt de werkelijkheid uiteen in louter gebeurtenissen zonder bestaansreden. Zoals een boek dat zichzelf zou willen schrijven, blijft het universum zonder Auteur een verzameling letters zonder zin.

De reformatorische denkers, van Calvijn tot Dooyeweerd, zagen hierin het verschil tussen autonomie en theonomie: de keuze tussen een wereld die zichzelf verklaart, of een wereld die verklaard wordt door haar Schepper. In dat licht is rationaliteit geen toeval, maar deelname aan Gods Logos; de orde die denken en bestaan mogelijk maakt.

De ontologische cirkel

Klink noemt dualisme een “intuïtieve illusie”, maar zijn eigen fysicalisme rust op een even intuïtieve overtuiging: dat alleen het meetbare werkelijk is. Die aanname kan echter niet empirisch worden bewezen. Het naturalisme kan zijn eigen uitgangspunt niet met zijn eigen methode staven.

Daarmee treedt op wat Cornelius Van Til “de ontologische cirkel van het ongeloof” noemde: men begint bij de autonomie van de rede en eindigt bij haar ontkenning. Men wil zonder God denken, maar kan dan niet meer verantwoorden waarom denken betrouwbaar zou zijn.

De gesloten wereld als geloofssysteem

Klinks wereldbeeld is geen neutrale beschrijving, maar een overtuigingssysteem met zijn eigen dogma’s: de zelfgenoegzaamheid van de natuur, de causaliteit van alle dingen, de uitsluiting van het bovennatuurlijke. Het is een seculiere geloofsbelijdenis met dezelfde absoluutheid die hij religie verwijt.

Wanneer hij stelt dat “bovennatuurlijke zaken als geesten, zielen, goden, demonen en een leven na de dood niet bestaan”, doet hij een uitspraak die even metafysisch is als “In den beginne schiep God de hemel en de aarde.” Alleen het voorwerp van geloof verschilt.

De reformatorische denker Herman Dooyeweerd wees erop dat elk denken rust op een grondmotief, een geloofsrichting die bepaalt hoe men de werkelijkheid interpreteert. Het naturalisme is dus geen uitkomst van wetenschap, maar haar vooronderstelling.

De mens in een gesloten universum

Wanneer Klink schrijft dat “stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren” (Gen. 3:19), gebruikt hij die tekst als bevestiging van zijn fysicalisme. Maar in de Schrift is dat juist het oordeel over de gevallen mens, niet zijn oorspronkelijke wezen. De mens werd stof door de zonde, maar is geschapen als beeld van God.

Het reductionisme verheft dat oordeel tot natuurwet. Zo verdwijnt de mens in de kosmos die hij zelf verklaart: geen beeld van God, maar stof dat denkt dat het denkt.

Toch blijft er in de mens iets onuitroeibaars: de dorst naar betekenis. Dat verlangen getuigt van een oorsprong die niet in het brein ligt, maar erbovenuit wijst; het besef van transcendentie dat zelfs in ongeloof blijft spreken.

Slotbeschouwing – de grens van de gesloten wereld

Klink besluit met de stelling dat de identiteitstheorie — het idee dat bewustzijn identiek is aan hersentoestand — “de meest plausibele positie” blijft. Maar plausibel binnen welk kader? Alleen binnen het universum dat hij zelf veronderstelt: een gesloten werkelijkheid zonder oorsprong buiten de natuur.

Zodra die cirkel wordt doorbroken, zodra men inziet dat waarheid, bewustzijn en moraal niet kunnen voortkomen uit blinde stof, blijkt het reductionisme een indrukwekkend bouwwerk, maar gebouwd op drijfzand. Wat logisch en wetenschappelijk sluitend lijkt, mist juist de grond die denken en waarheid mogelijk maakt.

De paradox is niet dat het te weinig verklaart, maar dat het te veel claimt. Het wil de geest begrijpen, maar moet haar ontkennen; het wil kennis verantwoorden, maar ontneemt de kenner zijn bestaansgrond.

De Schrift opent een ander perspectief: de werkelijkheid is geen gesloten keten van oorzaken, maar wordt gedragen door het Woord dat spreekt. Rede en bewustzijn zijn geen toevallige neveneffecten van materie, maar de afdruk van de Schepper in Zijn schepping.

Daarom is het bewustzijn geen illusie, maar een teken van verwantschap: de mens kan kennen omdat hij gekend is. Zoals Psalm 8 vraagt: “Wat is de mens, dat Gij aan hem denkt?” — een vraag die enkel zinvol is in een open universum, waarin denken zelf getuigt van de God die de mens tot denken schiep.

rt-deco illustratie van Psalm 8:5 met de tekst ‘Wat is de mens, dat Gij aan hem denkt?’ in geometrische goud- en bruintinten, met een denkende figuur onder een sterrenhemel en zonnestraal-motief.
Art-deco verbeelding van Psalm 8:5: een mens onder de sterrenhemel, peinzend over zijn kleinheid tegenover de majesteit van de Schepper. / Bron: Martin Sulman

Lees verder

Wie dieper wil graven in het bredere debat tussen geloof, rationaliteit en wetenschap, vindt verwante thema’s in verschillende achtergrondartikelen. In Wonderen onder de loep: getuigenis, wetenschap en geloof in gesprek wordt onderzocht hoe empirische methode en openbaring elkaar raken bij het spreken over wonderen. In De eenvoud van God en de orde van de wereld: waarom wetenschap niet zonder geloof kan wordt duidelijk dat wetmatigheid zelf om een Schepper veronderstelt. Het complementaire artikel Geloof en wetenschap: geen conflict maar harmonie laat zien hoe kennis en geloof niet botsen, maar elkaar dragen. Wie het Bijbels wereldbeeld historisch wil begrijpen, leest De Bijbel en de mythen: waarom Genesis geen echo van Babylon is, waarin het verschil tussen openbaring en mythe scherp wordt getoond. Het vertrouwen in de Schrift zelf komt aan bod in Waarom de Bijbel betrouwbaar blijft – ook al is zij door mensen geschreven, terwijl De grenzen van het naturalisme – en waarom wetenschap niet zonder vooronderstellingen kan de filosofische wortels van Klinks naturalisme blootlegt. Ten slotte vormt De vraag die creationisten ontwijken: geloof, waarheid en wetenschap een directe intellectuele achtergrond bij dit artikel, waarin dezelfde spanning tussen geloof en rationaliteit aan de orde komt.

Geraadpleegde bronnen

  • Augustinus. (1998). De civitate Dei (21e boek). Vert. red. (Origineel werk voltooid in 426 n.Chr.). Amsterdam University Press.

  • Bavinck, H. (1908). Gereformeerde dogmatiek (Vol. 2). Kampen: Kok.

  • Bear, M. F., Connors, B. W., & Paradiso, M. A. (2015). Neuroscience: Exploring the Brain (4e ed.). Philadelphia: Lippincott Williams & Wilkins.

  • Bechtel, W. (2012). Reducing psychology while maintaining its autonomy via mechanistic explanations. In M. Schouten & H. Looren de Jong (Eds.), The Matter of the Mind (pp. 172–197). Wiley-Blackwell.

  • Bennett, M. R., & Hacker, P. M. S. (2003). Philosophical Foundations of Neuroscience. Oxford: Blackwell.

  • Blackmore, S., & Troscianko, E. T. (2018). Consciousness: An Introduction (3e ed.). Abingdon: Routledge.

  • Bloom, P. (2005). Descartes’ Baby: How the Science of Child Development Explains What Makes Us Human. New York: Basic Books.

  • Bourget, D., & Chalmers, D. J. (2014). What do philosophers believe? Philosophical Studies, 170(3), 465–500.

  • Calvijn, J. (2009). Institutie van de Christelijke religie (vert. uit 1559-editie). Uitgeverij De Groot Goudriaan.

  • Carruthers, G., & Schier, E. (2017). Why are we still being hornswoggled? Topoi, 36(1), 67–79.

  • Carroll, S. B. (2016). The Big Picture: On the Origins of Life, Meaning, and the Universe Itself. New York: Dutton.

  • Chalmers, D. J. (1995). Facing up to the problem of consciousness. Journal of Consciousness Studies, 2(3), 200–219.

  • Chalmers, D. J. (1996). The Conscious Mind: In Search of a Fundamental Theory. New York: Oxford University Press.

  • Churchland, P. M. (2005). Cleansing science. Inquiry, 48(5), 464–477.

  • Churchland, P. M. (2013). Matter and Consciousness (3e ed.). Cambridge, MA: MIT Press.

  • Churchland, P. S. (2002). Brain-Wise: Studies in Neurophilosophy. Cambridge, MA: MIT Press.

  • De Regt, H., & Dooremalen, H. (2015). Het snapgevoel: Hoe de illusie van begrip ons denken gijzelt. Amsterdam: Boom.

  • Dehaene, S. (2014). Consciousness and the Brain: Deciphering How the Brain Codes Our Thoughts. New York: Penguin.

  • Dennett, D. C. (1996). Commentary on Chalmers’ “Facing Backwards on the Problem of Consciousness.” Journal of Consciousness Studies, 3(1), 4–6.

  • Dennett, D. C. (2007). Philosophy as naive anthropology. In M. R. Bennett et al. (Eds.), Neuroscience and Philosophy (pp. 73–94). Columbia University Press.

  • Dooremalen, H., de Regt, H., & Schouten, M. (2010). Stof tot denken: Filosofische aspecten van brein en bewustzijn. Amsterdam: Boom.

  • Dooyeweerd, H. (1953). A New Critique of Theoretical Thought (Vols. 1–4). Amsterdam: H.J. Paris / Presbyterian and Reformed Publishing.

  • Duch, W. (2017). Why minds cannot be received, but are created by brains. Scientia et Fides, 5(2), 171–198.

  • Fiala, B. J. (z.d.). Toward a debunking account of the explanatory gap. University of Arizona. 

  • Frankish, K. (2017). Illusionism as a Theory of Consciousness. Andrews UK Limited.

  • Gazzaniga, M. S. (2018). The Consciousness Instinct. New York: Farrar, Straus & Giroux.

  • Graziano, M. S. A. (2013). Consciousness and the Social Brain. Oxford: Oxford University Press.

  • Jackson, F. (1982). Epiphenomenal qualia. The Philosophical Quarterly, 32(127), 127–136.

  • Klink, B. (2007). Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. De Atheïst. http://www.deatheist.nl/downloads/StofZijtGij.pdf

  • Klink, B. (2019). Dualisme, reductionisme en the hard problem of consciousness [PDF]. De Atheïst. https://www.deatheist.nl/downloads/DualismeReductionismeHardProblem.pdf

  • Krakauer, J. W., Ghazanfar, A. A., Gomez-Marin, A., MacIver, M. A., & Poeppel, D. (2017). Neuroscience needs behavior: Correcting a reductionist bias. Neuron, 93(3), 480–490.

  • Levine, J. (1983). Materialism and qualia: The explanatory gap. Pacific Philosophical Quarterly, 64(4), 354–361.

  • Lewis, C. S. (2001). Miracles. New York: HarperOne.

  • Marcel, G. (1951). Le Mystère de l’être. Vol. I: Réflexion et mystère. Paris: Aubier.

  • Martin, M., & Augustine, K. (2015). The Myth of an Afterlife: The Case Against Life After Death. Lanham: Rowman & Littlefield.

  • Moreland, J. P. (2008). The Recalcitrant Imago Dei: Human Persons and the Failure of Naturalism. London: SCM Press / Wipf & Stock.

  • Moreland, J. P., & Craig, W. L. (2017). Philosophical Foundations for a Christian Worldview (2e ed.). Downers Grove, IL: InterVarsity Press.

  • Musolino, J. (2015). The Soul Fallacy: What Science Shows We Gain from Letting Go of Our Soul Beliefs. Amherst, NY: Prometheus Books.

  • Nagel, T. (1974). What is it like to be a bat? The Philosophical Review, 83(4), 435–450.

  • Newton, I. (1952). Opticks (Dover ed.). New York: Dover Publications.

  • Newton, I. (1999). The Principia (I. B. Cohen & A. Whitman, Trans.). Berkeley: University of California Press.

  • O’Connor, T., & Wong, H. Y. (2015). Emergent properties. In E. N. Zalta (Ed.), Stanford Encyclopedia of Philosophy. 

  • Papineau, D. (2002). Thinking About Consciousness. Oxford: Oxford University Press.

  • Papineau, D. (2011). What exactly is the explanatory gap? Philosophia, 39(1), 5–19.

  • Plantinga, A. (1993). Warrant and Proper Function. New York: Oxford University Press.

  • Plantinga, A. (1995). The evolutionary argument against naturalism. In Warrant and Proper Function (pp. 216–237). Oxford University Press.

  • Polák, M., & Marvan, T. (2018). Neural correlates of consciousness meet the theory of identity. Frontiers in Psychology, 9, 1–13.

  • Ridderbos, H. (1956). De komst van het Koninkrijk. Kampen: Kok.

  • Schouten, M., & Looren de Jong, H. (2012). Mind Matters: The Roots of Reductionism. In M. Schouten & H. Looren de Jong (Eds.), The Matter of the Mind (pp. 11–42). Wiley-Blackwell.

  • Swaab, D. F. (2010). Wij zijn ons brein: Van baarmoeder tot Alzheimer. Amsterdam: Contact.

  • Van Til, C. (2008). The Defense of the Faith (4th ed.). Phillipsburg, NJ: Presbyterian and Reformed Publishing Company.

  • Vlerick, M., & Boudry, M. (2017). Psychological closure does not entail cognitive closure. Dialectica, 71(1), 101–115.

  • Wegener, S. T., & Jacobs, M. (2011). Pain Asymbolia. In J. S. Kreutzer, J. DeLuca, & B. Caplan (Eds.), Encyclopedia of Clinical Neuropsychology (pp. 1834–1835). New York: Springer.

  • Westfall, R. S. (1980). Never at Rest: A Biography of Isaac Newton. Cambridge: Cambridge University Press.

  • Bijbel (Herziene Statenvertaling). (2010). Genesis 2:7; Psalm 8:5; Johannes 1:1; 1 Korintiërs 15:53; Job 32:8. Heerenveen: Jongbloed.

Reacties en gedachten

Hieronder kun je reageren op dit artikel. Deel gerust je overwegingen of vragen over het thema bewustzijn, geloof en wetenschap. Ook kritische kanttekeningen of persoonlijke reflecties zijn welkom. Wij waarderen inhoudelijke reacties zeer. Berichten worden niet automatisch geplaatst; de redactie leest ze eerst om spam of ongepaste reacties te voorkomen. Het kan daarom enkele uren duren voordat je bijdrage zichtbaar is.