Last Updated on 22 november 2025 by M.G. Sulman
In de berichtgeving rond David de Vos is iets verschoven dat dieper reikt dan een publieke koerswijziging; het raakt de vraag wat er van het Evangelie overblijft wanneer de klassieke noties van zonde, oordeel en bekering worden gereduceerd tot bewustzijnstaal en innerlijke beleving. In een recent interview in het Reformatorisch Dagblad — waarin De Vos stelt dat alle mensen al kinderen van God zijn, dat ‘verloren gaan’ geen definitieve dimensie heeft en dat het Griekse woord voor ‘eeuwig’ slechts een seizoen aanduidt — wordt zichtbaar hoe zijn theologie allengs transformeert tot een postmoderne spiritualiteit waarin de mens vooral gewekt moet worden voor wat hij in zichzelf reeds bezit1Kees van den Brink, “David de Vos evangeliseert niet meer: ‘Je wordt niet pas een kind van God als je maar de juiste beslissing neemt’”, Reformatorisch Dagblad, 14 november 2025, https://www.rd.nl/artikel/1127949.. Deze uitspraken klinken mild en inclusief, bijna therapeutisch; maar ze brengen een verschuiving teweeg van openbaring naar ervaring, van bekering naar bewustwording en van heilshistorie naar innerlijke zelfontvouwing. Het interview fungeert zo als prisma: de breking van een traditioneel evangelie in de kleuren van een laatmoderne, humanistische theologie die de Schrift niet langer beschouwt als beslissende stem, maar als open veld voor interpretatie, zingeving en existentiële expressie.
Inhoud
- 1 Een breuklijn die zichtbaar wordt
- 2 Het universele kindschap: een aantrekkelijke gedachte met broze fundamenten
- 2.1 De schoonheid en de verleiding van inclusiviteit
- 2.2 Beeld van God is niet hetzelfde als kind van God
- 2.3 De Vos’ verschuiving naar bewustzijnstaal
- 2.4 Het verdwijnpunt van zonde en genade
- 2.5 Een gedachte die past in de geest van de tijd
- 2.6 📌 Kader: Wie worden in de Bijbel “kinderen van God” genoemd?
- 3 De nieuwe hermeneutiek: Schrift als spiegel in plaats van stem
- 4 Van eeuwigheid naar bewustzijn: een nieuwe soteriologie
- 4.1 De herdefinitie van “verloren gaan”
- 4.2 Oordeel als morele toestand
- 4.3 De soteriologie van bewustzijn
- 4.4 Het verdwijnen van de noodzaak van verzoening
- 4.5 Het beeld van de hel wordt vloeibaar
- 4.6 📌 Kader: Universalistische tendensen in Nederland — Sonneveld en De Vos in context
- 4.7 Een soteriologie die van richting verandert
- 5 Een oordeel dat geen einde kent – of geen einde heeft: de universalistische onderstroom
- 5.1 De Vos’ aeon-argument en de heropening van een oude deur
- 5.2 De aantrekkelijkheid van hersteldenken
- 5.3 De spanning met de Bijbelse en belijdende traditie
- 5.4 De esthetiek van inclusiviteit
- 5.5 Het verdwijnen van verantwoordelijkheid
- 5.6 Een theologie die oplost als mist
- 5.7 📌 Kader: een universalistische onderstroom in Nederland
- 6 Humanisme als grondtoon: de mens die zichzelf redt
- 7 Paulus’ roeping en het bewustzijnsargument: een exegetische ontsporing
- 7.1 Galaten 1:15 als sleuteltekst – of als breekijzer
- 7.2 Gescheiden vóór de tijd, maar niet gered vóór het geloof
- 7.3 De exegetische verschuiving: van geschiedenis naar introspectie
- 7.4 De hermeneutische fout: van bijzondere roeping naar universele toestand
- 7.5 De apostolische urgentie verdwijnt
- 7.6 Christus als openbaring, niet als projectie
- 8 De deconstructie van evangelisatie: een missie zonder noodzaak
- 8.1 Van „ga heen” naar „word je bewust”
- 8.2 Het verdwijnen van het eschatologische kompas
- 8.3 Missionaire roeping wordt zelfexpressie
- 8.4 📌 Kader: Missie als zelfexpressie – post-evangelicale verschuivingen
- 8.5 Het zondaarsgebed als symptoom van een dieper verschil
- 8.6 Van discipelschap naar life-coaching
- 8.7 Een missionaire implosie
- 9 De praktijk na de breuk: wanneer theologie missionaire spierkracht verliest
- 10 Een Bijbels alternatief: kindschap, roeping en de noodzaak van verzoening
- 11 Slotbeschouwing: waar liefde zijn contouren verliest
- 12 De paradox van het moderne geloof
- 13 Verlies van gewicht, verlies van genade
- 14 De spiegel en de stem
- 15 De blijvende vraag
- 16 Een open einde, geen relativering
- 17 Lees verder
- 18 Geraadpleegde bronnen
- 18.1 Bijbel en vertaling
- 18.2 Gereformeerde en klassieke dogmatiek
- 18.3 Universalistische en inclusivistische theologie
- 18.4 Hermeneutiek, deconstructie en moderne interpretatiecultuur
- 18.5 Mensbeeld, modern humanisme en psychologisering
- 18.6 Evangelicale cultuur, post-evangelicalisme en emergent church
- 18.7 Nederlandse context, apologetiek en publieke theologie
- 18.8 Journalistieke bron (het interview met De Vos)
- 18.9 Eigen artikel
- 19 Reacties en ervaringen
Een breuklijn die zichtbaar wordt
Een verschuiving in toon én in theologische grondslag
Wie de recente uitspraken van David de Vos aandachtig leest, merkt dat het niet slechts gaat om een nuanceverschil of een verfrissende herformulering van bekende waarheden. Achter zijn woorden groeit een wereldbeeld waarin het Evangelie allengs zijn appel verliest. Niet langer is er sprake van een duidelijke scheidslijn tussen verloren en gered, tussen oordeel en genade; die begrippen worden vervlochten tot psychologische toestanden in het hier en nu. Het Evangelie wordt daarmee tandeloos. De Vos’ visie sluit opvallend goed aan bij een laatmoderne moraal waarin de mens primair goed en innerlijk lichtdrager is, en slechts gewekt hoeft te worden om zijn eigen potentieel te ontplooien.
Evangelisatie wordt overbodig
De opheffing van zijn organisatie Go and Tell is dan een logisch gevolg van zijn nieuwe theologische positie. Als ieder mens reeds een kind van God is en ‘verloren gaan’ geen definitieve realiteit kent, verliest evangelisatie zijn raison d’être. Missionaire prediking — ooit het kloppende hart van zijn bediening — wordt vervangen door coaching en bewustzijnsontwikkeling. Dat is niet slechts een andere vorm, maar een ander Evangelie.
De introductie van een postmoderne hermeneutiek
Opvallend is bovendien zijn stelling dat „wie zegt dat de Bijbel helder is, hem niet goed gelezen heeft”. Dat klinkt bescheiden, maar ademt de geest van een hermeneutiek waarin vaste betekenis verdampt. De Schrift wordt geen normerende stem meer, maar een gelegenheidstekst voor persoonlijke inkleuring. Deze benadering staat haaks op hoe Jezus, de apostelen en de kerk door de eeuwen heen met de Schrift omgingen. Waar zij spraken met het gewicht van openbaring, spreekt De Vos in de taal van ervaring, fluïde en meanderend; niet confessioneel, doch existentieel.
Een signaal van een bredere culturele beweging
De Vos fungeert daarbij minder als innovator en meer als exponent van een bredere culturele drift: de omvorming van religie tot zelfexpressie. Zijn woorden resoneren met de hedendaagse neiging om transcendente waarheden te vervangen door innerlijk kompas, en morele ernst door psychologisch comfort. Dat maakt zijn verschuiving niet minder begrijpelijk; het toont slechts duidelijk hoe diep de geest van deze tijd doordringt in het denken van christelijke leiders. Hier, aan de oppervlakte van zijn uitspraken, verschijnt een breuklijn die dieper ligt: die tussen een geopenbaard Evangelie en een humanistische spiritualiteit.
Het universele kindschap: een aantrekkelijke gedachte met broze fundamenten
De schoonheid en de verleiding van inclusiviteit
De uitspraak dat „alle mensen kinderen van God zijn” klinkt op het eerste gehoor ontwapenend. Ze sluit aan bij onze culturele intuïtie dat ieder mens een intrinsieke waardigheid bezit en dat God, indien Hij bestaat, onmogelijk exclusief of afwijzend kan zijn. De Vos presenteert deze gedachte als een bevrijding uit de kramp van evangelische beslissingscultuur.2Met evangelische beslissingscultuur wordt het fenomeen bedoeld dat vooral binnen 20e-eeuws evangelicalisme dominant werd: de overtuiging dat het heil concreet gekoppeld is aan een bewust, individueel beslissingsmoment — vaak vormgegeven in het zogeheten zondaarsgebed of een altar call. In Engelse literatuur wordt dit aangeduid als decisionism of decision theology. Zie o.a. David W. Bebbington, Evangelicalism in Modern Britain (Routledge, 2005), en Mark A. Noll, The Rise of Evangelicalism (IVP, 2003), waar deze nadruk wordt beschreven als kenmerk van revivalistisch evangelicalisme. Maar achter deze warmte gaat een theologische veronderstelling schuil die haaks staat op de klassieke christelijke leer: het onderscheid tussen geschapen naar Gods beeld en aangenomen tot kind. De Bijbel kent die twee niet door elkaar; ze zijn verwant, doch niet identiek.
Beeld van God is niet hetzelfde als kind van God
Dat ieder mens naar Gods beeld geschapen is, behoort tot de kern van het christelijk mensbeeld. Maar in de Schrift ontstaat het kindschap niet uit geboorte, maar juist door wedergeboorte. In de evangelieën en bij Paulus markeert het kindschap een vernieuwde verhouding, een overplaatsing van het rijk der duisternis naar het Koninkrijk van de Zoon. Deze adoptio-filialis — het aangenomen kindschap — is een daad van God die betrokken is op verzoening, bekering en geloof. Men kan het vergelijken met familierecht: ieder kind heeft een biologische afkomst, maar juridisch erfgenaam word je pas wanneer je door een officiële handeling in het familieregister wordt opgenomen. Het natuurlijke ‘kind-zijn’ en het rechtmatige ‘erfgenaam-zijn’ vallen dan niet vanzelf samen.
De Vos’ verschuiving naar bewustzijnstaal
Wanneer De Vos zegt dat een gelovige „zich slechts bewust wordt dat hij al een kind van God was”, voert hij een nieuw begrip in dat de Schrift niet kent. Het kindschap wordt een innerlijke waarheid die men moet ontdekken; niet een realiteit die door God geschat wordt. Het Evangelie verplaatst zich daardoor van Gods handelen naar menselijk bewustzijn, van objectieve verzoening naar subjectieve ervaring. De zonde verliest tegelijk haar gewicht: ze is niet langer opstand tegen God, maar een soort slaperigheid, een geestelijke jetlag die met de juiste inzichten overwonnen kan worden.
Het verdwijnpunt van zonde en genade
Het probleem van een universeel kindschap is niet dat het te vriendelijk zou zijn, maar dat het de dramatiek van het Evangelie oplost in een vlakke antropologie. Wanneer iedereen al kind is, wordt bekering overbodig, genade vanzelfsprekend en kruisverzoening symbolisch. Wie nooit verloren kan zijn, hoeft nooit gered te worden. En waar geen redding nodig is, wordt het Evangelie herleid tot een spiritueel groeitraject; een cursus bewustwording met Bijbelse metaforen als decor.
Een gedachte die past in de geest van de tijd
De aantrekkingskracht van de Vos’ visie komt voort uit haar culturele resonantie. Ze sluit aan bij modern humanisme: de mens is primair goed, beschikt over een innerlijke kern van licht, en moet vooral leren zien wie hij werkelijk is. Het Evangelie functioneert dan niet langer als openbaring van een heilige God die de mens tot bekering roept, maar als spiegel waarin men zijn eigen waardigheid herkent. Dit is, hoe sympathiek ook, een radicale verschuiving: van theocentrisme naar antropocentrisme, van redding naar zelfontplooiing.
In deze beweging wordt het kindschap niet vergroot, maar verkleind; het verliest zijn diepte, zijn geschenk-karakter en zijn relationele scherpte. Wat overblijft is geenszins een Bijbelse gedachte. God is Schepper van allen, maar in het klassieke Evangelie reserveert de Schrift het vaderschap voor hen die door geloof in Christus tot kinderen worden aangenomen. Dat dubbele spoor vormt de ruggengraat van zowel oudtestamentische roeping als nieuwtestamentische genade.
De nieuwe hermeneutiek: Schrift als spiegel in plaats van stem
Van openbaring naar interpretatie
David de Vos’ uitspraak dat „wie pretendeert dat de Bijbel in alles helder is, hem niet goed gelezen heeft”, vormt het hermeneutische hart van zijn verschuiving. Op het eerste gezicht klinkt het als een uitnodiging tot bescheidenheid: een mens moet niet doen alsof hij de Schrift volledig doorgrondt. Maar onder de oppervlakte verandert hier iets fundamenteels. De Bijbel is in deze benadering niet langer de openbaring van een sprekende God, maar een verzameling stemmen, spanningen en perspectieven die door ieder mens opnieuw geïnterpreteerd mogen worden. De Schrift verliest daarmee haar normativiteit; ze wordt geen stem die de lezer onderwijst, maar een spiegel waarin de lezer vooral zichzelf ontdekt.
Deconstructie als instinct
De Vos’ benadering resoneert sterk met het moderne instinct van de deconstructie: niet omdat hij expliciet zegt dat teksten géén vaste betekenis hebben, maar omdat zijn manier van spreken die richting op wijst. Wanneer hij benadrukt dat de Bijbel „niet helder” is en dat veel teksten „niet goed met elkaar te rijmen zijn”, ontstaat een hermeneutische houding waarin de lezer meer ruimte krijgt dan de tekst zelf. Het klassieke beroep op Schriftgezag maakt plaats voor een nadruk op pluraliteit en subjectiviteit; de Schrift wordt minder normatief en meer open. De Vos formuleert dat niet als programma, maar het functioneert wel zo. In plaats van de Bijbel als beslissende stem, ontstaat een veld van mogelijkheden waarin verschillende lezingen naast elkaar kunnen bestaan. Het lijkt op een romanclub: iedereen leest hetzelfde boek, maar legt er andere accenten in — en in deze manier van benaderen is er weinig reden om één lezing als beslissend te beschouwen.
De Bijbel als ervaringstekst
Wanneer De Vos zegt dat „bewustwording” de kern vormt van geloof, wordt duidelijk hoe deze hermeneutiek functioneert. Bijbelteksten over oordeel, verzoening en bekering worden niet benaderd als historische of theologische feiten, maar als metaforen voor innerlijke processen. ‘Verloren gaan’ wordt vervreemd zijn van je diepste zelf; ‘kind van God worden’ wordt ontwaken tot je ware identiteit. Deze verschuiving is subtiel maar ingrijpend. Het Evangelie verplaatst zich van heilsgeschiedenis naar zelfgeschiedenis; van een God die handelt tot een mens die zich bewust wordt. De tekst wordt niet verklaard maar gebruikt.
Het verlies van objectieve waarheid
Als de Bijbel principieel onhelder is, ontstaat er een vacuüm dat vrijwel altijd wordt opgevuld door de dominante cultuur. Niet langer vraagt men: „Wat zegt de Schrift?” maar: „Welke interpretatie helpt ons vandaag verder?” Waar de Schrift geen vaste betekenis meer mag hebben, wordt de mens zelf het criterium. Daarmee verschuift de locus van autoriteit: niet de tekst heerst over de lezer, maar de lezer over de tekst. Dit verklaart waarom De Vos met gemak uitspraken over ‘eeuwig oordeel’ herinterpreteert als ‘tijdelijk seizoen’: zodra de tekst geen objectieve grens meer stelt, volgt de uitleg de intuïtie van het moment.
Van discipelschap naar zelfmanagement
Deze hermeneutische wending beïnvloedt ook de spiritualiteit. Waar de klassieke kerk discipelschap verstond als volgen, leren en buigen, maakt De Vos van geloof een proces van innerlijke groei en inzicht. De Bijbel wordt instrument, geen leermeester. Ze ondersteunt het zelfonderzoek maar confronteert niet meer met transcendente waarheid. Dat is geen kleine aanpassing; het is een verschuiving van een theocentrisch naar een antropocentrisch geloof, waarin God geen sprekende Heer meer is, maar een innerlijke resonantie die de mens helpt zichzelf te verstaan.
Een hermeneutiek die past in de tijd
De Vos staat hiermee niet alleen; hij verwoordt een hermeneutiek die diep verweven is met postmodern denken. Waar de moderniteit vroeg naar feiten en rede, vraagt onze tijd naar authenticiteit en beleving. Waar eerdere generaties zochten naar dogma’s, zoekt de huidige mens naar resonantie. In die zin is De Vos niet revolutionair, maar representatief: hij ademt de geest van een cultuur die moeite heeft met objectieve waarheid en die liever pluraliteit viert dan exclusiviteit aanvaardt.
Deze nieuwe hermeneutiek heeft enorme theologische gevolgen. Want wanneer de Bijbel niet meer spreekt met gezag, rest er slechts de menselijke stem, en dat is precies de stem die het Evangelie altijd wilde corrigeren.
Van eeuwigheid naar bewustzijn: een nieuwe soteriologie
De herdefinitie van “verloren gaan”
De meest ingrijpende uitspraak van David de Vos ligt niet in zijn visie op het kindschap, maar in zijn herlezing van wat het betekent om verloren te zijn. Wanneer hij zegt: „Ik durf ‘verloren’ niet in te vullen als: voor altijd; het Griekse woord voor eeuwig gaat over een seizoen”, verschuift hij de soteriologie van het Nieuwe Testament van een beslissende bestemming naar een tijdelijke fase. ‘Eeuwige straf’ wordt een pedagogische omweg, een corrigerend seizoen dat eindigt zodra het doel bereikt is. Het is alsof een levenslange gevangenisstraf wordt hervertaald tot een behandeltraject dat eindigt zodra de patiënt voldoende inzicht heeft. Dit verandert de aard van oordeel fundamenteel.
Oordeel als morele toestand
De Vos spreekt niet expliciet over hel als psychologische toestand, maar zijn nadruk verschuift wel opvallend van een toekomstig, eschatologisch oordeel naar een morele werkelijkheid in het heden. Wanneer hij zegt dat hij „niet durft in te vullen dat verloren gaan voor altijd is” en vervolgens de aandacht richt op „elke dag de keuze tussen goed en kwaad”, verschuift het gewicht van de Bijbelse taal van oordeel naar een existentiële dimensie: ‘hemel’ wordt iets wat je in het nu kunt reflecteren door moreel te leven. De klassieke categorieën — zonde, oordeel, eeuwigheid — krijgen zo een moreel-psychologische kleur. Het is geen expliciete ontkenning van een toekomstig oordeel, maar wel een herplaatsing ervan: niet primair als grens in Gods heilsgeschiedenis, maar als duiding van menselijke keuzes in het heden.
De soteriologie van bewustzijn
Wanneer De Vos zegt dat geloven betekent dat je „wakker wordt voor wat al in je aanwezig is”, verandert redding van een daad van God in een bewustwordingsproces van de mens. De klassieke soteriologie — verzoening, wedergeboorte, rechtvaardiging — wordt vervangen door een model van zelfontdekking. Niet Christus die redt, maar de mens die ontdekt dat hij al gered wás. Dat is de logica van het modern-spirituele bewustzijnsdenken, bekend uit hedendaagse coaching en populaire mystiek. Het Evangelie wordt daarmee geen historisch feit, maar een psychologische lens waardoor men zichzelf anders leert zien.
Het verdwijnen van de noodzaak van verzoening
Met deze verschuiving verdwijnt noodgedwongen de noodzaak van Christus’ plaatsvervangend werk. Want als niemand écht verloren is, is niemand écht schuldig; en als niemand écht schuldig is, hoeft niemand écht verzoend te worden. De kruisdood verandert dan van een verzoenend offer in een existentiële metafoor over liefde die zichzelf uitgiet. Dit is niet slechts een accentverschil; het is een compleet ander raamwerk. In een wereld van tijdelijke hel-seizoenen en universeel kindschap is de noodzaak van bekering niet langer urgent, maar vooral therapeutisch van aard. Je keert niet om omdat je verloren bent, maar omdat je meer in lijn wilt leven met je innerlijke waarheid.
Het beeld van de hel wordt vloeibaar
Dat De Vos worstelt met de Bijbelse ernst van het oordeel is begrijpelijk; de gedachte van eeuwige ondergang is voor de moderne mens moeilijk te verdragen. Maar het alternatief dat hij hanteert — een seizoen van correctie — past beter bij hedendaagse psychologische modellen dan bij de apostolische prediking. Deze manier van herlezen — waarin ‘eeuwig’ wordt hervertaald tot ‘seizoen’ en oordeel wordt gezien als tijdelijk — sluit nauw aan bij de christelijk-universalistische traditie van onder anderen David Bentley Hart en Gregory MacDonald. In die benadering is hel geen definitieve scheiding, maar een fase van herstel. De Vos spreekt dit niet expliciet uit, maar zijn redenering beweegt duidelijk in dezelfde richting. Theologisch heet dit apokatastasis. Het klinkt liefdevol, maar botst op elke grote belijdenistraditie; en belangrijker nog, het staat op gespannen voet met de woorden van Jezus Zelf, die het oordeel tekent in taal die geen tijdelijke fase suggereert maar een definitieve scheiding.
Een soteriologie die van richting verandert
De Vos’ theologie heeft daarmee een ander kompas gekregen. Waar de Bijbel spreekt over een God die redt uit oordeel, spreekt hij over een God die wakker maakt uit onwetendheid. Waar de Schrift mensen oproept tot bekering vanwege het gewicht van de eeuwigheid, roept De Vos op tot zelfbewust leven in liefde. En waar de apostelen urgentie voelen — „ontvlucht de toekomende toorn” — verschuift hij de urgentie naar het ‘hier en nu’, waar hemel en hel niets meer zijn dan morele echo’s van onze keuzes.
Het resultaat is een soteriologie van bewustzijn in plaats van verzoening, van inzicht in plaats van redding, van seizoenen in plaats van eeuwigheid. Een theologie die vriendelijk oogt, maar de ernst van het Evangelie subtiel ondergraaft.
Een oordeel dat geen einde kent – of geen einde heeft: de universalistische onderstroom
De Vos’ aeon-argument en de heropening van een oude deur
Wanneer David de Vos stelt dat hij „’verloren’ niet wil invullen als: voor altijd” en dat het Griekse aionios vooral een „seizoen” aangeeft, opent hij de deur naar een theologische traditie die diep wortelt in het antieke denken, maar altijd aan de rand van de kerk heeft gestaan: de apokatastasis, de leer dat uiteindelijk allen zullen worden hersteld. Deze gedachte vindt haar pleitbezorgers in figuren als Origenes, Gregorius van Nyssa en in onze tijd David Bentley Hart of Gregory MacDonald. Het is een sierlijke gedachte, bijna muzikaal in zijn hoopvolle cadans; desalniettemin schuurt het scherp met de contouren die Jezus en de apostelen tekenen. Want als oordeel slechts een vorm van goddelijke reclassering wordt, een tijdelijk traject waarin de mens bijgestuurd en bijgeschaafd wordt, dan verliest het onvermijdelijk zijn apocalyptische zwaarte.
Een oordeel dat niet definitief is, houdt uiteindelijk op een werkelijk oordeel te zijn, omdat het de wezenlijke kenmerken van oordeel mist. In de Schrift is oordeel niet slechts een bijsturende maatregel, maar een onderscheid dat God aanbrengt tussen recht en onrecht, licht en duisternis, leven en dood. Oordeel heeft daarom een beslissend karakter: het scheidt, het stelt grenzen, het maakt duidelijk dat het kwaad werkelijk kwaad is. Wanneer dat onderscheid tijdelijk wordt of teruggedraaid kan worden, verliest het zijn eigenlijke aard; het verandert in correctie, therapie of herstelproces, maar het is geen oordeel meer in de eschatologische zin.
Een oordeel dat eindigt, herroept zijn eigen uitspraak. Als het kwaad uiteindelijk wordt omgebogen in goedheid en niemand definitief buiten blijft, blijft er geen werkelijk „tegenover” over. Recht en onrecht vloeien dan samen, niet omdat het kwaad geoordeeld is, maar omdat het opgelost is in een groter geheel. In zo’n visie wordt oordeel herleid tot begeleiding; de laatste ernst verdwijnt, en met die ernst verdwijnt ook de noodzaak van een Verlosser die de schuld werkelijk draagt.
De aantrekkelijkheid van hersteldenken
Universalistische tendensen wortelen vandaag in een bredere culturele gevoeligheid: onze samenleving verdraagt nauwelijks nog absolute grenzen of blijvende verschillen. Inclusivisme — het idee dat iedereen uiteindelijk binnenboord hoort — en modern gelijkheidsdenken versterken dat instinct. Alles wat ruikt naar uitsluiting wordt spontaan als onrechtvaardig ervaren. Dat raakt ook het eschatologische spreken van de Bijbel. Het idee dat God scheidt, dat eeuwigheid werkelijk definitief is, dat menselijke keuzes onomkeerbare betekenis hebben, schuurt met een cultuur waarin niets onherroepelijk mag zijn.
De Vos lijkt deze gevoeligheid te delen. Hij kiest (vooralsnog) niet openlijk voor alverzoening, maar verschuift wel in die richting door de scherpe lijnen te verzachten. Oordeel wordt minder grens en meer proces; eeuwigheid minder definitief en meer seizoensmatig; redding minder de beslissende heilsdaad van Christus en meer bewustwording van een aanwezige goedheid. Dat is te vergelijken met de vraag of een schooltoets een echte beoordeling is, of slechts een oefenmoment dat steeds opnieuw kan worden gedaan. Als elke herkansing uiteindelijk hetzelfde resultaat oplevert, verliest de toets haar werkelijke gewicht. Zo ook hier: wanneer niemand blijvend buiten kan vallen, verdwijnt de ernst van het oordeel en daarmee de noodzakelijkheid van verzoening.
De spanning met de Bijbelse en belijdende traditie
Het christelijk belijden houdt vast aan een dubbele realiteit: God wil dat allen behouden worden, maar het oordeel is reëel, rechtvaardig en definitief. Juist die spanning — ernst én uitnodiging — geeft de Schrift haar morele gewicht. Wanneer De Vos dat spanningsveld gladstrijkt tot een seizoen van correctie, verandert het Bijbelse drama in een traject van morele ontwikkeling. De hel wordt geen plaats van oordeel maar een doorgangsfase; het Laatste Oordeel geen beslissend moment, maar een psychologisch ontwaken. Zo verschuift de bijbelse theologie van grens en beslissendheid naar proces en groei. En precies daar schuift een modern humanisme binnen: een manier van denken die moeite heeft met radicaliteit en liever werkt met voortschrijdende processen, zachte eindes en een mens die nooit werkelijk voor een grens komt te staan.
De esthetiek van inclusiviteit
Het universalistische spoor heeft een onmiskenbare esthetiek: het klinkt warmer, vriendelijker en menselijker. Maar juist op dat punt biedt de Schrift weerstand. Jezus spreekt niet over graduele groei, maar over een scheiding van schapen en bokken; Paulus niet over tijdelijke bijsturing, maar over „de toorn die komt”; Johannes niet over morele ontwikkeling, maar over een tweede dood. Wie deze beelden reduceert tot metaforen voor tijdelijke vorming of educatie, moet uiteindelijk méér herschrijven dan men doorgaans erkent. De hermeneutiek wordt dan niet gedreven door exegese, maar door een a priori: God mag niet exclusief zijn. Dat is een benadering die de Schrift gebruikt als spiegel voor onze intuïties en niet als stem die gehoord moet worden.
Het verdwijnen van verantwoordelijkheid
Wanneer oordeel wordt herleid tot een seizoen, verschuift ook de betekenis van menselijke verantwoordelijkheid. Zonde is dan geen opstand tegen God die verzoening vereist, maar een ontwikkelingsfase die vroeg of laat toch wordt ingehaald door Gods herstel. Daarmee ontstaat een vriendelijk, maar theologisch broos beeld: menselijke keuzes verliezen hun gewicht, de ernst van het kwaad wordt geminimaliseerd, en de roep tot omkeer verwordt tot een uitnodiging tot zelfontplooiing. Wat in de Schrift klinkt als een dringend en schurend appel – „Heden, indien u zijn stem hoort, verhardt uw hart niet” – verandert dan in een zachte suggestie die morgen net zo goed opgevolgd kan worden. In die verschuiving gaat de onmiddellijke ernst verloren, en met die ernst ook het besef dat bekering een beslissende wending vraagt, niet een vrijblijvende beweging van binnenuit.
Een theologie die oplost als mist
De kracht van universalistische hoop zit vaak in haar gevoelsmatige aantrekkelijkheid; haar zwakte in haar exegetische en dogmatische onthechting. De Vos lijkt intuïtief in deze richting te bewegen, zonder de term te gebruiken. Maar wie zijn woorden volgt, komt in een landschap terecht waar oordeel geen einde kent, omdat het geen einde heeft; het is geen grens, slechts een fase. En daarmee verliest het Evangelie zijn dramatische diepte. De boodschap van redding wordt een narratief van ontwaken, en het kruis wordt een symbool voor liefde die iedereen vroeg of laat toch omarmt.
In deze onderstroom ligt de meest ingrijpende verschuiving: van een Evangelie dat redt uit werkelijk oordeel, naar een spiritualiteit die iedereen vanzelf thuishaalt. Het klinkt aantrekkelijk, maar het is geen apostolische boodschap. Het biedt hoop zonder heiligheid, verzoening zonder oordeel en genade zonder waarheid. Wat overblijft is geen geloof dat draagt, maar een gevoel dat de oren streelt; warm genoeg om te ontroeren, te licht om te redden.
Humanisme als grondtoon: de mens die zichzelf redt
De verschuiving van theocentrisme naar antropocentrisme
Achter David de Vos’ uitspraken klinkt een diepe verschuiving mee die niet in de eerste plaats theologisch, doch antropologisch is. De mens staat in zijn nieuwe denken centraal als wezen dat in zichzelf al goed, geliefd en potentieel stralend is; geloof is het proces waarin die kern allengs zichtbaar wordt. Dat is een duidelijk humanistisch spoor. Waar de klassieke theologie vertrekt bij God die spreekt, roept en redt, vertrekt de Vos bij de mens die ontdekt, groeit en bewust wordt. De verlossing komt niet van buitenaf; ze ontknoopt zich van binnenuit. Zonde is daardoor niet langer rebellie maar onwetendheid. Het Evangelie wordt niet langer een reddingshandeling, maar een spiegel waarin de mens zichzelf herkent.
De taal van coaching en zelfontplooiing
Het is veelzeggend dat De Vos zich nu richt op training en coaching. Zijn theologie sluit naadloos aan bij de taal van moderne zelfverbetering: „ontwaken”, „bewust worden”, „leven vanuit liefde”, „zien wie je al bent”. Voor de moderne lezer voelt dit herkenbaar: het lijkt op de taal van positieve psychologie en mindfulness, waarin de mens vooral opgespoord moet worden in zijn eigen potentieel. De Schrift fungeert dan niet meer als normerende stem, maar als hulpmiddel in een proces van persoonlijke groei. De God van Israël wordt dan een vriendelijke facilitator van menselijke ontwikkeling; een coach die aanmoedigt, maar niet heersend spreekt.
Rousseau in evangelische taal
De beweging die De Vos maakt, heeft een herkenbare filosofische voorgeschiedenis. Bij Jean-Jacques Rousseau is de mens in wezen goed; het kwaad komt niet van binnenuit, maar van buitenaf: structuren, normen, verwachtingen, religieuze systemen die het zuivere innerlijke ik vervormen. Wat de mens nodig heeft, is geen redding maar herstel van authenticiteit. Ja, wakker worden voor wat diep vanbinnen al waar is. Wanneer De Vos zegt dat ieder mens een kind van God is dat slechts „wakker” moet worden, herhaalt hij precies die toon: het probleem van de mens ligt niet in schuld of vervreemding tegenover God, maar in onbewustheid. De mens is niet verloren, maar vergeten; niet schuldig, maar bedekt. Filosofisch bezien passen zijn woorden naadloos binnen Rousseau’s optimistische antropologie.
In deze visie schuift de fundamentele bijbelse diagnose naar de achtergrond. De gereformeerde traditie heeft altijd gezegd dat de mens zichzelf niet kan herstellen; hij is niet halfgezond, maar geheel aangetast, „geneigd tot alle kwaad” en — zoals Paulus het onverbloemd zegt — „dood door de misdaden en de zonden”. Die taal is radicaal: een dode wekt zichzelf niet. De klassieke leer van totale verdorvenheid is geen karikatuur van morele slechtheid, maar een beschrijving van een bestaan dat in al zijn vezels door de zonde is aangetast. Daarom situeert de Schrift het kwaad niet in systemen of structuren, maar in het hart van de mens zelf.
Romeinen 3 laat de mens niet ontwaken tot een diepere laag van goedheid, maar ontmaskert hem in zijn onvermogen: „Er is niemand die goed doet, zelfs niet één.” Tegenover dat donkere realisme geeft De Vos de mens opvallend veel krediet. Zijn spiritualiteit vertrouwt op een aanwezige innerlijke goedheid; de Schrift vertrouwt op een Redder die het oordeel draagt en doden levend maakt. In die spanning wordt zichtbaar hoe ver het hedendaagse optimisme verwijderd raakt van de bijbelse ernst en van de noodzaak van verlossende genade.
De verdamping van zonde
De zonde is bij De Vos geen breuk meer in de verhouding met God, maar een gebrek aan liefdevolle afstemming. Hij spreekt over „keuzes die ellende veroorzaken”, niet over schuld die Gods toorn oproept. Verlorenheid wordt een psychologisch fenomeen. Hel een existentiële toestand. En oordeel een proces van morele bijsturing. Het Evangelie mist in zo’n kader zijn theologische spanning: genade veronderstelt geen radicale vergeving meer, maar een liefderijke bevestiging van wie we eigenlijk al zijn. De mens wordt geen verzoend zondaar, maar een ontwaakte drager van licht.
De culturele logica achter deze verschuiving
Het moderne Westen worstelt met morele absolutheid en transcendente autoriteit. We geloven dat de mens autonoom is, dat waardigheid onvoorwaardelijk is en dat authenticiteit heilig is. De Vos beweegt precies in dat culturele spoor. De mens moet niet breken onder schuld, maar bloeien vanuit identiteit. Hij moet niet knielen, maar ontwaken. De radicaliteit van de Bijbel – die spreekt over dood en leven, vloek en zegen, oordeel en genade – wordt omgebogen tot een vloeibaar, psychologisch interpretatiekader. De scherpe lijnen vervagen in een landschap van zachte overgangen en vriendelijke seizoenen.
De implicatie: het Evangelie wordt optioneel
Wanneer de mens in zijn kern goed wordt geacht, verschuift het hele zwaartepunt van de christelijke boodschap. De noodzaak van redding verliest haar structuur; verzoening wordt een beeldspraak, bekering een bewustwordingsmoment en rechtvaardiging een innerlijke duiding. Het Evangelie wordt geen ingrijpen van God dat de mens redt uit een toestand van geestelijke dood, maar een vriendelijke uitnodiging om het goede dat al in hem aanwezig zou zijn te laten oplichten. In zo’n kader inspireert het Evangelie wellicht, maar het dwingt niet; het vermaant niet, maar moedigt aan. De openbaring die de mens onder waarheid stelt, wordt geruild voor een spirituele aanvulling die hij naar believen kan opnemen.
Dat is ook de humanistische ondertoon die in De Vos’ verschuiving meeklinkt. Het geloof wordt vriendelijker, zachter en vooral inclusief; het verliest zijn confronterende karakter. De scherpe contouren van schuld, oordeel en verzoening vervagen en maken plaats voor een mild vertrouwen in de mens die slechts gewekt hoeft te worden voor wat al in hem besloten ligt. De mens is niet meer iemand die van buitenaf moet worden gered, maar iemand die van binnenuit moet ontwaken.
Precies daar doemt de cruciale vraag op: wat blijft er over van het Evangelie wanneer de mens niet langer van buitenaf gered moet worden, maar van binnenuit slechts moet ontwaken? Zodra redding wordt gereduceerd tot bewustwording, verliest het kruis zijn noodzakelijkheid, en wordt de boodschap van Christus tot morele inspiratie in plaats van goddelijke redding. In die verschuiving gaat niet alleen de ernst verloren, maar de kern zelf.
Paulus’ roeping en het bewustzijnsargument: een exegetische ontsporing
Galaten 1:15 als sleuteltekst – of als breekijzer
David de Vos beroept zich op Galaten 1:15, waar Paulus zegt dat hij „vanaf de moederschoot was afgezonderd” en dat Christus Zich later in hem openbaarde. De Vos gebruikt deze tekst als fundament voor zijn bewustzijns-theologie: Paulus was al bij Christus, maar werd zich dat pas later bewust. In deze lezing wordt bekering geen overgang van duisternis naar licht, maar de ontdekking van een reeds bestaande identiteit. Het kindschap gaat vooraf aan het geloof; het geloof ontwaakt tot een gegeven dat nooit ontbrak. Maar wie de tekst nauwkeuriger leest, merkt dat De Vos hier iets inlegt dat Paulus niet zegt. Paulus’ verkiezing „van de moederschoot” is niet hetzelfde als kindschap zonder geloof; het verwijst naar Gods soevereine roeping, vergelijkbaar met Jeremia of Jesaja, niet naar een universele staat die voor alle mensen geldt.
Gescheiden vóór de tijd, maar niet gered vóór het geloof
Paulus beschrijft zijn verleden niet alsof hij een slapend kind van God was dat slechts moest ontwaken. Hij noemt zichzelf een „vervolger van de gemeente”, een „hater van Christus”, zelfs „de grootste der zondaren”. Dat is geen taal van latent kindschap, maar van radicale vervreemding. Een vergelijking helpt: het is alsof iemand vanaf zijn geboorte bedoeld is om arts te worden, maar tot zijn dertigste als bendeleider leeft. De bestemming mag er zijn, maar zijn leven weerspreekt haar totaal; hij is geen arts totdat hij daadwerkelijk wordt opgeleid en de eed aflegt.
Zo werkt het ook bij Paulus. Zijn roeping lag in Gods raad, maar werd pas werkelijkheid toen Christus hem riep, zijn hart brak en hem tot geloof bracht. Roeping is bij Paulus nooit een ontologische status die men al bezit; het is een teleologisch begrip: een doel dat door God gesteld is en dat pas realiteit wordt door bekering en geloof. De Vos maakt van die roeping een vorm van sluimerend kindschap, maar bij Paulus is roeping nooit een stilstaand gegeven; het is een goddelijk gericht dat de mens in beweging zet en omkeert. Alleen zo ontstaat werkelijk kindschap.
De exegetische verschuiving: van geschiedenis naar introspectie
Wanneer De Vos Galaten 1:15 leest als bewustwording, verandert de aard van Paulus’ bekeringsverhaal. De ontmoeting op de weg naar Damascus wordt dan geen dramatische breuk in de heilsgeschiedenis3De term heilsgeschiedenis (historia salutis) verwijst niet naar de innerlijke ervaring van individuele gelovigen, maar naar Gods objectieve daden in de tijd: schepping, verkiezing van Israël, komst van Christus, Zijn kruisdood en opstanding, en de wereldwijde expansie van het Evangelie door de Geest. Paulus’ bekering valt niet onder „persoonlijke heilsbeleving”, maar onder de voortgang van deze heilshistorische lijn doordat God hem specifiek aanwijst als „uitverkoren instrument” om het Evangelie onder de heidenen te brengen (Handelingen 9:15; vgl. Jesaja 49:6 zoals toegepast in Handelingen 13:47). De wending op de weg naar Damascus is daarom niet slechts psychologisch of existentieel, maar een scharniermoment in de uitbreiding van Gods reddend handelen in de wereld., maar een innerlijk inzichtsmoment. De historische Christus die roept, wordt een innerlijke Christus die zich openbaart. Dat is niet alleen een exegetische, maar ook een ontologische verschuiving: van een extern Woord dat spreekt naar een intern licht dat ontwaakt. De Bijbel fungeert dan niet meer als verslag van Gods handelen, maar als sjabloon voor onze innerlijke processen.
De hermeneutische fout: van bijzondere roeping naar universele toestand
Paulus’ verwijzing naar de moederschoot is uitzonderlijk; ze staat in het rijtje van profeten die God vanaf het begin heeft bestemd voor een taak. De Vos maakt van deze unieke roeping een universeel mensbeeld: wat voor Paulus gold, geldt voor iedereen. Het is alsof men zegt: omdat Mozart op zijn vierde componeerde, moet ieder kind in potentie een componist zijn die slechts „wakker” moet worden. De uitzondering wordt de regel; het bijzondere wordt veralgemeniseerd. Exegese wordt psychologische analogie. Maar juist hier moet men voorzichtig zijn. De Schrift tekent een duidelijke lijn tussen de bijzondere roeping van apostelen en de algemene staat van zondige mensen. Paulus’ roeping was uniek en zijn bekering essentieel.
De apostolische urgentie verdwijnt
Wanneer Paulus’ bekering wordt omgevormd tot bewustwording, verliest zijn oproep tot bekering haar gewicht. Zijn prediking — „God verkondigt dat zij allen overal tot bekering moeten komen” — verandert in een milde uitnodiging tot innerlijke groei. Het apostolisch appel verschuift van een beslissende wending naar een contemplatief ontwaken. De scherpte van de heilsweg — verloren, gevonden; dood, leven; duisternis, licht — wordt afgevlakt tot een spectrum van bewustzijnsniveaus. De apostel die sprak over „de toekomende toorn” wordt zo de apostel van zelfinzicht. Dat is echter niet de Paulus van het Nieuwe Testament.
Christus als openbaring, niet als projectie
Het cruciale verschil kan in één zin worden samengevat: in de Schrift openbaart Christus Zich van buitenaf; bij De Vos wordt Christus ontdekt van binnenuit. Dat is de kern van zijn soteriologie, en het is precies op dit punt dat de exegetische ingreep in Galaten 1:15 functioneert. De tekst wordt niet uitgelegd, maar gebruikt om een al bestaande intuïtie te ondersteunen. De historische, vleesgeworden Christus die ingrijpt in het leven van een vervolger wordt omgevormd tot een innerlijke Christus die het pre-existente kindschap bevestigt.
In deze verschuiving van exegese naar introspectieve hermeneutiek klinkt de geest van het postmodernisme: waarheid ligt niet buiten je, maar in jezelf; Schrift is geen openbaring, maar reflectie. Maar precies op dit punt gaat de theologie verloren die Paulus droeg; de theologie waarin genade geen bewustwording is, maar een daad van God die de mens van vijand tot zoon maakt.
De deconstructie van evangelisatie: een missie zonder noodzaak
Van „ga heen” naar „word je bewust”
Wanneer David de Vos zegt dat hij stopt met evangeliseren, is dat geen organisatorische afsluiting maar de logische vrucht van zijn nieuwe theologie. Evangelisatie bestaat bij gratie van urgentie: een werkelijkheid waarin mensen werkelijk verloren zijn, waarin Christus werkelijk redt, en waarin geloof niet optioneel doch noodzakelijk is. Wie die urgentie wegneemt, haalt ook de draagbalk onder de missionaire roeping vandaan. In een wereld waar iedereen al kind van God is en „verloren gaan” geen definitieve dimensie heeft, wordt evangelisatie gereduceerd tot inspiratie, coaching, of morele aanmoediging. Men hoeft niet gered te worden; men hoeft slechts wakker te worden. Dat is geen missiesluiting, maar missiedeconstructie om het in postmoderne bewoordingen te zeggen.
Het verdwijnen van het eschatologische kompas
In de apostolische prediking was evangelisatie doortrokken van eschatologisch gewicht: „Ontvlucht de toekomende toorn”, „Laat u met God verzoenen”, „Hoe zullen zij horen zonder prediker?” De Vos vervangt deze horizon door een ethische variant: het gaat om „elke dag de keuze maken tussen goed en kwaad”. Het Evangelie verschuift zo van redding tot levenskunst. De vergelijking is deze: de apostelen verkondigen een woord dat doden levend maakt; De Vos biedt een gids voor mensen die al leven. De een spreekt over opwekking, de ander over ontwikkeling. Wanneer de noodzaak van verzoening plaatsmaakt voor het advies tot morele groei, verdwijnt de spanning van het Evangelie als goddelijk ingrijpen in de geschiedenis en verandert het in een humanistisch traject van innerlijke vorming.
Missionaire roeping wordt zelfexpressie
De Vos benadrukt dat hij „22 jaar een man van het podium is geweest” en dat hij ook nu „vanaf dat podium” zijn inzichten wil delen. Maar het podium verandert van functie. Waar het eerder dienstbaar was aan een boodschap die buiten hemzelf lag, wordt het nu drager van een boodschap die uit hemzelf voortkomt. Het Evangelie wordt niet verkondigd; het wordt gedeeld als persoonlijke visie. Deze verschuiving is exemplarisch voor post-evangelicale spiritualiteit, waarin missie geen gehoorzaamheid aan een zendingsbevel meer is, maar een vorm van zelfexpressie. De Bijbel fungeert als bron van inspiratie, niet als norm voor proclamatie.
Het zondaarsgebed als symptoom van een dieper verschil
De Vos noemt het zondaarsgebed een kramp, een regel, een vorm van buitensluiting. Maar achter deze kritiek schuilt een veel fundamentelere kanteling. Het zondaarsgebed – populair geworden in revivaltradities en evangelische massabijeenkomsten – veronderstelt namelijk dat bekering een beslissende wending is: een moment waarop iemand wordt overgeplaatst van duisternis naar licht, van dood naar leven, van vijandschap naar verzoening. Precies dat kernmoment van de apostolische prediking (Hand. 2, Hand. 16) verdwijnt wanneer bekering wordt herleid tot een proces van bewustwording.
Theologisch gezien staat het zondaarsgebed overigens niet op gereformeerde bodem. Gereformeerden hebben het gebed nooit omarmd omdat het is gebouwd op een arminiaans schema: de mens neemt een vrije beslissing voor God, en dát besluit maakt hem tot kind van God. In de gereformeerde visie ligt het zwaartepunt niet bij het besluit van de mens, maar bij de daad van God die het hart opent (Hand. 16:14). De verkiezende genade gaat aan de menselijke wilsbeslissing vooraf; bekering is een gave, geen prestatie. Daarom klinkt in reformatorische prediking zelden een zondaarsgebed, maar eerder de oproep tot omkeer die God Zelf in het hart werkt.
De Vos wijst het zondaarsgebed af omdat het volgens hem mensen buitensluit, alsof alleen wie de juiste formule bidt werkelijk binnen staat. Maar ironisch genoeg wijst hij het niet af vanwege het arminianisme dat eraan ten grondslag ligt, maar vanwege een veel modernere intuïtie: dat er überhaupt geen beslissend moment meer behoeft te zijn. In zijn visie is iemand al kind van God en moet hij of zij slechts „wakker worden” voor wat al aanwezig is. Daarmee wordt bekering geen breuklijn maar een proces; geen ommekeer maar ontplooiing; geen levendmaking maar bewustwording. In feite een zachte beweging zonder het beslissende ingrijpen dat de Schrift veronderstelt.
Wanneer deze verschuiving eenmaal is gemaakt, verandert ook de aard van evangelisatie. Zij wordt niet langer een oproep tot redding, maar een uitnodiging tot reflectie. Niet langer: „Laat u met God verzoenen”, maar: „Ontdek wie u diep vanbinnen bent.” De noodzaak vervaagt, de horizon verschuift en de urgentie verdwijnt. Wat overblijft is een inclusieve vorm van spiritualiteit waarin de mens zich ontwikkelt, maar niet wordt gered. En precies daar wordt het zondaarsgebed – hoe gebrekkig ook – tot symptoom van een dieper verschil: het klassieke Evangelie weet van beslissende genade; de nieuwe visie van ontplooiing kent slechts een bewustwording die allengs uitloopt op … zichzelf. Bij De Vos draait de beweging dan ook om het innerlijke ik: ‘ik vind’, ‘ik denk’, ‘ik ervaar’. Het criterium verschuift van openbaring naar beleving. De mens wordt het centrum waar alles terugkeert. Het komt uit bij het „ik, ik, ik” en niet de God die roept, oordeelt en redt.
Van discipelschap naar life-coaching
In de apostolische traditie volgen leerlingen Jezus omdat Hij Heer is, Koning, Verlosser. Bij De Vos verschuift discipelschap naar een vorm van zelfmanagement: leven vanuit liefde, bewust handelen en innerlijke groei. Dat zijn op zichzelf waardevolle begrippen, maar ze verliezen hun theologische anker. Discipelschap wordt een variant van wat in de coachingwereld „alignment” heet: leven in overeenstemming met je diepste waarden. Het transcendente verandert in immanentie, het verticale in horizontale wijsheid. De taal blijft (oppervlakkig bezien) christelijk, ook bij De Vos, maar het raamwerk wordt mensgericht.
Een missionaire implosie
De consequentie van deze verschuiving laat zich eenvoudig tekenen:
- als niemand werkelijk verloren is, hoeft niemand werkelijk gered te worden;
- als oordeel slechts tijdelijk is, is de urgentie van bekering verdwenen;
- als kindschap universeel is, wordt het Evangelie overbodig;
- als bewustwording de kern is, wordt Christus middel in plaats van Heer; en
- als de Bijbel onhelder is, verdwijnt haar gezag als kompas.
Evangelisatie implodeert niet omdat De Vos het podium verlaat, maar omdat zijn theologie de ruggengraat van missie oplost. Het zendingsbevel verliest zijn kracht wanneer de boodschap die verkondigd moet worden geen heilshistorisch feit meer is, maar een psychologisch ontwaken. De wereld hoeft niet gewonnen te worden voor Christus; ze hoeft slechts te ontdekken dat ze altijd al van Hem was; een gedachte die het ganse missionaire erfgoed van de kerk ontmantelt.
Deze deconstructie van evangelisatie vormt niet de rand, maar het centrum van De Vos’ nieuwe koers. Het is de vrucht van een theologie die de mens bevestigt en God buiten beeld plaatst; die oordeel tijdelijk maakt en genade vanzelfsprekend; die het Evangelie transformeert tot een verhaal van innerlijke groei. Dat is niet het Evangelie dat de apostelen predikten; het is een nieuw geloof, gesneden naar de contouren van de (post)moderne ziel.
De praktijk na de breuk: wanneer theologie missionaire spierkracht verliest
Het verdwijnen van de noodzaak, en daarmee van de beweging
In de klassieke christelijke traditie is missie nooit een bijzaak geweest. Zij ontsproot aan een innerlijke logica: als het Evangelie waar is, en als de mens buiten Christus werkelijk verloren gaat, dan is verkondiging zowel een daad van liefde als een gebod van gehoorzaamheid. Deze dubbele impuls — pastoraal én eschatologisch — heeft eeuwenlang het hart van de zending doen kloppen. Het was geen project, maar een werkelijkheid die zichzelf aandrong.
Wanneer De Vos deze onderliggende aannames loslaat, verdwijnt onvermijdelijk ook de missionaire energie die eruit voortkomt. Zijn theologie wordt niet alleen mensgericht; zij wordt inert. Een geloof waarin iedereen al kind van God is, waarin oordeel hoogstens een tijdelijk seizoen vormt en redding vooral bewustwording betekent, bezit geen missionair motorblok meer. Het landschap wordt gelijkvloers: er is geen urgentie, slechts uitnodiging; geen roep, slechts reflectie. Wat overblijft is een spiritualiteit die vriendelijk klinkt, maar het vuur mist dat de apostelen dreef om de wereld rond te gaan.
Kerk en gemeente als therapeutische ruimtes
Wanneer de noodzaak van verzoening vervangen wordt door het ideaal van innerlijke groei, verandert ook de functie van de kerk. Gemeenteleven wordt minder sacramenteel en minder gericht op het horen van het Woord, en steeds meer op begeleiding, zingeving en gemeenschap. De kerk wordt zo een soort moreel-psychologische werkplaats: een plek waar mensen elkaar inspireren, waar men leert „in liefde te leven”, waar liturgie vooral dient als vorm van resonantie. Het verschil is dat tussen een defibrillator en een geurkaars: het eerste brengt (bij wijze van spreken) doden tot leven; het tweede maakt slechts de sfeer aangenaam. De Vos kiest voor het tweede.
De versmalling van het Evangelie tot ethiek
Wanneer Jezus’ boodschap wordt herleid tot de dagelijkse keuze tussen goed en kwaad — wat De Vos expliciet zegt — verandert het Evangelie van een reddingsboodschap in een morele weg. Zonde wordt een patroon dat tot ellende leidt, niet een breuk in de verhouding met God. Hemel wordt harmonie en niet heerlijkheid. Hel wordt disharmonie in plaats van oordeel. De bijbelse contouren worden sociaal-psychologische categorieën. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de missionaire praxis: het Evangelie wordt niet langer een proclamatie van wat God gedaan heeft, maar een aansporing om te leven wie je al bent. Dat klinkt elegant, maar het ontkracht volledig het apostolische kerygma.
Het verlies van de noodzaak van leer
De Vos’ theologie ademt een diepe scepsis tegenover leer, alsof dogma’s krampachtig zijn en alleen liefde werkelijk vrucht draagt. Maar zonder leer is er niets te verkondigen. Zonder leer is er ook niets om te onderwijzen. En zonder leer wordt discipelschap gereduceerd tot persoonlijke ontwikkeling. Het gevolg is dat de kerk haar eigen identiteit verliest. De grens tussen christelijke gemeenschap en seculiere coaching vervaagt. In plaats van een volk dat leeft uit openbaring, ontstaat een netwerk van mensen die zich verenigen rond een overtuiging dat het leven mooier wordt wanneer je liefhebt.
De missionaire paradox
Opmerkelijk genoeg presenteert De Vos zijn koerswijziging publiek, via boek en documentaire, als een boodschap die gehoord moet worden. Daarmee ontstaat een paradox: hij verwerpt evangelisatie, maar gebruikt missionaire middelen om een anti-missionaire boodschap te verspreiden. Deze paradox is kenmerkend voor veel post-evangelicale bewegingen. Men weigert de universaliteit van het Evangelie, maar eist wel de universaliteit van de eigen visie. Men gelooft niet dat waarheid verkondigd moet worden, maar verkondigt toch dat bekering slechts bewustwording is. De retoriek blijft missionair, maar de inhoud niet.
De wereld zonder redding
Zodra verlorenheid wordt gereduceerd tot onwetendheid, vervalt het dramatische kader van de heilsgeschiedenis. De wereld is niet langer in nood; ze is slechts in verwarring. En wie alleen verward is, heeft geen Redder nodig, slechts richting. Dat maakt de rol van Christus diffuus. Hij wordt spiegel in plaats van Middelaar, inspiratiebron in plaats van Heiland. De zending van de kerk wordt vervangen door de zingeving van de mens. En in die verschuiving verliest het Evangelie zijn verticale as; het wordt horizontaal, ethisch en therapeutisch. Het is een vriendelijk new-age-landschap, behaaglijk en rond, maar het is niet het terrein van apostelen en profeten. Daar klinkt geen zelfontplooiing, maar bekering; geen warme resonantie, maar het woord dat snijdt, oordeelt en redt.
In deze theologische en praktische heroriëntatie zien we hoe een geloofstraditie haar missionaire kracht niet verliest door tegenstand van buitenaf, maar door herinterpretatie van binnenuit. Wat resteert, is een beweging zonder boodschap, een missie zonder noodzaak en een geloof zonder redding. Het is een theologie die de mens bevestigt maar hem niet vernieuwt, aangezien zij niet langer rekent met de geestelijke dood. Daarmee wordt het Evangelie niet verdiept maar ontmanteld; het hart wordt eruit gehaald, en wat overblijft, is een gestalte zonder leven.

Een Bijbels alternatief: kindschap, roeping en de noodzaak van verzoening
Een Evangelie dat begint bij God, niet bij de mens
Waar David de Vos het kindschap universaliseert en het oordeel temporaliseert, herinnert de Schrift ons aan een omgekeerde beweging: het Evangelie begint niet bij onze waardigheid, maar bij Gods heiligheid; niet bij onze innerlijke kern, maar bij Zijn roepende stem. Het kindschap is in de Bijbel nooit een vanzelfsprekende antropologische status, maar een relationele daad van God die plaatsvindt in Christus. „Zovelen Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden.” De lijn van schepping, val en verlossing vormt de ruggengraat van dit kindschap. De mens draagt het beeld van God, ja, maar dat beeld is beschadigd, donker en verwrongen. Adoptie is geen opfrissen van een vergeten identiteit, maar een daad van verzoening waardoor vijanden tot zonen worden gemaakt.
Bekering als wending, niet als bewustwording
In het Nieuwe Testament is bekering een reële omkeer: van duisternis naar licht, van dood (!) naar leven. Niet een proces van innerlijke herkenning, maar een wending die ontstaat door de confrontatie met Gods spreken. Paulus wordt niet „wakker” voor zijn reeds bestaande kindschap; hij wordt omgekeerd door de openbaring van Christus. De verandering is discontinu en niet gradueel. Men kan het vergelijken met iemand die niet ontdekt dat hij altijd al veilig was, maar een brandweerman die hem op het nippertje uit een brandend gebouw trekt. Het ene model bevestigt en het andere redt.
Verzoening als centrum van kindschap
Het kindschap van de gelovige is geworteld in de verzoening: Christus droeg het oordeel dat wij verdienden, zodat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen. Dit is geen bewustzijnstaal, maar verbondstaal; geen innerlijke metafoor, maar heilsfeit. De liefde van God wordt niet zichtbaar doordat we ontdekken dat we al goed waren, maar doordat Hij Zich neerbuigt tot hen die Hem niet zochten. Het kindschap is een geschenk dat in de geschiedenis verankerd is, niet in de psychologie.
Oordeel als ernst, niet als seizoen
Het oordeel van God is in de Schrift niet pedagogisch doch eschatologisch. De ernst ervan vormt juist de achtergrond waartegen genade schittert. Alleen wie de diepte van de breuk ziet, begrijpt de hoogte van de verzoening. Het „eeuwige” karakter van oordeel en leven is geen taalspel, maar een structurele scheiding die Jezus Zelf tekent. Die ernst maakt het Evangelie urgent, niet omdat God vreugd vindt in veroordeling, maar omdat Hij werkelijk recht doet. Het is deze combinatie — heiligheid én liefde — die de Schrift laat zingen van rechtvaardige genade.
Missionaire roeping als gevolg van genade
Wanneer het Evangelie weer zijn volle contouren krijgt, wordt ook missie meer dan inspiratie: ze wordt gehoorzaamheid. Wie gelooft dat God mensen redt uit oordeel, zal het Woord delen uit liefde. De missionaire roeping vloeit dan niet voort uit organisatie of strategie, maar uit ontzag. De kerk verkondigt omdat Christus Heer is, omdat verzoening werkelijk nodig is, omdat de wereld geroepen wordt tot bekering en geloof. De liefde van God is geen reden om het oordeel te minimaliseren, maar om het Evangelie met ernst én warmte te verkondigen.
Een geloof dat waarachtig troost
Het alternatief voor De Vos’ visie is geen kil dogmatisme, maar een geloof dat zowel diepe ernst als diepe troost kent. Ernst, omdat de mens werkelijk verloren kan gaan zonder Christus. Troost, omdat God werkelijk redt door Christus. In dat spanningsveld ontstaat een geloof dat niet oplost in immanentie, maar reikt naar het transcendente; een geloof dat niet buigt voor menselijke intuïtie, maar opstaat onder goddelijke openbaring. Het kindschap is dan geen innerlijke ontdekking, maar een ontvangen gunst. En de kerk wordt geen therapeutische gemeenschap van zelfontplooiers, maar een familie van verlosten.
Het is dit alternatief — driewerf Bijbels, confessioneel en missionair — dat de contouren bewaart van het Evangelie dat apostelen verkondigden, hervormers verdedigden en de kerk door de eeuwen heeft gedragen. Een Evangelie dat de mens niet herleidt tot zijn fouten, maar hem evenmin verheft tot zijn potentieel; dat God verheerlijkt omdat Hij heilig ís en genadig blijft. Een Evangelie dat werkelijk redt, omdat het geworteld is in de levende God die werkelijk spreekt; niet in de echo van het menselijke bewustzijn.
Slotbeschouwing: waar liefde zijn contouren verliest
Een geloof dat zacht klinkt, maar scherpte verliest
In de woorden van David de Vos klinkt een warme, inclusieve spiritualiteit door; een geloof dat niemand buitensluit en vooral uitnodigt tot liefde. Het heeft charme, aantrekkingskracht zelfs. Maar charme is geen criterium voor waarheid. Wanneer het Evangelie wordt herleid tot bewustzijnsontwikkeling, wanneer oordeel verandert in een tijdelijk seizoen en zonde in een psychologische misstemming, verliest de christelijke boodschap haar dramatische kern: dat God heilig is, en de mens werkelijk verzoening nodig heeft. Liefde zonder waarheid wordt sentimentaliteit; waarheid zonder liefde wordt hardheid. De Schrift houdt beide in een onvervreemdbare spanning die de ziel tegelijk schokt als troost.
De paradox van het moderne geloof
De Vos’ benadering past naadloos in de geest van de laatmoderne mens: een tijd die allergisch is voor exclusieve claims, die transcendentie wantrouwt en religie liever ziet als innerlijke resonantie. Zijn theologie ademt dat klimaat: zacht, tolerant en psychologisch. Maar in die zachtheid schuilt een paradox. Want hoe vriendelijk het ook oogt, het reduceert God tot spiegel van onze intuïties. De transcendente spreekt niet meer; Hij resoneert. De heilige openbaart Zich niet meer; Hij bevestigt. Het Evangelie wordt geen ingreep van buitenaf, maar een echo van binnenuit. In plaats van een Gód die roept, blijft een mens over die reflecteert. That’s it.
Verlies van gewicht, verlies van genade
De ironie is dat het minimaliseren van oordeel uiteindelijk ook de genade minimaliseert. Waar geen schuld bestaat, wordt vergeving bijzaak. Waar niemand werkelijk verloren kan gaan, wordt redding optioneel. Waar kindschap universeel is, verliest aanneming haar diepte. De rijkdom van Gods liefde schittert juist tegen de donkere achtergrond van onze verlorenheid. Het is die verticale beweging — van dood naar leven, van vijandschap naar verzoening en van duisternis naar licht — die het christelijk geloof tot Evangelie maakt. Zonder die oversteek blijft slechts moraal over, hoe (ogenschijnlijk) liefdevol ook verwoord.
De spiegel en de stem
Wat uiteindelijk op het spel staat, is de vraag of de Bijbel nog spreekt met gezag, of slechts reflecteert wat wij erin willen zien. De Vos kiest voor het tweede. De klassieke traditie — van Paulus tot Augustinus, van Calvijn tot Kuyper — kiest voor het eerste: een God die Zich openbaart, die roept, die ingrijpt. Niet om de mens te bevestigen in wat hij is, maar om hem te verlossen uit wat hij geworden is. Daar klinkt het gewicht van waarheid en de warmte van genade. Daar spreekt geen spiegel, maar een stem.
De blijvende vraag
De Vos’ theologie staat niet alleen op afstand van de traditioneel-christelijke belijdenissen, maar ook van de bijbelse beweging zelf. Zijn visie oogt vriendelijk en is cultureel herkenbaar, maar geenszins apostolisch. Zij past in een klimaat dat liever ontwaakt dan omkeert, liever reflecteert dan buigt en liever onderzoekt dan gehoorzaamt. Maar het Evangelie heeft geen spiegel nodig; het vraagt om een mens die luistert. Niet naar de echo van zijn eigen bewustzijn, maar naar de stem die roept én oordeelt. Diezelfde stem is het die een hart van steen verandert in een hart van vlees (Ezechiël 36:26).
Een open einde, geen relativering
De Vos noemt zijn visie een komma, geen punt. Maar precies in die komma klinkt de vraag of deze theologie het gewicht kan dragen van de werkelijkheid die de Schrift tekent. Want een geloof zonder oordeel kent geen genade. Een kindschap zonder aanneming verliest zijn betekenis. En een evangelie dat niemand meer redt, wordt uiteindelijk geen evangelie meer genoemd, maar ethiek.
In dit spanningsveld blijft de klassieke boodschap helder en onvermoeibaar: God ís liefde, ja; maar Zijn liefde heeft vorm, contour en heiligheid. Ze is geen seizoen maar eeuwigheid. En juist daarom heeft zij kracht om te redden.
Lees verder
Wie dieper wil graven in de vragen die onder deze discussie liggen, vindt op jouw site een rijk palet aan verwante analyses. In Een dialoog tussen Chris Verhagen en David de Vos – Zijn alle mensen kinderen van God? ga je uitvoerig in op de theologische grenzen van inclusivisme en de manier waarop het moderne bewustzijnsdenken daar een rol in speelt. Het thematisch verwante stuk Het einde van de hel? Een bijbelse weerlegging van de alverzoeningsleer van Reinier Sonneveld laat zien hoe zachte taal over oordeel uitmondt in een verschoven Evangelie; een analyse die bij De Vos verrassend actueel klinkt. Wie de bredere culturele grondtoon wil begrijpen, kan terecht bij Het welzijnsevangelie ontmaskerd, waar de therapeutische herlezing van het christelijk geloof haarscherp wordt ontleed. En voor wie wil weten hoe twijfel, identiteit en groepsvorming in dit klimaat functioneren, bieden Alleen wie gelooft, kan zinnig twijfelen en Wat is een sekte en hoe beland je in een sekte? de nodige diepte én nuance. Tezamen vormen deze artikelen een soort mozaïek: verschillende invalshoeken, maar één grote vraag — wat gebeurt er met het Evangelie wanneer de mens centraal komt te staan, en niet de God die roept?
Geraadpleegde bronnen
Bijbel en vertaling
- Herziene Statenvertaling. (2010). Bijbel HSV. Royal Jongbloed.
(Ezechiël 36:26 als tekstverwijzing.)
Gereformeerde en klassieke dogmatiek
- Barth, K. (2004). Church Dogmatics IV/1–4. T&T Clark.
(Verzoening, oordeel, Gods zelfopenbaring.) - Calvijn, J. (2009). Institutie van de christelijke godsdienst (A. Noordegraaf & W. van ’t Spijker, red.). Boekencentrum.
(Basistekst over mensbeeld, verkiezing, zondeleer.) - Van de Beek, A. (2014). Waarom? Over lijden, schuld en God. Meinema.
(Analyse van schuld, oordeel en Gods heiligheid.) - Keller, T. (2008). The Reason for God: Belief in an Age of Skepticism. Dutton.
(Nederlands: De reden van God, 2011 — Navigator.)
(Vraag naar oordeel en liefde, moderne bezwaren.) - Plantinga, C. (1995). Not the Way It’s Supposed to Be: A Breviary of Sin. Eerdmans.
(Klassieke theologie van zonde en verdorvenheid.)
Universalistische en inclusivistische theologie
- Hart, D. B. (2019). That All Shall Be Saved: Heaven, Hell, and Universal Salvation. Yale University Press.
(Meest invloedrijke moderne verdediging van universalisme.) - MacDonald, G. (2012). The Evangelical Universalist (2nd ed.). Cascade Books.
(Evangelicale verdediging van universele verzoening.) - Parry, R., & Partridge, C. (Eds.). (2003). Universal Salvation? The Current Debate. Eerdmans.
(Overzicht van het debat.) - Talbott, T. (1999). The Inescapable Love of God. Universal Publishers.
(Filosofische argumentatie voor universalisme.) - Sonneveld, R. (2025). Het einde van de hel. KokBoekencentrum.
(Nederlandse populaire introductie tot universalistische lezing.)
Hermeneutiek, deconstructie en moderne interpretatiecultuur
- Derrida, J. (1978). Writing and Difference. University of Chicago Press.
(Basistekst van deconstructie.) - Gadamer, H.-G. (1989). Truth and Method. Continuum.
(Kernbron voor hermeneutische traditie.) - Smith, J. K. A. (2006). Who’s Afraid of Postmodernism? Taking Derrida, Lyotard, and Foucault to Church. Baker Academic.
(Toepassing van postmoderne filosofie op kerkelijke hermeneutiek.) - Vanhoozer, K. (2005). The Drama of Doctrine: A Canonical-Linguistic Approach to Christian Theology. Westminster John Knox Press.
(Kritiek op subjectieve/lezer-gebaseerde hermeneutiek.) - Wolterstorff, N. (1995). Divine Discourse: Philosophical Reflections on the Claim That God Speaks. Cambridge University Press.
(Fundamenteel voor jouw tegenstelling: spiegel vs. stem.)
Mensbeeld, modern humanisme en psychologisering
- Rousseau, J.-J. (1979). Émile, or On Education (A. Bloom, Trans.). Basic Books. (Orig. 1762.)
(‘Mensen zijn van nature goed’ als cultuurbron.) - Taylor, C. (1989). Sources of the Self: The Making of the Modern Identity. Harvard University Press.
(Oorsprong van subjectivistische identiteit.) - Taylor, C. (2007). A Secular Age. Harvard University Press.
(De overgang van transcendentie naar immanentie.) - Vitz, P. (1994). Psychology as Religion: The Cult of Self-Worship. Eerdmans.
(Kritiek op therapeutische spiritualiteit.) - Heelas, P., & Woodhead, L. (2005). The Spiritual Revolution: Why Religion Is Giving Way to Spirituality. Blackwell.
(Psychologisering en “subjective turn”.) - Smith, C., & Snell, P. (2009). Souls in Transition. Oxford University Press.
(Uitstekend voor moralistic therapeutic deism in jongere generaties.)
Evangelicale cultuur, post-evangelicalisme en emergent church
- Bielo, J. S. (2011). Emerging Evangelicals: Faith, Modernity, and the Desire for Authenticity. NYU Press.
(Sociologische studie naar post-evangelicale tendensen.) - McKnight, S. (2014). The Kingdom Conspiracy. Brazos Press.
(Kritiek op psychologisering van het Koninkrijk.) - Jones, T. (2008). The New Christians: Dispatches from the Emergent Frontier. Jossey-Bass.
(Post-evangelicalisme als cultuurvorm.) - Bell, R. (2011). Love Wins. HarperOne.
(Wereldwijd invloedrijk boek waarin oordeel psychologischer wordt ingevuld.)
Nederlandse context, apologetiek en publieke theologie
- Van den Brink, G., & Van der Kooi, C. (2012). Christelijke dogmatiek: Een inleiding. Boekencentrum.
(Helder over oordeel, verzoening, genade en kerkelijke leer.)
Journalistieke bron (het interview met De Vos)
- Brink, K. van den. (2025, 14 november). David de Vos evangeliseert niet meer: “Je wordt niet pas een kind van God als je maar de juiste beslissing neemt”. Reformatorisch Dagblad.
https://www.rd.nl/artikel/1127949-david-de-vos-evangeliseert-niet-meer-je-wordt-niet-pas-een-kind-van-god-als-je-maar-de-juiste-beslissing-neemt
Eigen artikel
- Sulman, M. G. (2024). Universalisme (alverzoening) bij Reinier Sonneveld? Een reformatorische weerlegging. Mens & Gezondheid.
https://mens-en-gezondheid.nl/geloof/universalisme-alverzoening-reinier-sonneveld-weerlegd/
Reacties en ervaringen
Hieronder kun je reageren op dit artikel. Wij stellen reacties zeer op prijs. Reacties worden niet automatisch (direct) gepubliceerd. Dit gebeurt nadat ze door de redactie gelezen zijn. Dit om ‘spam’ of anderszins ongewenste c.q. ongepaste reacties eruit te filteren. Daar kunnen soms enige uren overheen gaan.