Last Updated on 8 oktober 2025 by M.G. Sulman
Aseïteit. Een woord zo vreemd van klank, dat het haast uit een alchemistisch handschrift lijkt geplukt. En toch is het een van de zuiverste kristallen in de schatkamer van de theologie. De aseïteit van God betekent dat Hij uit Zichzelf bestaat, in Zichzelf voldoende is, van niets of niemand afhankelijk. Wie dit begrijpt, ziet ineens waarom alle afgoderij dwaasheid is, waarom genade genade is, en waarom God nooit behoeftig is, maar wel altijd gevend.
Inhoud
- 1 Wat betekent “aseïteit”?
- 2 Bijbelse onderbouwing
- 2.1 Exodus 3:14 — “Ik ben die Ik ben”
- 2.2 Psalm 90:2 — “Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God”
- 2.3 Handelingen 17:24-25 — “Hij wordt door mensenhanden niet gediend, alsof Hij iets nodig heeft”
- 2.4 Johannes 5:26 — “Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf”
- 2.5 Romeinen 11:36 — “Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen”
- 3 Theologische betekenis
- 4 Contrasten: afgoderij en menselijke projectie
- 5 Filosofische implicaties
- 6 Praktische betekenis
- 7 Samenvatting
- 8 Lees verder
- 9 Geraadpleegde bronnen
- 10 Reacties
Wat betekent “aseïteit”?
Etymologie en kernidee
Het woord komt van het Latijnse a se — “uit zichzelf”. De aseïteit van God betekent dat Hij Zichzelf het bestaansgrond is. Er is geen oorzaak buiten Hem die Hem tot bestaan bracht. Anders gezegd: God is de enige zelfbestaande werkelijkheid. Alles wat wij kennen heeft een oorsprong, een afhankelijkheid, een grens. God niet.
Voorbeeld
Een kaars brandt dankzij vuur, lucht en was. Maar God is als licht zónder bron, zoals bij Mozes: een braambos dat wel brandt maar niet verteert.
Bijbelse onderbouwing
De aseïteit van God is geen filosofisch verzinsel, maar wortelt diep in de Schrift. De Bijbel leert van kaft tot kaft dat God geen schepsel is, geen geworden werkelijkheid, maar de Eeuwige die zichzelf openbaart als de bron van alles.
Exodus 3:14 — “Ik ben die Ik ben”
Als Mozes bij de brandende braamstruik vraagt wie hem zendt, antwoordt God met: “Ik ben Die Ik ben.” Deze uitspraak is geladen met existentiële kracht. God is geen afgeleide realiteit. Hij is de zelfbestaande, zelfopenbarende, zelfgenoegzame God. De Naam JHWH is niet slechts een aanduiding, maar een theologische proclamatie: Ik ben er. Altijd. Uit Mijzelf.
Psalm 90:2 — “Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God”
Deze psalm van Mozes (!) drukt uit dat Gods bestaan niet begon en niet eindigt. Er is geen vooraf, geen na. Waar alles in de schepping tijdelijke zijnstoestanden doorloopt, geldt voor God: Gij zijt. Zijn bestaan rust niet op tijd, materie of wil. Hij is de eeuwige Aanwezige.
Handelingen 17:24-25 — “Hij wordt door mensenhanden niet gediend, alsof Hij iets nodig heeft”
Paulus preekt op de Areopagus tegen filosofen die goden maakten en onderhielden. Dan zegt hij iets schokkends voor hun oren: de ware God heeft geen dienst nodig. Hij heeft niets nodig, omdat Hij alles zelf bezit. Hij is geen behoeftige god, maar een gevende. “Hij Zelf geeft aan allen leven en adem en alles.”
Johannes 5:26 — “Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf”
Jezus spreekt hier een sleutelzin: de Vader heeft leven in Zichzelf. Dat is aseïteit in zuivere vorm. Leven dat niet ontvangen is, maar gegeven wordt; eerst aan de Zoon, dan aan de wereld. Dit is niet alleen existentieel, maar ook trinitarisch van belang: de Vader als oorsprong zonder oorsprong, de Zoon als eeuwige Afstraling, de Geest als uitgaande Kracht.
Romeinen 11:36 — “Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen”
Deze lofzang van Paulus vat het hele dogma van aseïteit, schepping en voorzienigheid samen. God is de oorsprong (ex Deo), het middel (per Deum) en het doel (ad Deum). Er is niets dat aan God voorafgaat of Hem overstijgt. Alles vloeit voort uit Hem.
Theologische betekenis
Gods onafhankelijkheid
De aseïteit van God betekent allereerst dat Hij volkomen onafhankelijk is. Niet in de banale zin van zelfredzaamheid, zoals een puber die zijn eigen was doet, maar in de diepste metafysische zin: Hij is volstrekt niet afhankelijk van iets buiten Zichzelf. Hij leeft niet bij de gratie van de schepping, niet bij de gunst van mensen, niet bij het vuur van aanbidding of de geur van offers.
Zijn heerlijkheid is geen optelsom van wat wij Hem geven. Ze is niet onderhevig aan fluctuatie of erosie. Ze was er voor de wereld begon. Of wij zingen of zwijgen, buigen of breken, maakt voor Zijn wezen niets uit. Zoals een fontein geen regen nodig heeft om te stromen, zo vloeit Gods majesteit uit Zichzelf.
Een God die iets nodig heeft, zou ophouden God te zijn. Hij zou een eindige grootheid zijn, deel van de orde der dingen. Maar de God van de Schrift is transcendent: de Heilige Israëls, los van wat wij nuttig, nodig of navolgbaar achten.
Gods onveranderlijkheid
Wat onafhankelijk is, is ook onveranderlijk. Immers: verandering veronderstelt invloed van buitenaf, een tekort dat wordt aangevuld, of een proces dat zich voltrekt. Maar bij God is geen ontwikkeling, geen evolutie, geen schaduw van ommekeer. Hij is geen Wordende, maar de Zijnde.
Maleachi 3:6 zegt het glashelder: “Ik, de HEERE, ben niet veranderd.” Niet omdat Hij star is, maar omdat Hij volmaakt is. En wat volmaakt is, moet niet anders worden. Zijn karakter is niet onderhevig aan humeur of hemellichaam. Zijn beloften zijn geen verkiezingsbeloften, maar eeuwige verbonden. Dezelfde God die Abraham riep, riep ook Petrus. En Hij roept vandaag nog. Dat is geen herhaling, maar trouw.
Gods genade wordt groots
En dan de genade. Als God iets tekort zou komen, dan zou vergeving een ruil zijn. Hij geeft jou iets, omdat Hij iets van jou verlangt. Maar dat is niet zo. De aseïteit maakt Zijn genade pas écht genade. Want het is geen transactie, maar een uitstorting uit overvloed. Niet nodig, maar gewild. Niet ingegeven door gemis, maar door liefde.
Als God iets geeft, dan komt het niet voort uit een lacune in Zijn wezen, maar uit de overvloeiende rijkdom van Zijn hart. Zijn geven is geen kwestie van compensatie, maar van karakter. Juist omdat Hij niets nodig heeft, kan Hij alles schenken. Dat maakt de genade zo vrij, zo groot, zo veilig. Geen pressiemiddel. Geen wisselwerking. Pure goedheid uit pure volheid.
Contrasten: afgoderij en menselijke projectie
Afgoden zijn afhankelijk
De mens maakt goden naar eigen beeld, en niet zelden naar eigen behoefte. Of het nu om Baäl of het Zelf gaat — afgoden hebben onderhoud nodig. Ze moeten gevoed, vereerd, beschermd en telkens opnieuw tot leven geroepen worden. Ze vergaan als je ze met rust laat. Hun macht is geleend, hun bestaan fragiel.
Gemaakt, niet zijnde
Wat mensen aanbidden, bouwen ze ook. Psalm 115 verwoordt het treffend: “Hun afgoden zijn zilver en goud, werk van mensenhanden.” Ze hebben ogen maar zien niet, oren maar horen niet. De paradox is schrijnend: hoe meer eer men ze geeft, hoe holler ze blijken. Ze zijn gemaakt, niet zijnde. Hun wezen is afhankelijkheid.
Projectie van het hart
Afgoderij is niet alleen ritueel, maar psychologisch. We projecteren onze verlangens en angsten op een buitenwereld, en kronen die projectie met goddelijke status. Xenophanes had het scherp: iedere cultuur maakt goden die op haarzelf lijken. De goden zijn dus niet Scheppers, maar spiegels. En spiegels vragen bewondering.
De God die niet wijkt
Tegenover dit alles staat de HEERE, de Enige die werkelijk is. Hij is niet voortgekomen uit menselijk denken, maar heeft Zichzelf geopenbaard. Hij bestaat los van ons geloof, los van onze liturgie, los van ons bestaan zelfs. Zoals Hij tot Mozes sprak: “Ik ben Die Ik ben.” Hij is, al zwijgen wij. Hij blijft, al vergeten wij Hem.
Filosofische implicaties
Contingentie versus noodzakelijkheid
De aseïteit van God raakt een eeuwenoud, maar nog steeds vlijmscherp onderscheid: dat tussen het contingente en het noodzakelijke. Een contingent wezen bestaat wel, maar had evengoed niet kunnen bestaan. Het is mogelijk, maar niet onvermijdelijk. Denk aan jezelf: jouw bestaan is reëel, maar niet logisch verplicht. Je bent geboren, maar je had ook nooit kunnen zijn. Het universum zelf — tijd, materie, energie, bewustzijn — is één groot misschien.
God daarentegen is noodzakelijk. Zijn bestaan vloeit niet voort uit omstandigheden, maar uit Zichzelf. Hij is niet veroorzaakt, noch denkbaar als niet-bestaand. Hij is. In Hem vallen essentie (wat Hij is) en existentie (dat Hij is) samen — een gedachte die Thomas van Aquino onderbouwde met ongenadige precisie: esse ipsum subsistens, Zijn als zijnde zelf.
Zonder aseïteit verzandt het denken
Zonder een Zelfbestaande, een eerste niet-afhankelijke oorzaak, strandt het denken. Iedere keten van oorzaken, hoe lang ook, vereist een beginpunt dat zelf geen gevolg is. Anders blijf je terugredeneren in het oneindige: een ketting zonder haak, een boek zonder auteur, een klank zonder bron. Het is het filosofisch equivalent van het optillen van jezelf aan je eigen schoenveters.
Zeggen dat alles een oorzaak heeft, maar dat er geen eerste oorzaak is, is een contradictie in termen; een logische nachtmerrie. Het leidt tot reductio ad absurdum: iets komt uit niets, zonder reden, zonder doel, zonder begin. Dat is niet kritisch denken, maar metafysisch wishful thinking.
De aseïteit van God doorbreekt deze vicieuze cirkel. Hij is de Onveroorzaakte, de Grond van zijn eigen zijn. Of zoals Anselmus het formuleerde: dat waarboven niets groters gedacht kan worden, moet noodzakelijk bestaan — want anders zou het afhankelijk zijn van iets groters, en dat is per definitie onmogelijk.
Tegen de illusie van menselijke autonomie
De aseïteit van God legt ook de vinger bij een stille maar hardnekkige afgoderij van onze tijd: de mens als zelfschepper. In de moderne cultuur is autonomie de hoogste deugd. Ik bepaal wie ik ben. Ik ben mijn eigen oorsprong. Mijn identiteit komt uit mijzelf. Zo spreekt de homo modernus, met een zelfverzekerde glimlach en zonder grond onder zijn voeten.
Maar aseïteit leert het tegenovergestelde: alleen God is werkelijk autonoom. Alle andere vrijheid is afgeleid, geschonken, geleend. Onze wil is reëel, ja, maar niet absoluut. Zodra je ademt, ben je afhankelijk. Zodra je spreekt, gebruik je klanken die je niet bedacht hebt. Zodra je denkt, ben je gevormd door anderen. Zelfs je zelfgevoel is historisch, relationeel, gebrekkig. De menselijke autonomie is een theatraal kostuum: indrukwekkend in het licht, maar leeg zodra de schijnwerpers uitgaan.
Bevrijding door afhankelijkheid
En dat is geen ramp, maar een opluchting. Want ware vrijheid ligt niet in zelfbepaling, maar in toebehoren. Wie weet dat hij uit God komt, hoeft zich niet krampachtig te construeren. Wie leeft in afhankelijkheid van de Zelfbestaande, wordt geen minder mens, maar een rustend mens.
Ofschoon de moderne mens zich losmaakt van zijn oorsprong, blijft zijn bestaan gedragen door de Ene die Zichzelf is. En dat is, paradoxaal genoeg, zijn enige hoop.
Praktische betekenis
De aseïteit van God lijkt op het eerste gehoor een ijle metafysische notie. Een term voor de collegezaal en niet voor aan de keukentafel. Maar dat is een misvatting. Ze raakt aan de diepste nerven van het christelijk leven: aan onze rust, onze hoop, onze aanbidding. Ze leert ons dat we niet leven op een wankel fundament van gevoelens, prestaties of omstandigheden, maar op de rots die is.
God verandert niet met jouw wisselvalligheid
Soms voelt God nabij. Soms lijkt Hij ver weg. Maar Hijzelf verandert niet. Zijn wezen schommelt niet mee met jouw geloofsbeleving. Hij is niet groter als jij zingt, en niet kleiner als jij zwijgt. Zijn trouw is geen spiegel van jouw staat van dienst. Ik, de HEERE, ben niet veranderd (Maleachi 3:6). Dat is geen theologische formule, maar een existentiële ankertekst. Stabiliteit temidden van zielenstormen.
Genade is geen ruilhandel
We zijn geneigd te denken dat God vergeeft omdat wij iets goedmaken, bijvoorbeeld door berouw te tonen, tranen te plengen, offers te brengen of beloftes te maken. Maar aseïteit doorbreekt die illusie: God heeft niets nodig. Zijn vergeving komt niet voort uit schuldinvordering, maar uit Zijn overvloedige goedheid. Uit Zichzelf schenkt Hij wat wij niet verdienen. Genade is geen reactie, maar initiatief. Gods genade is niet afhankelijk is van wat wij doen, maar dat het een spontane, onverdiende gunst is die God uit zichzelf geeft. Het is een oorspronkelijke, initiërende daad van Gods liefde en welwillendheid, die niet voortkomt uit een reactie op menselijke verdiensten of verlangens, maar uit God zelf.
Bidden is naderen tot volheid
Wie bidt tot een behoeftige god, bedelt. Wie bidt tot de Zelfgenoegzame, rust. Gebed is geen overredingskunst, geen psychologische beïnvloeding van de hemel, maar een naderen tot een bron die altijd stroomt. Zoals een kind zich zonder angst tegen zijn vader aanvlijt, zo mogen wij schuilen bij Hem die al weet wat wij nodig hebben vóór wij het vragen (Mattheüs 6:8).
Dienst is deelname, geen aanvulling
God vraagt niet om jouw inzet omdat Hij iets tekortkomt. Hij is geen werkgever die zijn project niet rond krijgt zonder jouw bijdrage. Neen, Hij roept je niet vanwege Zijn armoede, maar vanwege Zijn overvloed. Zoals een overlopende beker ook de rand bereikt, zo stroomt Zijn werk tot aan jouw handen.
Je goede werken veranderen Hem niet. Ze voegen niets toe aan Zijn wezen, noch verhogen zij Zijn majesteit. De HEERE is volmaakt in al Zijn wegen en blijft dat, met of zonder jouw hulp. Maar wonderlijk genoeg laat Hij je meewerken. Niet om Zijn glorie aan te vullen, maar om jouw hart te hervormen. Je dienst is niet noodzakelijk, maar wél zinvol.
Aanbidden is dus geen noodzakelijke brandstof voor een goddelijke machine, maar een genadige uitnodiging om deel te nemen aan een lofzang die al klonk vóór de tijd begon. Hij is vol en toch zegt Hij: Kom, zing mee. Werk mee. Deel in Mijn vreugde.
Troost in een tijd van vloeibaarheid
We leven in een tijd waarin niets meer vast lijkt te liggen. Waarheden schuiven als zand onder je voeten. Relaties breken onder de druk van snelheid. Identiteiten vervloeien in een mist van keuzemogelijkheden en zelfconstructie. Zelfs woorden verliezen hun betekenis, en zekerheden hun houvast. Het is de vloeibare wereld die de socioloog en filosoof Zygmunt Bauman beschreef: alles stroomt, niets beklijft. Behalve de onrust.
Maar juist in die kolkende maalstroom klinkt het als een diepe gongslag door de eeuwen heen: Ik ben Die Ik ben. God is geen fluïde idee dat meedeint op de golven van de cultuur, geen aanpasbare avatar voor je innerlijke voorkeur, geen sfeervol licht dat alleen werkt als jij de schakelaar omzet. Hij is geen momentopname, geen tijdelijke gunst, geen contextuele functie. Hij is — altijd, onwrikbaar, soeverein. En daarom: vreest niet. Wat niet verandert, geeft rust. En wie is wat Hij is, biedt veiligheid wanneer alles om je heen wegvalt.
Samenvatting
De aseïteit van God is geen theologische bijzaak. Het is de stille vooronderstelling onder alles wat we over God zeggen en denken. Ze drukt uit dat God het principe van Zijn bestaan in Zichzelf draagt, zonder externe oorzaak, zonder afhankelijkheid. Zijn zelfgenoegzaamheid impliceert absolute onafhankelijkheid, volmaaktheid en onveranderlijkheid.
Juist omdat God niets nodig heeft, is Hij vrij om te geven zonder verplichting, te dragen zonder beperktheid, en te redden zonder voorwaarde. Zijn wezen wordt niet beïnvloed door menselijke respons. Hij is, in absolute zin.
📌 Alleen wie in zichzelf volledig genoegzaam is, kan werkelijk betrouwbaar zijn en werkelijk geven.
Lees verder
Verken ook deze verwante artikelen:
- Borrowed Capital: geleende grondslagen van het denken
- Zonder God geen werkelijke verantwoordelijkheid
- Het geweten als sleutel in apologetiek
- De almacht van God: grenzenloze soevereiniteit of zelfbeperking?
Geraadpleegde bronnen
-
Anselmus van Canterbury. (1078). Proslogion. In: Opera Omnia.
(Klassieke formulering van God als noodzakelijk en volstrekt wezen: “dat waarboven niets groters gedacht kan worden”.) -
Aquino, T. (1265–1274). Summa Theologiae. Pars I, Quaestio 3–4.
(Grondige analyse van Gods eenvoud, noodzakelijkheid en zelfgenoegzaamheid.) -
Bavinck, H. (2004). Gereformeerde Dogmatiek: Deel II – God en Schepping. Kampen: Kok.
(Uitvoerige bespreking van Gods aseïteit binnen de context van Zijn zelfstandigheid en onveranderlijkheid.) -
Berkhof, L. (1938). Systematic Theology. Grand Rapids: Eerdmans.
(Heldere en systematische behandeling van de eigenschappen van God, inclusief aseïteit.) -
Frame, J. M. (2002). The Doctrine of God. Phillipsburg: P&R Publishing.
(Moderne reformatorische benadering van Gods onafhankelijkheid, met implicaties voor aanbidding en ethiek.)
Reacties
Wat roept dit op? Heb je vragen, aanvullingen of wil je een oud citaat inbrengen? Laat het weten in de reacties hieronder!